Het perron controleren voor het instappen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At a train station, two adults check the platform sign, manage bags, and watch for changes before boarding..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Het perron controleren voor het instappen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Zu welchem Bahnsteig sollen wir gehen?

tsoe vel-chum baan-sjtajk zol-len vie-uh gee-un? Naar welk perron moeten we gaan?
B

Das Schild zeigt auf Bahnsteig zwei.

das sjilt tsajkt auf baan-sjtajk tsvaj. Het bord wijst naar perron twee.
A

Ich kann die kleinen Buchstaben von hier aus nicht lesen.

ich kan dee klaj-nen boegh-sjtaa-bun fon hier aus nich-t lee-zen. Ik kan de kleine letters vanaf hier niet lezen.
B

Da steht, dass der Zug in zehn Minuten abfährt.

daa sjteet, das deer tsoek in tseen mee-noe-ten ap-feert. Er staat dat de trein over tien minuten vertrekt.
A

Ich gehe auf die Toilette, bevor wir einsteigen.

ich gee-uh auf dee toa-let-tuh, buh-foor vie-uh ajn-sjtaj-gen. Ik ga naar het toilet voordat we instappen.
B

Ich behalte die Taschen bei mir.

ich buh-hal-tuh dee tasj-n baj mier. Ik houd de tassen bij me.
A

Bleib bitte bei diesem Schild.

blajp bit-tuh baj dee-zum sjilt. Blijf alsjeblieft bij dit bord.
B

Ich beobachte die Anzeigetafel, falls sich der Bahnsteig ändert.

ich buh-oo-bach-tuh dee ant-saj-guh-taa-fuhl, fals zich deer baan-sjtajk en-durt. Ik houd het informatiebord in de gaten voor het geval het perron verandert.

Uitleg van de zinnen

  1. Zu welchem Bahnsteig sollen wir gehen?

    Naar welk perron moeten we gaan?

    Zu welchem
    naar welk(e)
    Bahnsteig
    perron
    sollen wir
    moeten we
    gehen
    gaan
    Uitgebreide uitleg

    Zu welchem betekent hier “naar welk(e)” en vraagt naar één bestemming uit meerdere mogelijkheden. zu staat in deze betekenis met de datief. welchem is de datiefvorm van het vragende woord welcher; omdat Bahnsteig mannelijk enkelvoud is, krijg je welchem. Vergelijk: zu welchem Zug? — “naar welke trein?”; bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord is de vorm anders, bijvoorbeeld zu welcher Tür? — “naar welke deur?” Bahnsteig betekent hier “perron”. Het zelfstandig naamwoord is mannelijk: der Bahnsteig. Het meervoud is die Bahnsteige; in het enkelvoud blijft de vorm na zu zichtbaar gelijk, omdat vooral het lidwoord of het begeleidende woord de datief markeert. Voorbeeld: Der Zug fährt von diesem Bahnsteig ab. — “De trein vertrekt vanaf dit perron.” sollen wir bevat de tegenwoordige vorm sollen van het modale werkwoord sollen, met het onderwerp wir (“we”). In deze vraag gaat het om wat we volgens de situatie of een afspraak moeten doen: “moeten we” of “zullen we geacht worden”. De vervoegde modale vorm staat op de tweede plaats in de vraagzin, terwijl het andere werkwoord naar het einde gaat. Sollen wir warten? betekent “Moeten we wachten?” Dat verschilt van müssen wir warten?, dat een sterkere noodzakelijkheid uitdrukt. gehen is de infinitief “gaan” of, afhankelijk van de situatie, “lopen”. Na sollen blijft het in de infinitief en staat het aan het einde: Sollen wir gehen? — “Moeten we gaan?” Samen vormt Zu welchem Bahnsteig sollen wir gehen? de vraag “Naar welk perron moeten we gaan?” De bestemming staat vooraan als vraaggedeelte; sollen wir vraagt welke handeling van ons verwacht wordt, en gehen benoemt die handeling. De zin is een gewone, neutrale vraag in een reissituatie.

  2. Das Schild zeigt auf Bahnsteig zwei.

    Het bord wijst naar perron twee.

    Schild
    bord
    zeigt auf
    wijst naar
    Bahnsteig
    perron
    zwei
    twee
    Uitgebreide uitleg

    Schild betekent hier een bord of teken dat informatie geeft. Het is een zelfstandig naamwoord; Duitse zelfstandige naamwoorden worden met een hoofdletter geschreven. Het meervoud is Schilder. Voorbeeld: Das Schild ist neu. — Het bord is nieuw. zeigt auf komt van zeigen auf. In deze zin is zeigt de derde persoon enkelvoud van zeigen: het bord is het onderwerp en wijst ergens naartoe. Na auf staat hier het doel waarnaar iets wijst: auf + Akkusativ. Voorbeeld: Der Pfeil zeigt auf den Ausgang. — De pijl wijst naar de uitgang. Dit gebruik verschilt van zeigen zonder auf, zoals in Sie zeigt den Weg. — Zij wijst de weg. Bahnsteig betekent perron. Het is een zelfstandig naamwoord; het meervoud is Bahnsteige. In Bahnsteig zwei is zwei de aanduiding van welk perron bedoeld is. Bij zulke perronaanduidingen staat er niet noodzakelijk een lidwoord: Wir warten auf Bahnsteig drei. — We wachten op perron drie. zwei betekent twee. Het is hier geen verbogen vorm: het getal blijft zwei, terwijl het bijbehorende zelfstandig naamwoord in deze aanduiding enkelvoudig is (Bahnsteig zwei). Andere voorbeelden zijn zwei Züge — twee treinen en zwei Minuten — twee minuten. Samen vormt de zin: Das Schild (het bord) + zeigt auf (wijst naar) + Bahnsteig zwei (perron twee). De volledige betekenis is: Het bord wijst naar perron twee.

  3. Ich kann die kleinen Buchstaben von hier aus nicht lesen.

    Ik kan de kleine letters vanaf hier niet lezen.

    Ich kann
    ik kan
    kleinen
    kleine
    Buchstaben
    letters
    von hier aus
    vanaf hier
    nicht
    niet
    lesen
    lezen
    Uitgebreide uitleg

    Ich kann bevat ich als onderwerp en kann, de tegenwoordige tijd van können in de eerste persoon enkelvoud. Können drukt hier vermogen uit: de spreker is in staat iets te doen. Bij een modaal werkwoord staat het andere werkwoord in de infinitief aan het einde: Ich kann das lesen. — Ik kan dat lezen. kleinen betekent hier “kleine” en hoort bij Buchstaben. De basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord is klein; in die kleinen Buchstaben staat het zelfstandig naamwoord in het accusatief meervoud als lijdend voorwerp. Na het bepaalde lidwoord die krijgt het bijvoeglijk naamwoord in dit meervoud de uitgang -en. Een vergelijkingsvorm is kleiner — kleiner — en de overtreffende trap is am kleinsten — het kleinst. Buchstaben is het meervoud van der Buchstabe en betekent “letters”; hier gaat het om de letters die de spreker niet kan lezen. Het is het directe object van lesen. Bijvoorbeeld: Ich sehe drei Buchstaben. — Ik zie drie letters. von hier aus is een vaste ruimtelijke uitdrukking met de betekenis “vanaf hier” of “vanuit deze plek”. Hier verwijst in deze zin naar de plek van waaruit de spreker handelt. Bijvoorbeeld: Von hier aus sieht man den Turm. — Vanaf hier zie je de toren. nicht maakt de handeling negatief. In deze zin wordt dus niet gezegd dat de spreker de letters kan lezen, maar dat die persoon ze niet kan lezen. Samen met kann en lesen vormt het de ontkenning van het kunnen lezen. lesen is de infinitief “lezen”. De vorm blijft hier onveranderd omdat hij na het modale werkwoord kann staat. In een gewone tegenwoordige-tijdzin krijgt het werkwoord wel een persoonsvorm: Ich lese die Buchstaben. — Ik lees de letters. Samen betekent Ich kann + die kleinen Buchstaben + von hier aus + nicht lesen: “Ik kan de kleine letters vanaf hier niet lezen.” De spreker beschrijft dus een onvermogen om de kleine letters te lezen vanuit de huidige plek; von hier aus geeft het gezichtspunt aan en nicht ontkent het kunnen lezen.

  4. Da steht, dass der Zug in zehn Minuten abfährt.

    Er staat dat de trein over tien minuten vertrekt.

    Da steht
    er staat
    dass
    dat
    Zug
    trein
    in zehn Minuten
    over tien minuten
    abfährt
    vertrekt
    Uitgebreide uitleg

    Da steht betekent hier «er staat» of «daar staat geschreven». steht is de derde persoon enkelvoud van stehen («staan»); in deze vaste formulering verwijst da naar de plaats of tekst waarin de informatie staat, niet noodzakelijk naar een concreet voorwerp. Voorbeeld: Im Fahrplan steht eine neue Zeit. — «In de dienstregeling staat een nieuwe tijd.» dass leidt een bijzin in met de inhoud van wat er staat. In een Duitse dass-bijzin staat de vervoegde werkwoordsvorm achteraan: dass der Zug abfährt. Voorbeeld: Ich weiß, dass der Zug abfährt. — «Ik weet dat de trein vertrekt.» Zug betekent hier «trein». Het is een zelfstandig naamwoord met mannelijk grammaticaal geslacht: der Zug; het meervoud is die Züge. Het lidwoord en eventuele bijvoeglijke naamwoorden moeten zich aan het geslacht, de naamval en het getal aanpassen. in zehn Minuten geeft een tijdstip in de toekomst aan: «over tien minuten». Dit is anders dan zehn Minuten lang, dat een duur van tien minuten beschrijft. Voorbeeld: Der Bus kommt in fünf Minuten. — «De bus komt over vijf minuten.» abfährt komt van het scheidbare werkwoord abfahren («vertrekken»). De vorm is de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd: er/sie/es fährt ab. In een hoofdzin worden fährt en ab gescheiden, maar in deze dass-bijzin blijven ze samen als abfährt. De tegenwoordige tijd kan hier een gepland toekomstig vertrek uitdrukken. Voorbeeld: Der Zug fährt um acht Uhr ab. — «De trein vertrekt om acht uur.» Samen betekent de zin: «Er staat dat de trein over tien minuten vertrekt.» De mededeling wordt eerst aangekondigd met Da steht, daarna als inhoud weergegeven met dass; binnen die bijzin staat de trein als onderwerp, de tijdsbepaling in zehn Minuten en ten slotte het werkwoord abfährt.

  5. Ich gehe auf die Toilette, bevor wir einsteigen.

    Ik ga naar het toilet voordat we instappen.

    gehe
    ga
    Toilette
    toilet
    bevor
    voordat
    einsteigen
    instappen
    Uitgebreide uitleg

    gehe is de vorm van gehen bij ich in de tegenwoordige tijd: ich gehe = “ik ga”. Het werkwoord beschrijft hier een beweging naar een plaats. Andere nuttige vormen zijn bijvoorbeeld du gehst en wir gehen; de uitgang verandert dus met de persoon. Toilette betekent hier “toilet”. In de vaste richtinguitdrukking auf die Toilette gehen staat die Toilette na auf in de accusatief: auf die Toilette = “naar het toilet”. Dit is een vaste gebruikswijze voor naar het toilet gaan, niet zomaar een algemene plaatsbepaling. Voorbeeld: Ich gehe auf die Toilette. — “Ik ga naar het toilet.” bevor betekent “voordat” en leidt een bijzin in. In zo’n Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord doorgaans aan het einde. Het is dus een bruikbaar patroon: bevor + onderwerp + ... + werkwoord. einsteigen betekent “instappen”, bijvoorbeeld in een trein. Het is een scheidbaar werkwoord: in een hoofdzin kan het voorvoegsel loskomen, zoals in Wir steigen ein. — “Wij stappen in.” Na bevor blijft de infinitief hier als één woord aan het einde staan: bevor wir einsteigen. Samen vormen de delen: Ich gehe auf die Toilette = “Ik ga naar het toilet” en bevor wir einsteigen = “voordat we instappen”. De hele zin betekent: “Ik ga naar het toilet voordat we instappen.”

  6. Ich behalte die Taschen bei mir.

    Ik houd de tassen bij me.

    behalte
    houd ... bij; bewaar
    Taschen
    tassen
    bei mir
    bij me
    Uitgebreide uitleg

    behalte betekent hier dat de spreker de tassen bij zich houdt. Het is de ik-vorm van behalten in de tegenwoordige tijd: ich behalte, du behältst, er/sie/es behält. Behalten kan ook betekenen dat je iets bewaart of niet weggeeft. Voorbeeld: Ich behalte den Schlüssel. — Ik houd de sleutel bij me / ik bewaar de sleutel. Taschen is het meervoud van die Tasche (tas). Het meervoud herken je hier ook aan die: die Tasche — de tas, die Taschen — de tassen. De vorm Taschen is in deze zin het lijdend voorwerp van behalte: wat houdt de spreker bij zich? bei mir betekent bij me of bij mij. Na het voorzetsel bei staat het persoonlijk voornaamwoord in de datief: mir is de datiefvorm van ich; vergelijk bei dir — bij jou. In deze zin geeft bei mir aan waar de tassen blijven: de spreker houdt ze bij zich. Samen vormen de delen Ich behalte die Taschen bei mir.: Ich — ik, behalte — houd bij/bewaar, die Taschen — de tassen, bei mir — bij me. De vaste vertaling is dus: Ik houd de tassen bij me.

  7. Bleib bitte bei diesem Schild.

    Blijf alsjeblieft bij dit bord.

    Bleib
    blijf
    bitte
    alsjeblieft
    diesem
    dit
    Schild
    bord
    Uitgebreide uitleg

    Bleib is de gebiedende wijs van bleiben (“blijven”) voor één aangesproken persoon. De vorm vraagt hier om een verzoek of opdracht: “Blijf …”. Vergelijk: bleiben = blijven, Bleib! = blijf! Voorbeeld: Bleib hier! — “Blijf hier!” bitte verzacht de opdracht en betekent hier “alsjeblieft”. Het verandert de gebiedende wijs niet; samen klinkt Bleib bitte … als een beleefd verzoek. diesem betekent hier “dit” en verwijst naar iets dat met Schild wordt aangeduid. De vorm is de datief enkelvoud van de aanwijzende vorm dies-; bij het onzijdige zelfstandig naamwoord das Schild verschijnt de vorm diesem. De datief wordt hier ook door bei vereist. Andere vormen zijn bijvoorbeeld dieses Schild (bij een andere naamval) en diesem Schild (na bei). Schild betekent hier “bord” of “teken”. Het is onzijdig: das Schild. Het meervoud is die Schilder. In deze zin staat het enkelvoud in de datief: bei diesem Schild. Samen vormt bei diesem Schild de plaatsbepaling “bij dit bord”. bei neemt in deze betekenis de datief, waardoor dieses verandert in diesem. De hele zin is daarom: Bleib bitte bei diesem Schild. — “Blijf alsjeblieft bij dit bord.”

  8. Ich beobachte die Anzeigetafel, falls sich der Bahnsteig ändert.

    Ik houd het informatiebord in de gaten voor het geval het perron verandert.

    Ich
    ik
    beobachte
    houd in de gaten
    die Anzeigetafel
    het informatiebord
    falls
    voor het geval dat
    sich … ändert
    verandert
    der Bahnsteig
    het perron
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik”: het is het persoonlijk voornaamwoord voor de eerste persoon enkelvoud. Het onderwerp is dus degene die waarneemt. Vergelijk: du = “jij” en wir = “wij”. beobachte komt van beobachten (“observeren, in de gaten houden”). In deze zin is beobachte de vorm voor ich in de tegenwoordige tijd: ich beobachte. Het werkwoord beschrijft bewust of aandachtig volgen, niet alleen toevallig iets zien. Voorbeeld: Ich beobachte den Verkehr. = “Ik houd het verkeer in de gaten.” die Anzeigetafel betekent “het informatiebord” of “het displaybord”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord; die is hier de vorm die bij dit zelfstandig naamwoord hoort. Het samengestelde woord verwijst naar een bord waarop informatie wordt getoond. In deze zin is het de zaak waarop de aandacht gericht wordt: Ich beobachte die Anzeigetafel. falls betekent “voor het geval dat” of “als”, met de gedachte dat de voorwaarde mogelijk is. Het leidt een bijzin in. In zo’n Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan. falls es regnet betekent bijvoorbeeld “voor het geval dat het regent”. sich ... ändert hoort bij het werkwoord sich ändern (“veranderen”). De twee delen staan hier uit elkaar omdat sich vroeg in de bijzin staat en het vervoegde werkwoord achteraan komt. ändert is de tegenwoordige tijd voor de derde persoon enkelvoud: er/sie/es ändert. Het onderwerp hier is der Bahnsteig, dus: “het perron verandert”. Het reflexieve sich maakt deel uit van deze werkwoordsvorm; het betekent hier niet dat iemand anders het perron verandert. der Bahnsteig betekent “het perron”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord; der is hier de vorm voor het onderwerp in de nominatief. Voorbeeld: Der Bahnsteig ist voll. = “Het perron is vol.” Samen bestaat de zin uit Ich beobachte die Anzeigetafel (“Ik houd het informatiebord in de gaten”) en de voorwaardelijke bijzin falls sich der Bahnsteig ändert (“voor het geval het perron verandert”). De volledige betekenis is: “Ik houd het informatiebord in de gaten voor het geval het perron verandert.”

Grammatica

bevor + bijzin met het werkwoord achteraan

Bevor der Zug abfährt, bleiben wir bei der Anzeigetafel.

buh-foor deer tsoek ap-feert, blaj-ben vie-uh baj deer ant-saj-guh-taa-fuhl.

Voordat de trein vertrekt, blijven we bij het informatiebord.

Na bevor staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin.

Trennbares Verb: abfahren → fährt ... ab

Der Zug fährt in zehn Minuten ab.

deer tsoek feert in tseen mee-noe-ten ap.

De trein vertrekt over tien minuten.

Bij een hoofdzin wordt het voorvoegsel ab van abfahren gescheiden en achteraan geplaatst.

Duits woordenschat

Bahnsteig zelfstandig naamwoord
baan-sjtajk perron

Zu welchem Bahnsteig sollen wir gehen?

Buchstabe zelfstandig naamwoord
boegh-sjtaa-buh letter Buchstaben

Ich kann die kleinen Buchstaben von hier aus nicht lesen.

gehen werkwoord
gee-un gaan

Zu welchem Bahnsteig sollen wir gehen?

klein bijvoeglijk naamwoord
klajn klein kleinen

Ich kann die kleinen Buchstaben von hier aus nicht lesen.

lesen werkwoord
lee-zen lezen

Ich kann die kleinen Buchstaben von hier aus nicht lesen.

Schild zelfstandig naamwoord
sjilt bord

Das Schild zeigt auf Bahnsteig zwei.

stehen werkwoord
sjtee-un vermeld staan steht

Da steht, dass der Zug in zehn Minuten abfährt.

von hier aus uitdrukking
fon hier aus vanaf hier

Ich kann die kleinen Buchstaben von hier aus nicht lesen.

welcher bepaler
vel-chuh welk welchem

Zu welchem Bahnsteig sollen wir gehen?

zeigen werkwoord
tsaj-gen wijzen zeigt

Das Schild zeigt auf Bahnsteig zwei.

Zug zelfstandig naamwoord
tsoek trein

Da steht, dass der Zug in zehn Minuten abfährt.

zwei telwoord
tsvaj twee

Das Schild zeigt auf Bahnsteig zwei.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Naar welk perron moeten we gaan?

Antwoord tonenZu welchem Bahnsteig sollen wir gehen?

Het bord wijst naar perron twee.

Antwoord tonenDas Schild zeigt auf Bahnsteig zwei.

Ik houd de tassen bij me.

Antwoord tonenIch behalte die Taschen bei mir.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

gaan

Antwoord tonengehen

klein

Antwoord tonenkleinen

bord

Antwoord tonenSchild

letter

Antwoord tonenBuchstaben