Een kwijtgeraakt notitieboek vinden en in een rugzak bewaren | Leer duits in het Nederlan…

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a daily life setting, two adults look for a missing notebook and decide where to keep it in a backpack..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Een kwijtgeraakt notitieboek vinden en in een rugzak bewaren oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Mein Notizbuch ist weg.

mijn no-TIETS-boegh ist vek. Mijn notitieboek is weg.
B

Es liegt vielleicht auf dem Tisch.

es liekt fie-lajcht auf deem tish. Het ligt misschien op de tafel.
A

Ich habe dort schon nachgesehen.

ich HAA-buh dort sjoon NAA-ch-geh-ZEE-un. Ik heb daar al gekeken.
B

Schau unter deiner blauen Tasche nach.

sjau OEN-ter doj-ner blau-un TASjuh naa-ch. Kijk onder je blauwe tas.
A

Ich habe es unter der Tasche gefunden.

ich HAA-buh es OEN-ter deer TASjuh geh-FOEN-dun. Ik heb het onder de tas gevonden.
B

Steck es jetzt in deinen Rucksack.

sjtek es jetst in DAAI-nun ROEK-zak. Doe het nu in je rugzak.
A

Ich bewahre es im vorderen Fach auf.

ich buh-VAA-ruh es im FOR-duh-run fach auf. Ik bewaar het in het voorvak.
B

Benutze das Hauptfach, dann findest du es leicht.

buh-NOET-suh das HAUPT-fach, dan FEN-dust doe es laicht. Gebruik het hoofdvak, dan vind je het makkelijk.

Woord voor woord

Mein In Mein Notizbuch betekent Mein ‘mijn’ en het geeft aan dat het notitieboek van de spreker is. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord; je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je een eigen voorwerp zoekt.
Notizbuch Notizbuch betekent ‘notitieboek’ en is het voorwerp dat in deze dialoog kwijt is en later wordt teruggevonden. Het is het zelfstandig naamwoord in Mein Notizbuch; je gebruikt het wanneer je over een notitieboek spreekt.
ist ist betekent hier ‘is’ en verbindt Notizbuch met de toestand weg in Mein Notizbuch ist weg. Je gebruikt het om over de toestand of situatie van iets te zeggen, bijvoorbeeld wanneer een voorwerp niet op zijn plaats is.
weg weg betekent hier ‘weg’ of ‘kwijt’: het Notizbuch is niet op de verwachte plaats. In Mein Notizbuch ist weg beschrijft het de toestand van het notitieboek; je gebruikt het wanneer iets niet meer aanwezig of vindbaar is.
Es Es verwijst hier als ‘het’ naar het notitieboek: Es liegt vielleicht auf dem Tisch. Het staat aan het begin van de zin als onderwerp en wordt gebruikt wanneer al duidelijk is welk voorwerp bedoeld wordt.
liegt liegt betekent hier ‘ligt’ en beschrijft de plaats van het notitieboek in Es liegt vielleicht auf dem Tisch. Het hoort bij een voorwerp dat ergens ligt; je gebruikt deze vorm bijvoorbeeld om een mogelijke vindplaats aan te wijzen.
vielleicht vielleicht betekent ‘misschien’ en maakt van Es liegt vielleicht auf dem Tisch een mogelijkheid, geen zekerheid. Je gebruikt het wanneer je een voorzichtige suggestie over een plaats of situatie doet.
auf auf betekent hier ‘op’ in de plaatsaanduiding auf dem Tisch: op de tafel. Het hoort bij de locatie van iets dat op een oppervlak ligt; je gebruikt auf zo wanneer je de plaats op een tafel of ander oppervlak noemt.
dem dem is hier het Duitse lidwoord bij Tisch in auf dem Tisch en betekent binnen die woordgroep ‘de’ of ‘het’. Samen met auf dem Tisch geeft het aan waar iets ligt; je gebruikt de hele combinatie om een plaats op de tafel aan te duiden.
Tisch Tisch betekent ‘tafel’ en is in de dialoog de mogelijke plaats waarop het notitieboek ligt. In auf dem Tisch benoemt het het oppervlak; je gebruikt het wanneer je naar een tafel verwijst.
Ich Ich betekent ‘ik’ en verwijst naar de spreker in Ich habe dort schon nachgesehen. Het staat als onderwerp bij handelingen die de spreker zelf uitvoert; je gebruikt het wanneer je over jezelf vertelt.
habe habe betekent hier ‘heb’ in Ich habe dort schon nachgesehen. Samen met nachgesehen zegt het dat de spreker daar al heeft gekeken; je gebruikt het om een eigen uitgevoerde handeling te beschrijven.
dort dort betekent ‘daar’ en verwijst naar de eerder genoemde plaats, de tafel. Het geeft de plaats aan in Ich habe dort schon nachgesehen; je gebruikt het wanneer de gesprekspartner al weet over welke plek je spreekt.
schon schon betekent hier ‘al’ en maakt duidelijk dat de spreker daar eerder heeft gekeken. In Ich habe dort schon nachgesehen staat het bij de mededeling over die eerdere controle; je gebruikt het om aan te geven dat iets reeds is gebeurd.
nachgesehen nachgesehen betekent hier ‘nagekeken’ in Ich habe dort schon nachgesehen. Het komt van nachsehen en geeft aan dat de spreker een plek heeft gecontroleerd; je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je meldt dat je ergens al hebt gezocht of gekeken.
Schau Schau betekent hier ‘kijk’ en is een aansporing om onder de tas te kijken. Het staat aan het begin van Schau unter deiner blauen Tasche nach; je gebruikt deze vorm wanneer je iemand direct vraagt iets te bekijken of te controleren.
unter unter betekent hier ‘onder’ in Schau unter deiner blauen Tasche nach. Het geeft de plaats aan waar gezocht moet worden en staat vóór deiner blauen Tasche; je gebruikt het wanneer iets zich onder een voorwerp bevindt of daar gezocht wordt.
deiner deiner betekent hier ‘jouw’ of ‘je’ bij Tasche in deiner blauen Tasche. Het maakt duidelijk dat de tas van de aangesprokene is; je gebruikt zo’n bezitsvorm vóór een voorwerp van de ander.
blauen blauen betekent ‘blauwe’ en beschrijft Tasche in deiner blauen Tasche. Het geeft de kleur van de tas aan; je gebruikt het wanneer je een specifieke tas aan de hand van haar kleur aanwijst.
Tasche Tasche betekent ‘tas’ en verwijst hier naar de tas waaronder het notitieboek ligt. In deiner blauen Tasche is het het benoemde voorwerp na de bezits- en kleurinformatie; je gebruikt het wanneer je naar een tas verwijst.
nach nach is hier het afgescheiden deel van nachschauen in Schau unter deiner blauen Tasche nach. De volledige zin vraagt de ander om onder de tas te kijken of te controleren; nach draagt hier niet zelfstandig de betekenis ‘na’. Je gebruikt deze combinatie wanneer je iemand vraagt ergens naar te kijken.
gefunden gefunden betekent ‘gevonden’ in Ich habe es unter der Tasche gefunden. Het komt van finden en geeft hier aan dat de spreker het notitieboek heeft aangetroffen; je gebruikt het bijvoorbeeld om te vertellen waar je iets hebt gevonden.
der der betekent hier ‘de’ in der Tasche en hoort bij Tasche. Samen met unter der Tasche benoemt het de tas als de plaats waaronder het notitieboek is gevonden; je gebruikt deze woordgroep wanneer je iets onder de tas lokaliseert.
Steck Steck betekent hier ‘stop’ of ‘doe’ en is de directe opdracht om het notitieboek in de rugzak te plaatsen. In Steck es jetzt in deinen Rucksack staat het vóór es; je gebruikt deze vorm wanneer je iemand vraagt een voorwerp ergens in te doen.
jetzt jetzt betekent ‘nu’ en geeft aan dat de handeling meteen moet gebeuren. In Steck es jetzt in deinen Rucksack staat het bij de opdracht; je gebruikt het wanneer je het moment van handelen wilt benadrukken.
in in betekent hier ‘in’ en geeft de richting naar de binnenkant van de rugzak aan in Steck es jetzt in deinen Rucksack. Het staat vóór deinen Rucksack; je gebruikt het wanneer je een voorwerp ergens in wilt doen.
deinen deinen betekent hier ‘jouw’ of ‘je’ bij Rucksack in deinen Rucksack. Het maakt duidelijk dat de rugzak van de aangesprokene is; je gebruikt zo’n bezitsvorm vóór een voorwerp van de ander.
Rucksack Rucksack betekent ‘rugzak’ en is de plaats waarin het notitieboek moet worden gestopt. In deinen Rucksack staat het na de bezitsinformatie en na in; je gebruikt het wanneer je naar een rugzak verwijst.
bewahre bewahre betekent hier ‘bewaar’ in de zin waarin de spreker zegt waar die het notitieboek wil bewaren. Het werkwoord staat in Ich bewahre es im vorderen Fach auf samen met het afgescheiden auf; je gebruikt deze constructie om te zeggen dat je iets op een bepaalde plek houdt.
im im betekent hier ‘in het’ in im vorderen Fach. Het is de samengevoegde vorm van in dem en geeft samen met Fach de plek aan waar het notitieboek wordt bewaard; je gebruikt im vóór een plaats of ruimte wanneer ‘in het’ bedoeld is.
vorderen vorderen betekent ‘voorste’ en beschrijft Fach in im vorderen Fach. Het geeft aan welk vak bedoeld is, namelijk het vak aan de voorkant; je gebruikt het wanneer je een voorste deel of vak van iets aanwijst.
Fach Fach betekent hier ‘vak’ en verwijst naar een opbergdeel in de rugzak. In im vorderen Fach is het het onderdeel waarin het notitieboek wordt bewaard; je gebruikt het bijvoorbeeld voor een afzonderlijk opbergvak.
Benutze Benutze betekent hier ‘gebruik’ in de opdracht Benutze das Hauptfach. Het vraagt de ander het hoofdvak te gebruiken; je gebruikt deze vorm wanneer je iemand direct adviseert of opdraagt een bepaalde plek of een bepaald middel te gebruiken.
das das betekent hier ‘het’ bij Hauptfach in das Hauptfach. Samen met das Hauptfach duidt het het specifieke hoofdvak aan dat gebruikt moet worden; je gebruikt zo’n lidwoordgroep wanneer het bedoelde vak duidelijk is.
Hauptfach Hauptfach betekent ‘hoofdvak’ en verwijst naar het belangrijkste opbergvak van de rugzak. In Benutze das Hauptfach is het de plek die de spreker aanbeveelt; je gebruikt het wanneer je naar zo’n hoofdopbergvak verwijst.
dann dann betekent hier ‘dan’ en verbindt het gebruik van het hoofdvak met het gevolg dat je het voorwerp makkelijk vindt. In Benutze das Hauptfach, dann findest du es leicht volgt het op de eerste instructie; je gebruikt het om een gevolg of volgende stap aan te kondigen.
findest findest betekent hier ‘vindt’ in dann findest du es leicht. Het hoort bij de handeling waarbij de aangesprokene het notitieboek gemakkelijk kan vinden; je gebruikt het wanneer je zegt dat iemand iets kan vinden.
du du betekent ‘je’ en verwijst naar de persoon tegen wie B spreekt in dann findest du es leicht. Het staat als degene die het voorwerp gemakkelijk kan vinden; je gebruikt du in een directe, persoonlijke aanspreking.
leicht leicht betekent hier ‘gemakkelijk’ en beschrijft hoe eenvoudig het is om het notitieboek terug te vinden in dann findest du es leicht. Je gebruikt het wanneer iets zonder veel moeite lukt.

Grammatica

aufbewahren: bewahre ... auf

Ich bewahre das Notizbuch im Rucksack auf.

ich buh-VAA-ruh das no-TIETS-boegh im ROEK-zak auf.

Ik bewaar het notitieboek in de rugzak.

Bij een scheidbaar werkwoord staat auf aan het einde van de zin.

im + vorderen Fach

Das Notizbuch liegt im vorderen Fach.

das no-TIETS-boegh liekt im FOR-duh-run fach.

Het notitieboek ligt in het voorste vak.

Na im krijgt het bijvoeglijk naamwoord hier de uitgang -en: im vorderen Fach.

Duits woordenschat

blau bijvoeglijk naamwoord
blau blauw blauen

Schau unter deiner blauen Tasche nach.

finden werkwoord
FIN-dun vinden gefunden

Ich habe es unter der Tasche gefunden.

liegen werkwoord
LIEG-un liggen liegt

Es liegt vielleicht auf dem Tisch.

nachsehen werkwoord
NAA-ch-ZEE-un nakijken nachgesehen

Ich habe dort schon nachgesehen.

Notizbuch zelfstandig naamwoord
no-TIETS-boegh notitieboek

Mein Notizbuch ist weg.

schauen werkwoord
SJAU-un kijken Schau

Schau unter deiner blauen Tasche nach.

stecken werkwoord
SJTEK-un doen, steken Steck

Steck es jetzt in deinen Rucksack.

Tasche zelfstandig naamwoord
TASjuh tas

Schau unter deiner blauen Tasche nach.

Tisch zelfstandig naamwoord
tish tafel

Es liegt vielleicht auf dem Tisch.

unter voorzetsel
OEN-ter onder

Schau unter deiner blauen Tasche nach.

vielleicht bijwoord
fie-lajcht misschien

Es liegt vielleicht auf dem Tisch.

weg bijwoord
vek weg

Mein Notizbuch ist weg.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Mijn notitieboek is weg.

Antwoord tonenMein Notizbuch ist weg.

Het ligt misschien op de tafel.

Antwoord tonenEs liegt vielleicht auf dem Tisch.

Ik heb daar al gekeken.

Antwoord tonenIch habe dort schon nachgesehen.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

nakijken

Antwoord tonennachgesehen

misschien

Antwoord tonenvielleicht

kijken

Antwoord tonenSchau

onder

Antwoord tonenunter