Mein
In Mein Notizbuch betekent Mein ‘mijn’ en het geeft aan dat het notitieboek van de spreker is. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord; je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je een eigen voorwerp zoekt.
Notizbuch
Notizbuch betekent ‘notitieboek’ en is het voorwerp dat in deze dialoog kwijt is en later wordt teruggevonden. Het is het zelfstandig naamwoord in Mein Notizbuch; je gebruikt het wanneer je over een notitieboek spreekt.
ist
ist betekent hier ‘is’ en verbindt Notizbuch met de toestand weg in Mein Notizbuch ist weg. Je gebruikt het om over de toestand of situatie van iets te zeggen, bijvoorbeeld wanneer een voorwerp niet op zijn plaats is.
weg
weg betekent hier ‘weg’ of ‘kwijt’: het Notizbuch is niet op de verwachte plaats. In Mein Notizbuch ist weg beschrijft het de toestand van het notitieboek; je gebruikt het wanneer iets niet meer aanwezig of vindbaar is.
Es
Es verwijst hier als ‘het’ naar het notitieboek: Es liegt vielleicht auf dem Tisch. Het staat aan het begin van de zin als onderwerp en wordt gebruikt wanneer al duidelijk is welk voorwerp bedoeld wordt.
liegt
liegt betekent hier ‘ligt’ en beschrijft de plaats van het notitieboek in Es liegt vielleicht auf dem Tisch. Het hoort bij een voorwerp dat ergens ligt; je gebruikt deze vorm bijvoorbeeld om een mogelijke vindplaats aan te wijzen.
vielleicht
vielleicht betekent ‘misschien’ en maakt van Es liegt vielleicht auf dem Tisch een mogelijkheid, geen zekerheid. Je gebruikt het wanneer je een voorzichtige suggestie over een plaats of situatie doet.
auf
auf betekent hier ‘op’ in de plaatsaanduiding auf dem Tisch: op de tafel. Het hoort bij de locatie van iets dat op een oppervlak ligt; je gebruikt auf zo wanneer je de plaats op een tafel of ander oppervlak noemt.
dem
dem is hier het Duitse lidwoord bij Tisch in auf dem Tisch en betekent binnen die woordgroep ‘de’ of ‘het’. Samen met auf dem Tisch geeft het aan waar iets ligt; je gebruikt de hele combinatie om een plaats op de tafel aan te duiden.
Tisch
Tisch betekent ‘tafel’ en is in de dialoog de mogelijke plaats waarop het notitieboek ligt. In auf dem Tisch benoemt het het oppervlak; je gebruikt het wanneer je naar een tafel verwijst.
Ich
Ich betekent ‘ik’ en verwijst naar de spreker in Ich habe dort schon nachgesehen. Het staat als onderwerp bij handelingen die de spreker zelf uitvoert; je gebruikt het wanneer je over jezelf vertelt.
habe
habe betekent hier ‘heb’ in Ich habe dort schon nachgesehen. Samen met nachgesehen zegt het dat de spreker daar al heeft gekeken; je gebruikt het om een eigen uitgevoerde handeling te beschrijven.
dort
dort betekent ‘daar’ en verwijst naar de eerder genoemde plaats, de tafel. Het geeft de plaats aan in Ich habe dort schon nachgesehen; je gebruikt het wanneer de gesprekspartner al weet over welke plek je spreekt.
schon
schon betekent hier ‘al’ en maakt duidelijk dat de spreker daar eerder heeft gekeken. In Ich habe dort schon nachgesehen staat het bij de mededeling over die eerdere controle; je gebruikt het om aan te geven dat iets reeds is gebeurd.
nachgesehen
nachgesehen betekent hier ‘nagekeken’ in Ich habe dort schon nachgesehen. Het komt van nachsehen en geeft aan dat de spreker een plek heeft gecontroleerd; je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je meldt dat je ergens al hebt gezocht of gekeken.
Schau
Schau betekent hier ‘kijk’ en is een aansporing om onder de tas te kijken. Het staat aan het begin van Schau unter deiner blauen Tasche nach; je gebruikt deze vorm wanneer je iemand direct vraagt iets te bekijken of te controleren.
unter
unter betekent hier ‘onder’ in Schau unter deiner blauen Tasche nach. Het geeft de plaats aan waar gezocht moet worden en staat vóór deiner blauen Tasche; je gebruikt het wanneer iets zich onder een voorwerp bevindt of daar gezocht wordt.
deiner
deiner betekent hier ‘jouw’ of ‘je’ bij Tasche in deiner blauen Tasche. Het maakt duidelijk dat de tas van de aangesprokene is; je gebruikt zo’n bezitsvorm vóór een voorwerp van de ander.
blauen
blauen betekent ‘blauwe’ en beschrijft Tasche in deiner blauen Tasche. Het geeft de kleur van de tas aan; je gebruikt het wanneer je een specifieke tas aan de hand van haar kleur aanwijst.
Tasche
Tasche betekent ‘tas’ en verwijst hier naar de tas waaronder het notitieboek ligt. In deiner blauen Tasche is het het benoemde voorwerp na de bezits- en kleurinformatie; je gebruikt het wanneer je naar een tas verwijst.
nach
nach is hier het afgescheiden deel van nachschauen in Schau unter deiner blauen Tasche nach. De volledige zin vraagt de ander om onder de tas te kijken of te controleren; nach draagt hier niet zelfstandig de betekenis ‘na’. Je gebruikt deze combinatie wanneer je iemand vraagt ergens naar te kijken.
gefunden
gefunden betekent ‘gevonden’ in Ich habe es unter der Tasche gefunden. Het komt van finden en geeft hier aan dat de spreker het notitieboek heeft aangetroffen; je gebruikt het bijvoorbeeld om te vertellen waar je iets hebt gevonden.
der
der betekent hier ‘de’ in der Tasche en hoort bij Tasche. Samen met unter der Tasche benoemt het de tas als de plaats waaronder het notitieboek is gevonden; je gebruikt deze woordgroep wanneer je iets onder de tas lokaliseert.
Steck
Steck betekent hier ‘stop’ of ‘doe’ en is de directe opdracht om het notitieboek in de rugzak te plaatsen. In Steck es jetzt in deinen Rucksack staat het vóór es; je gebruikt deze vorm wanneer je iemand vraagt een voorwerp ergens in te doen.
jetzt
jetzt betekent ‘nu’ en geeft aan dat de handeling meteen moet gebeuren. In Steck es jetzt in deinen Rucksack staat het bij de opdracht; je gebruikt het wanneer je het moment van handelen wilt benadrukken.
in
in betekent hier ‘in’ en geeft de richting naar de binnenkant van de rugzak aan in Steck es jetzt in deinen Rucksack. Het staat vóór deinen Rucksack; je gebruikt het wanneer je een voorwerp ergens in wilt doen.
deinen
deinen betekent hier ‘jouw’ of ‘je’ bij Rucksack in deinen Rucksack. Het maakt duidelijk dat de rugzak van de aangesprokene is; je gebruikt zo’n bezitsvorm vóór een voorwerp van de ander.
Rucksack
Rucksack betekent ‘rugzak’ en is de plaats waarin het notitieboek moet worden gestopt. In deinen Rucksack staat het na de bezitsinformatie en na in; je gebruikt het wanneer je naar een rugzak verwijst.
bewahre
bewahre betekent hier ‘bewaar’ in de zin waarin de spreker zegt waar die het notitieboek wil bewaren. Het werkwoord staat in Ich bewahre es im vorderen Fach auf samen met het afgescheiden auf; je gebruikt deze constructie om te zeggen dat je iets op een bepaalde plek houdt.
im
im betekent hier ‘in het’ in im vorderen Fach. Het is de samengevoegde vorm van in dem en geeft samen met Fach de plek aan waar het notitieboek wordt bewaard; je gebruikt im vóór een plaats of ruimte wanneer ‘in het’ bedoeld is.
vorderen
vorderen betekent ‘voorste’ en beschrijft Fach in im vorderen Fach. Het geeft aan welk vak bedoeld is, namelijk het vak aan de voorkant; je gebruikt het wanneer je een voorste deel of vak van iets aanwijst.
Fach
Fach betekent hier ‘vak’ en verwijst naar een opbergdeel in de rugzak. In im vorderen Fach is het het onderdeel waarin het notitieboek wordt bewaard; je gebruikt het bijvoorbeeld voor een afzonderlijk opbergvak.
Benutze
Benutze betekent hier ‘gebruik’ in de opdracht Benutze das Hauptfach. Het vraagt de ander het hoofdvak te gebruiken; je gebruikt deze vorm wanneer je iemand direct adviseert of opdraagt een bepaalde plek of een bepaald middel te gebruiken.
das
das betekent hier ‘het’ bij Hauptfach in das Hauptfach. Samen met das Hauptfach duidt het het specifieke hoofdvak aan dat gebruikt moet worden; je gebruikt zo’n lidwoordgroep wanneer het bedoelde vak duidelijk is.
Hauptfach
Hauptfach betekent ‘hoofdvak’ en verwijst naar het belangrijkste opbergvak van de rugzak. In Benutze das Hauptfach is het de plek die de spreker aanbeveelt; je gebruikt het wanneer je naar zo’n hoofdopbergvak verwijst.
dann
dann betekent hier ‘dan’ en verbindt het gebruik van het hoofdvak met het gevolg dat je het voorwerp makkelijk vindt. In Benutze das Hauptfach, dann findest du es leicht volgt het op de eerste instructie; je gebruikt het om een gevolg of volgende stap aan te kondigen.
findest
findest betekent hier ‘vindt’ in dann findest du es leicht. Het hoort bij de handeling waarbij de aangesprokene het notitieboek gemakkelijk kan vinden; je gebruikt het wanneer je zegt dat iemand iets kan vinden.
du
du betekent ‘je’ en verwijst naar de persoon tegen wie B spreekt in dann findest du es leicht. Het staat als degene die het voorwerp gemakkelijk kan vinden; je gebruikt du in een directe, persoonlijke aanspreking.
leicht
leicht betekent hier ‘gemakkelijk’ en beschrijft hoe eenvoudig het is om het notitieboek terug te vinden in dann findest du es leicht. Je gebruikt het wanneer iets zonder veel moeite lukt.