Elke dag 10 minuten gratis
Ga verder met audiolessen in de app
Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.
Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm
Kies je leertaal en open deze les in de app.
Over deze les
Met Tas controleren voor vertrek oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.
Dialoog
Können wir prüfen, ob meine Tasche fertig ist?
Keunnen wier pruufen, op maine tasje fertich ist? Kunnen we controleren of mijn tas klaar is?Leg die wichtigen Sachen zuerst auf den Tisch.
Leek dee vichtigen zachen tsoe-eerst auf deen tisj. Leg eerst de belangrijke dingen op tafel.Mein Handy ist in der Vordertasche.
Main hendi ist in deer forrtasje. Mijn telefoon zit in het voorvak.Wo hast du deine Schlüssel hingelegt?
Woo hast doe daine sjluusel hinge-leekt? Waar heb je je sleutels neergelegd?Sie liegen neben meinem Handy.
Zie lieggen neeven mainem hendi. Ze liggen naast mijn telefoon.Brauchst du auch deine Wasserflasche?
Brauxtst doe auch daine vasserflasje? Heb je ook je waterfles nodig?Ja, sie ist schon im Hauptfach.
Jaa, zie ist sjoon im hauptfach. Ja, die zit al in het hoofdvak.Dann hast du, was du brauchst.
Dan hast doe, vas doe brauxtst. Dan heb je wat je nodig hebt.Uitleg van de zinnen
Können wir prüfen, ob meine Tasche fertig ist?
Kunnen we controleren of mijn tas klaar is?
- Können wir
- kunnen we
- prüfen
- controleren; nagaan
- ob
- of
- meine
- mijn
- Tasche
- tas
- fertig
- klaar
- ist
- is
Uitgebreide uitleg
Können wir vormt hier een vraag naar een mogelijkheid: “kunnen wij…?” können is de vervoegde vorm van können bij wir; in een ja-neevraag staat het werkwoord vooraan. Bijvoorbeeld: Können wir morgen anfangen? — “Kunnen we morgen beginnen?” prüfen betekent hier iets controleren of nagaan. De vorm is de infinitief, die na het modale werkwoord können komt. prüfen kan zowel een voorwerp als een vraagzin inleiden: Wir prüfen den Plan. — “We controleren het plan.” ob leidt een indirecte ja-neevraag in. Het betekent hier “of” in de betekenis “of iets zo is”, niet een keuze tussen twee genoemde mogelijkheden. In de bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan: Wir prüfen, ob der Plan stimmt. — “We controleren of het plan klopt.” meine is de bezittelijke vorm van mein voor het zelfstandig naamwoord dat hier volgt. Het betekent “mijn”; de vorm houdt rekening met het grammaticale geslacht en de naamval van dat zelfstandig naamwoord. Vergelijk: mein Tisch — “mijn tafel” en meine Tasche — “mijn tas”. Tasche is een zelfstandig naamwoord en betekent “tas”. Het is vrouwelijk: die Tasche. Daarom verschijnt bij mein in deze vorm meine in de nominatief. Het meervoud is Taschen; het bezittelijke woord kan dan ook meine zijn: meine Taschen — “mijn tassen”. Het zelfstandig naamwoord krijgt dus de meervoudsuitgang, terwijl er in dit voorbeeld geen afzonderlijk lidwoord staat. fertig is een beschrijvend bijvoeglijk naamwoord met de betekenis “klaar” of “af”. Hier beschrijft het de toestand van de tas en staat het zonder verbuigingsuitgang na het werkwoord sein: Die Tasche ist fertig. — “De tas is klaar.” Als het bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord staat, kan de vorm anders worden: eine fertige Tasche — “een afgewerkte tas”. ist is de derde persoon enkelvoud van sein, “zijn”. Het onderwerp van dit werkwoord is hier meine Tasche, dat grammaticaal enkelvoud is. In de bijzin na ob staat ist aan het einde, zoals bij een Duitse bijzin met een onderschikkend voegwoord. Samen betekent Können wir prüfen “Kunnen we controleren”, gevolgd door de indirecte vraag ob meine Tasche fertig ist — “of mijn tas klaar is”. De volledige zin vraagt dus of het mogelijk is om na te gaan of de tas klaar is. De structuur is: Können wir + infinitief, ob + onderwerp + beschrijving + vervoegd werkwoord?
Leg die wichtigen Sachen zuerst auf den Tisch.
Leg eerst de belangrijke dingen op tafel.
- Leg
- leg neer
- wichtigen
- belangrijke
- Sachen
- dingen
- zuerst
- eerst
- Tisch
- tafel
Uitgebreide uitleg
Leg is de gebiedende wijs van legen (iets neerleggen): legen – leg. De vorm Leg spreekt één persoon informeel aan; het onderwerp du staat in een bevel meestal niet apart. Legen beschrijft het neerleggen van iets, terwijl liegen de toestand beschrijft: Das Buch liegt auf dem Tisch = “Het boek ligt op tafel.” Voorbeeld: Leg das Buch hierhin. = “Leg het boek hier neer.” wichtigen komt van het bijvoeglijk naamwoord wichtig (“belangrijk”). Hier staat het vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord Sachen en na het bepaalde lidwoord die; daarom krijgt het de uitgang -en: die wichtigen Sachen. Voorbeeld: Das sind wichtige Sachen. = “Dat zijn belangrijke dingen.” Sachen is het meervoud van Sache (“zaak, ding”). In deze zin verwijst het algemeen naar dingen, zonder dat de soort dingen nader wordt genoemd. Voorbeeld: Ich packe meine Sachen. = “Ik pak mijn spullen.” zuerst betekent “eerst” of “als eerste” en geeft de volgorde aan. Het verandert niet mee met persoon of getal. Voorbeeld: Lies zuerst die Frage. = “Lees eerst de vraag.” Tisch betekent “tafel”; der Tisch is mannelijk. In auf den Tisch staat Tisch na auf in de accusatief, omdat het bevel een beweging naar een plaats uitdrukt: der Tisch wordt den Tisch. Bij een plaats zonder beweging staat vaak de datief: Das Buch liegt auf dem Tisch. = “Het boek ligt op tafel.” De delen komen samen als Leg + die wichtigen Sachen + zuerst + auf den Tisch: “Leg de belangrijke dingen eerst op tafel.” die markeert hier het bepaalde meervoud, auf den Tisch geeft de bestemming van het neerleggen aan, en zuerst bepaalt dat deze handeling vóór andere handelingen gebeurt. Het is een directe, informele opdracht aan één persoon.
Mein Handy ist in der Vordertasche.
Mijn telefoon zit in het voorvak.
- Mein
- mijn
- Handy
- mobiele telefoon
- ist
- zit / bevindt zich
- in der
- in de
- Vordertasche
- voorvak
Uitgebreide uitleg
Mein betekent hier dat de telefoon aan de spreker toebehoort: “mijn”. Het is een bezittelijk woord bij het zelfstandig naamwoord Handy. De vorm mein hoort bij een onzijdig zelfstandig naamwoord in het enkelvoud, zoals das Handy; bij andere grammaticale combinaties kan de vorm veranderen, bijvoorbeeld meine Tasche. Handy is in het Duits het gewone woord voor een mobiele telefoon. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Handy. Het meervoud is Handys. ist is de vorm van sein (“zijn”) voor de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd. In deze zin beschrijft het de plaats waar de telefoon zich bevindt; daarom past de Nederlandse vertaling “zit”. Een herbruikbaar voorbeeld is: Das Buch ist auf dem Tisch. — “Het boek ligt op tafel.” in der geeft hier een plaats aan: “in de”. Het voorzetsel in staat bij een vaste locatie met de datief. der is hier de datiefvorm van het vrouwelijke bepaalde lidwoord bij Tasche: die Tasche → in der Tasche. Bij een beweging naar binnen zou Duits vaak de accusatief gebruiken, bijvoorbeeld Ich lege das Buch in die Tasche. — “Ik leg het boek in de tas.” Vordertasche betekent “voorvak”. Het is een samenstelling van vorder- (“voorste”) en Tasche (“tas/vak”); het hoofdwoord Tasche bepaalt dat het woord vrouwelijk is: die Vordertasche. In in der Vordertasche staat het in de datief enkelvoud, omdat het om een vaste plaats gaat. Een vergelijkbaar voorbeeld is: Der Schlüssel ist in der Seitentasche. — “De sleutel zit in het zijvak.” Samen vormen de delen: Mein Handy (“mijn mobiele telefoon”) + ist (“bevindt zich”) + in der Vordertasche (“in het voorvak”). De volledige betekenis is dus: “Mijn telefoon zit in het voorvak.”
Wo hast du deine Schlüssel hingelegt?
Waar heb je je sleutels neergelegd?
- Wo
- waar
- hast du
- heb je
- deine
- je/jouw
- Schlüssel
- sleutels
- hingelegt
- neergelegd
Uitgebreide uitleg
Wo vraagt naar een plaats: “waar”. Het is een vraagwoord voor locatie. Vergelijk wo “waar” met wohin “waarheen/naar welke plaats”; wo vraagt naar de locatie, terwijl wohin naar een bewegingsrichting vraagt. hast du bestaat uit de tweede persoon enkelvoud van haben (hast) en het voornaamwoord du “je/jij”. Samen vormen ze hier het begin van de vraag in de voltooide tijd. In een Duitse vraag staat de persoonsvorm voor het onderwerp: Hast du ...? Voorbeeld: Hast du die Nachricht gelesen? — “Heb je het bericht gelezen?” deine betekent hier “je/jouw” en hoort bij Schlüssel. In deze zin is het de vorm van het bezittelijke woord bij een meervoudig lijdend voorwerp: de accusatief meervoud van dein- is deine. De vorm deine bewijst op zichzelf echter niet dat het meervoud is; dezelfde vorm kan bijvoorbeeld ook bij een vrouwelijk enkelvoud staan. Hier blijkt het meervoud uit de bedoelde vertaling “je sleutels” en uit de context. Voorbeeld: Ich nehme deine Bücher. — “Ik pak je boeken.” Schlüssel betekent hier “sleutels”. Dit zelfstandig naamwoord heeft in het Duits dezelfde zichtbare vorm voor enkelvoud en meervoud: der Schlüssel — “de sleutel”, die Schlüssel — “de sleutels”. In deze zin maken de vertaling en de context duidelijk dat het om meervoud gaat; de vorm van Schlüssel alleen maakt dat niet duidelijk. Voorbeeld: Die Schlüssel sind auf dem Tisch. — “De sleutels liggen op tafel.” hingelegt is het voltooid deelwoord van hinlegen, “neerleggen”. Het beschrijft hier het neerleggen van de sleutels op een plaats. hin- geeft aan dat iets naar een daar aangeduide plaats wordt gebracht; legen betekent “leggen”. In de voltooide tijd combineert Duits dit deelwoord met haben, zoals in Du hast das Buch hingelegt. — “Je hebt het boek neergelegd.” Samen betekent Wo hast du deine Schlüssel hingelegt?: “Waar heb je je sleutels neergelegd?” Wo vraagt naar de plaats, hast du vormt de vraag in de voltooide tijd, deine Schlüssel is wat is neergelegd, en hingelegt benoemt die voltooide neerlegactie. De volgende context zegt dat ze naast de telefoon liggen.
Sie liegen neben meinem Handy.
Ze liggen naast mijn telefoon.
- Sie
- ze
- liegen
- liggen
- neben
- naast
- meinem
- mijn
- Handy
- mobiele telefoon
Uitgebreide uitleg
Sie betekent hier ze en verwijst volgens de vaste vertaling naar meerdere personen of dingen. De vorm Sie kan in andere contexten ook een formeel u betekenen; de bedoeling wordt dus door de zin en context bepaald. Als persoonlijk voornaamwoord staat deze vorm hier als onderwerp bij de meervoudsvorm van het werkwoord. liegen betekent hier dat iets of iemand zich liggend op een plaats bevindt. Het is de infinitief en ook de tegenwoordige-meervoudsvorm: ich liege, du liegst, sie liegen. Voor een verandering van plaats gebruikt het Duits vaak een ander werkwoord, bijvoorbeeld legen voor iets ergens neerleggen: Sie liegen ... beschrijft de toestand, niet het neerleggen zelf. Voorbeeld: Die Bücher liegen auf dem Tisch. — De boeken liggen op de tafel. neben betekent naast. Bij een vaste plaats staat na neben de datief; bij een beweging naar een plaats kan de accusatief volgen. Hier beschrijft neben een locatie: iets bevindt zich naast iets anders. Voorbeeld: Die Tasche liegt neben dem Stuhl. — De tas ligt naast de stoel. meinem betekent hier mijn en hoort bij Handy. Het is de datiefvorm van het bezittelijk woord mein bij een onzijdig zelfstandig naamwoord in het enkelvoud: mein Handy (onderwerp of lijdend voorwerp), meinem Handy (na het plaatsaanduidende neben). De datief wordt hier dus niet door meinem als zelfstandig bezit uitgedrukt, maar door de combinatie van neben met de locatiebetekenis. Handy is het Duitse zelfstandig naamwoord voor een mobiele telefoon. Het is onzijdig: das Handy; daarom staat het bezittelijk woord hier als meinem in de datief. Het meervoud is Handys. Voorbeeld: Mein Handy liegt auf dem Tisch. — Mijn mobiele telefoon ligt op de tafel. Samen vormen de delen Sie liegen + neben + meinem Handy de betekenis: Ze liggen naast mijn mobiele telefoon. De zin beschrijft de plaats waar ze zich bevinden; neben meinem Handy is de plaatsbepaling en meinem Handy staat in de datief na neben.
Brauchst du auch deine Wasserflasche?
Heb je ook je waterfles nodig?
- Brauchst
- nodig hebben
- du
- je/jij
- auch
- ook
- deine
- je/jouw
- Wasserflasche
- waterfles
Uitgebreide uitleg
Brauchst is the present-tense form of brauchen for du (second-person singular). Here it means “nodig hebben”. In a yes/no question, the conjugated verb comes first: Brauchst du ...? means “Heb je ... nodig?” Example: Brauchst du Hilfe? — “Heb je hulp nodig?” du is the informal singular subject pronoun “je/jij”. It is the person who needs something. With du, brauchen takes the form brauchst; with ich it is brauche, and with wir it is brauchen. auch means “ook”. It adds this item to something already under discussion; it does not mean “nodig” by itself. Its exact scope is understood from the complete question. deine is the possessive determiner meaning “je/jouw” here. It comes from dein and agrees with the noun it determines: deine Wasserflasche. The ending -e is used here because Wasserflasche is feminine singular; the noun is also the direct object of brauchen. This form does not itself state a numeric count. Example: Ist das deine Tasche? — “Is dat jouw tas?” Wasserflasche means “waterfles”. It is a feminine German compound made from Wasser (“water”) and Flasche (“fles”); its plural is Wasserflaschen. Example: Meine Wasserflasche ist leer. — “Mijn waterfles is leeg.” Together, Brauchst du forms the reusable yes/no-question pattern “Heb je ... nodig?”. auch adds the meaning “ook”, while deine Wasserflasche names the object: “je waterfles”. The complete utterance therefore means: “Heb je ook je waterfles nodig?”
Ja, sie ist schon im Hauptfach.
Ja, die zit al in het hoofdvak.
- Ja
- ja
- sie
- zij; hier de waterfles
- ist
- is
- schon
- al
- im
- in het
- Hauptfach
- hoofdvak
Uitgebreide uitleg
Ja bevestigt wat eraan voorafgaat: ja, de waterfles zit daar al. sie betekent hier zij en verwijst volgens de vertaling en de voorafgaande vraag naar de waterfles. Deze vorm is een persoonlijk voornaamwoord voor een vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord; het is dus niet zelf het woord voor “waterfles”. ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”): ich bin, du bist, sie ist. In deze zin beschrijft ist samen met de plaatsbepaling waar de waterfles zich bevindt. Duits gebruikt hier letterlijk “is”, terwijl Nederlands in deze betekenis natuurlijk “zit” gebruikt. schon betekent hier al of reeds. Het geeft aan dat de genoemde toestand op dit moment al geldt. im is de vaste samentrekking van in dem: in + het bepaalde lidwoord dem. Bij een plaats zonder bewegingsrichting staat in hier met de datief. im kan dus niet op zichzelf als een zelfstandig woord voor “in het” worden uitgebreid naar elke context; de vorm hangt samen met dem. Hauptfach betekent hoofdvak. Het zelfstandige naamwoord is onzijdig: das Hauptfach; na in in deze plaatsbetekenis verschijnt het lidwoord als dem, waardoor in dem Hauptfach wordt verkort tot im Hauptfach. Het meervoud is die Hauptfächer. Samen vormen sie ist schon im Hauptfach en de bevestiging Ja de betekenis: “Ja, die zit al in het hoofdvak.” sie is het onderwerp, ist de werkwoordsvorm, schon geeft aan dat dit inmiddels het geval is, en im Hauptfach noemt de plaats. De volledige zin bevestigt dus dat de waterfles zich al in het hoofdvak bevindt.
Dann hast du, was du brauchst.
Dan heb je wat je nodig hebt.
- Dann
- dan
- hast du
- heb je
- was
- wat
- brauchst
- nodig hebt
Uitgebreide uitleg
Dann betekent hier “dan”: het markeert wat er vervolgens of onder die voorwaarde geldt. Voorbeeld: Dann gehen wir. — “Dan gaan we.” hast du bestaat uit de persoonsvorm hast van haben en het onderwerp du. haben betekent “hebben”; hast is de tegenwoordige tijd voor du. Na het vooropgeplaatste Dann staat de persoonsvorm vóór het onderwerp: Dann hast du .... Dat is de Duitse werkwoord-tweede-positie, niet een vraagvolgorde. Voorbeeld: Heute hast du Zeit. — “Vandaag heb je tijd.” was betekent hier “wat” en leidt de bijzin was du brauchst in. In deze zin is het geen vraagwoord, maar een betrekkelijk voornaamwoord met de betekenis “datgene wat” of kortweg “wat”. Het verwijst naar iets algemeens dat iemand nodig heeft, zonder dat dit zelfstandig wordt benoemd. Voorbeeld: Nimm, was du möchtest. — “Neem wat je wilt.” brauchst is de vorm van brauchen voor du in de tegenwoordige tijd: du brauchst. brauchen betekent “nodig hebben”. De vorm staat in de bijzin achteraan, zoals vaak bij een Duitse bijzin die door was wordt ingeleid. Voorbeeld: Du brauchst Ruhe. — “Je hebt rust nodig.” Samen vormt was du brauchst de woordgroep “wat je nodig hebt”. In Dann hast du, was du brauchst. staat die woordgroep als datgene wat je hebt: Dann + hast du + was du brauchst = “Dan heb je wat je nodig hebt.”
Grammatica
hinlegen → hingelegt
Du hast den Schlüssel hingelegt.
Doe hast deen sjluusel hinge-leekt.Je hebt de sleutel neergelegd.
Hinlegen is een scheidbaar werkwoord. In het voltooid deelwoord staat het voorvoegsel vast in hingelegt.
Duits woordenschat
Meine Tasche ist fertig.
Mein Handy ist in der Vordertasche.
Leg die wichtigen Sachen zuerst auf den Tisch.
Können wir prüfen, ob meine Tasche fertig ist?
die wichtigen Sachen
deine Schlüssel
Meine Tasche ist fertig.
auf den Tisch
in der Vordertasche
die wichtigen Sachen
Wo hast du deine Schlüssel hingelegt?
Leg die wichtigen Sachen zuerst auf den Tisch.
Quiz
Woordvolgorde
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Mijn telefoon zit in het voorvak.
Antwoord tonen
Mein Handy ist in der Vordertasche.Waar heb je je sleutels neergelegd?
Antwoord tonen
Wo hast du deine Schlüssel hingelegt?Ze liggen naast mijn telefoon.
Antwoord tonen
Sie liegen neben meinem Handy.Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
klaar
Antwoord tonen
fertigtas
Antwoord tonen
Tascheding
Antwoord tonen
Sachentafel