Een tas controleren | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a daily life setting, two adults check a bag together and find a small notebook under a jacket..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Een tas controleren oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Kannst du mir helfen, meine Tasche zu überprüfen?

kanst doe mier hel-fuhn, mai-nuh tasje tsoe uu-buh-pruu-fuhn? Kun je me helpen mijn tas te controleren?
B

Ich kann sie mit dir zusammen durchsehen.

iesj kan zie mit dier tsoe-zam-uhn doerch-zee-uhn. Ik kan er samen met je doorheen kijken.
A

Siehst du, ob etwas fehlt?

ziest doe, op et-vas voelt? Zie je iets dat ontbreekt?
B

Dein Portemonnaie und dein Handy sind beide hier.

dain port-mo-nee oent dain hen-die zint bai-duh hier. Je portemonnee en je telefoon zijn allebei hier.
A

Wo ist mein kleines Notizbuch?

voo ist main klai-nus noo-tiets-boegh? Waar is mijn kleine notitieboekje?
B

Es liegt unter deiner Jacke.

es liekt oen-tuh dain-uh jak-uh. Het ligt onder je jas.
A

Dann habe ich alles.

dan haa-buh iesj al-us. Dan heb ik alles.
B

Du kannst die Tasche jetzt schließen.

doe kanst die tasje jetst sjlie-suhn. Je kunt de tas nu sluiten.

Woord voor woord

Kann „Kann“ betekent hier “kan” en vraagt of de aangesproken persoon kan helpen. De woordenboekvorm is können; „Kann“ is de vorm die in deze vraag wordt gebruikt. Dezelfde vraagstructuur komt voor in „Kannst du mir helfen, meine Tasche zu überprüfen?“.
du „du“ betekent hier “je” of “jij” en verwijst naar één informeel aangesproken persoon. In „Kannst du mir helfen, meine Tasche zu überprüfen?“ is „du“ degene die mogelijk helpt. Gebruik het bij een informele aanspreking van één persoon.
mir „mir“ betekent hier “mij” en geeft aan wie de hulp ontvangt in „Kannst du mir helfen“. Bij „helfen“ staat de persoon die hulp krijgt in deze vorm. Gebruik het wanneer je zegt dat iemand jou helpt.
helfen „helfen“ betekent “helpen” en beschrijft de gevraagde ondersteuning in „Kannst du mir helfen“. Het wordt hier gebruikt voor praktische hulp bij het controleren van een tas. Gebruik het wanneer je iemand om ondersteuning vraagt of ondersteuning aanbiedt.
meine „meine“ betekent hier “mijn” en maakt duidelijk dat de tas van de spreker is. Het staat vóór „Tasche“ in „meine Tasche“. Gebruik een bezittelijk woord vóór een voorwerp om aan te geven van wie het is.
Tasche „Tasche“ betekent “tas” en is het voorwerp dat in „meine Tasche zu überprüfen“ wordt gecontroleerd. Het gaat hier om een concrete tas die al bij de situatie hoort. Gebruik het voor een tas waarin je spullen meeneemt.
zu „zu“ betekent hier “te” en hoort bij de infinitief „zu überprüfen“. Samen vormt het de infinitiefconstructie in „meine Tasche zu überprüfen“. Gebruik deze vorm wanneer een volgende handeling als doel of onderdeel van de zin wordt genoemd.
überprüfen „überprüfen“ betekent hier “controleren” of “nakijken”, namelijk de inhoud van de tas controleren. Het staat in „meine Tasche zu überprüfen“ als de handeling die de spreker wil uitvoeren. Gebruik het ook voor het controleren van bijvoorbeeld een lijst, document of detail.
Ich „Ich“ betekent “ik” en is de persoon die hulp aanbiedt in „Ich kann sie mit dir zusammen durchsehen“. Het maakt duidelijk wie de handeling kan uitvoeren. Gebruik het wanneer je over jezelf spreekt als uitvoerder van een handeling.
sie „sie“ betekent hier “haar” of “het” en verwijst naar „Tasche“, niet naar een persoon. In „Ich kann sie mit dir zusammen durchsehen“ is de tas datgene waar de spreker doorheen kan kijken. Gebruik zo’n voornaamwoord om een eerder genoemd voorwerp niet opnieuw te hoeven noemen.
mit „mit“ betekent “met” en geeft in „mit dir“ aan met wie de handeling wordt uitgevoerd. De spreker kijkt samen met de andere persoon door de tas. Gebruik het om een persoon te noemen die aan dezelfde activiteit deelneemt.
dir „dir“ betekent hier “jou” en verwijst naar de aangesproken persoon in „mit dir zusammen“. Het geeft aan met wie de spreker samenwerkt. Gebruik deze vorm na „mit“ wanneer je één informeel aangesproken persoon bedoelt.
zusammen „zusammen“ betekent “samen” en benadrukt in „mit dir zusammen“ dat beide personen meedoen. Het verduidelijkt dat de tas gezamenlijk wordt nagekeken. Gebruik het bij een activiteit die je met iemand anders uitvoert.
durchsehen „durchsehen“ betekent hier “doorkijken” of “nakijken”, namelijk de tas en de inhoud ervan bekijken. In „Ich kann sie mit dir zusammen durchsehen“ staat het als de volledige handeling die de spreker kan uitvoeren. Gebruik het wanneer je de inhoud van een tas, document of lijst controleert.
Siehst „Siehst“ betekent hier “zie je” en vraagt of de ander iets opmerkt in de tas. Het staat in de vraag „Siehst du, ob etwas fehlt?“. De woordenboekvorm is sehen; „Siehst“ is de vorm die hier in de vraag voorkomt. Gebruik deze vorm in een directe vraag over wat iemand ziet of opmerkt.
ob „ob“ betekent hier “of” en leidt de ingesloten vraag „ob etwas fehlt“ in. De spreker vraagt daarmee of er iets ontbreekt, zonder het antwoord al te weten. Gebruik het om een ja-of-neevraag in een grotere zin in te leiden.
etwas „etwas“ betekent “iets” en verwijst hier naar een niet nader genoemd voorwerp dat mogelijk ontbreekt. In „ob etwas fehlt“ is het datgene waarvan de aanwezigheid wordt gecontroleerd. Gebruik het wanneer je naar een onbepaald ding verwijst.
fehlt „fehlt“ betekent hier “ontbreekt” of “is niet aanwezig” in de tas. Het hoort bij „etwas“ in „ob etwas fehlt“. De woordenboekvorm is fehlen; „fehlt“ is de vorm die hier in de zin wordt gebruikt. Gebruik het wanneer je vaststelt dat een verwacht voorwerp er niet is.
Dein „Dein“ betekent “jouw” en geeft in „Dein Portemonnaie“ aan dat de portemonnee van de aangesproken persoon is. Het verwijst naar een voorwerp van die persoon. Gebruik het vóór een concreet voorwerp om bezit aan te geven.
Portemonnaie „Portemonnaie“ betekent “portemonnee” en is één van de voorwerpen die in de tas worden gevonden. In „Dein Portemonnaie und dein Handy sind beide hier“ wordt bevestigd dat het voorwerp aanwezig is. Gebruik het voor een portemonnee met geld of pasjes.
und „und“ betekent “en” en verbindt in „Dein Portemonnaie und dein Handy“ twee voorwerpen. Beide worden samen genoemd als aanwezige spullen. Gebruik het om woorden of zinsdelen aan elkaar te koppelen.
Handy „Handy“ betekent hier “mobiele telefoon” en is het tweede voorwerp dat in de tas aanwezig is. In „dein Handy“ wordt het als bezit van de aangesproken persoon genoemd. Gebruik het in dagelijkse situaties wanneer je naar een mobiele telefoon verwijst.
sind „sind“ betekent hier “zijn” en zegt dat de portemonnee en de telefoon zich hier bevinden. Het hoort bij de twee genoemde voorwerpen in „Dein Portemonnaie und dein Handy sind beide hier“. De woordenboekvorm is sein; „sind“ is de vorm die hier bij deze mededeling wordt gebruikt.
beide „beide“ betekent “allebei” en verwijst hier naar de portemonnee en de telefoon. In „sind beide hier“ bevestigt het dat de twee genoemde voorwerpen aanwezig zijn. Gebruik het wanneer je precies twee personen of voorwerpen samen bedoelt.
hier „hier“ betekent “hier” en geeft de plaats aan waar de portemonnee en telefoon aanwezig zijn. In de dialoog betekent het dat ze bij de gecontroleerde tas gevonden zijn. Gebruik het om iets op de huidige of aangewezen plaats aan te duiden.
Wo „Wo“ betekent “waar” en vraagt naar de plaats van het notitieboekje. Het staat aan het begin van „Wo ist mein kleines Notizbuch?“. Gebruik het om naar de locatie van een persoon of voorwerp te vragen.
ist „ist“ betekent “is” en wordt hier gebruikt om naar de locatie van één notitieboekje te vragen in „Wo ist mein kleines Notizbuch?“. De woordenboekvorm is sein; „ist“ is de vorm die in deze vraag voorkomt. Gebruik het in een vraag naar waar één voorwerp of persoon zich bevindt.
mein „mein“ betekent “mijn” en maakt in „mein kleines Notizbuch“ duidelijk dat het notitieboekje van de spreker is. Het staat vóór de beschrijving van het voorwerp. Gebruik het om bezit van een voorwerp aan te geven.
kleines „kleines“ betekent “klein” en beschrijft in „mein kleines Notizbuch“ het formaat van het notitieboekje. Het hoort direct bij „Notizbuch“. Gebruik het om een klein voorwerp te beschrijven wanneer het formaat relevant is.
Notizbuch „Notizbuch“ betekent “notitieboek” en is het voorwerp waarnaar de spreker zoekt. In „mein kleines Notizbuch“ wordt het samen met bezit en formaat genoemd. Gebruik het voor een boekje waarin je aantekeningen schrijft.
Es „Es“ betekent hier “het” of “het ligt daar” en verwijst naar „Notizbuch“. In „Es liegt unter deiner Jacke“ is het notitieboekje het onderwerp van de plaatsaanduiding. Gebruik het om naar een eerder genoemd voorwerp terug te verwijzen.
liegt „liegt“ betekent hier “ligt” of “bevindt zich liggend” en beschrijft de positie van het notitieboekje. In „Es liegt unter deiner Jacke“ wordt daarmee de locatie van het boekje uitgelegd. De woordenboekvorm is liegen; „liegt“ is de vorm die hier wordt gebruikt. Gebruik het om de plaats van een liggend voorwerp te beschrijven.
unter „unter“ betekent “onder” en geeft in „unter deiner Jacke“ de relatie tussen het notitieboekje en de jas aan. Het boekje bevindt zich onder de jas. Gebruik het om te zeggen dat iets zich lager of bedekt door iets anders bevindt.
deiner „deiner“ betekent hier “jouw” en verwijst in „unter deiner Jacke“ naar de jas van de aangesproken persoon. Het hoort bij „Jacke“ en geeft bezit aan. Gebruik deze bezittelijke vorm in deze uitdrukking wanneer je naar de jas van één aangesproken persoon verwijst.
Jacke „Jacke“ betekent “jas” en is hier het kledingstuk waaronder het notitieboekje ligt. In „unter deiner Jacke“ wordt de plaats van het boekje precies aangegeven. Gebruik het voor een jas die je draagt of ergens neerlegt.
Dann „Dann“ betekent “dan” en markeert hier de conclusie na het vinden van het notitieboekje. In „Dann habe ich alles“ zegt de spreker dat de volledige set spullen aanwezig is. Gebruik het om een volgende stap of gevolg na een gebeurtenis aan te geven.
habe „habe“ betekent hier “heb” en drukt uit dat de spreker alle benodigde spullen bij zich heeft. Het staat in „Dann habe ich alles“. De woordenboekvorm is haben; „habe“ is de vorm die hier voor de spreker wordt gebruikt. Gebruik het om te zeggen welke spullen je hebt.
alles „alles“ betekent “alles” en verwijst hier naar alle spullen die in de tas verwacht worden. In „Dann habe ich alles“ concludeert de spreker dat er niets meer ontbreekt. Gebruik het wanneer je naar een volledige verzameling of het geheel verwijst.
kannst „kannst“ betekent hier “kunt” of “kan” en geeft aan dat de aangesproken persoon de tas nu kan sluiten. In „Du kannst die Tasche jetzt schließen“ is de handeling na de controle mogelijk en passend. De woordenboekvorm is können; „kannst“ is de vorm die hier bij „Du“ wordt gebruikt.
die „die“ is hier het bepaalde lidwoord vóór „Tasche“ en verwijst naar de specifieke tas die eerder is gecontroleerd. In „die Tasche“ gaat het dus niet om zomaar een tas. Gebruik het bij een voorwerp dat al bekend of duidelijk aangewezen is.
jetzt „jetzt“ betekent “nu” en geeft aan dat de tas op dit moment gesloten kan worden. In „die Tasche jetzt schließen“ volgt deze handeling op het controleren van de inhoud. Gebruik het om het tijdstip van een handeling te benadrukken.
schließen „schließen“ betekent hier “sluiten” en verwijst naar het dichtdoen van de tas. Het staat in „Du kannst die Tasche jetzt schließen“ als de handeling die nu kan plaatsvinden. Gebruik het ook wanneer je een deur, raam of andere sluitbare zaak dichtdoet.

Grammatica

etwas fehlt

Fehlt etwas?

feelt et-vas?

Ontbreekt er iets?

In het Duits is etwas het onderwerp; daarom staat het werkwoord in de derde persoon enkelvoud: fehlt.

durchsehen als scheidbaar werkwoord

Wir sehen die Tasche durch.

vier zee-uhn die tasje doerch.

We kijken de tas door.

In een hoofdzin komt durch aan het einde, terwijl sehen op de tweede plaats staat.

Duits woordenschat

beide voornaamwoord
bai-duh beide
durchsehen werkwoord
doerch-zee-uhn doorkijken
etwas voornaamwoord
et-vas iets
fehlen werkwoord
feelen ontbreken fehlt
Handy zelfstandig naamwoord
hen-die mobiele telefoon
helfen werkwoord
hel-fuhn helpen
hier bijwoord
hier hier
Portemonnaie zelfstandig naamwoord
port-mo-nee portemonnee
sehen werkwoord
zee-uhn zien Siehst
Tasche zelfstandig naamwoord
tasje tas
überprüfen werkwoord
uu-buh-pruu-fuhn controleren
zusammen bijwoord
tsoe-zam-uhn samen

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Zie je iets dat ontbreekt?

Antwoord tonenSiehst du, ob etwas fehlt?

Waar is mijn kleine notitieboekje?

Antwoord tonenWo ist mein kleines Notizbuch?

Het ligt onder je jas.

Antwoord tonenEs liegt unter deiner Jacke.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

tas

Antwoord tonenTasche

samen

Antwoord tonenzusammen

controleren

Antwoord tonenüberprüfen

portemonnee

Antwoord tonenPortemonnaie