Mein
“Mein” betekent hier “mijn” en verwijst naar de keel van de spreker in “Mein Hals tut ein bisschen weh.” Het staat vóór een zelfstandig naamwoord om aan te geven dat iets bij de spreker hoort. Je kunt het op dezelfde manier gebruiken vóór een lichaamsdeel of persoonlijk voorwerp.
Hals
“Hals” betekent hier “keel”, het lichaamsdeel dat pijn doet in “Mein Hals tut ein bisschen weh.” Het is het onderwerp waarover de spreker een klacht geeft. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je lichamelijke klachten aan je keel beschrijft.
tut
“Tut” draagt in “Mein Hals tut ein bisschen weh.” het werkwoordelijke deel van de uitdrukking voor “pijn doen” of “zeer doen”. De volledige combinatie “tut ... weh” geeft de pijn aan; de betekenis komt dus niet van “tut” alleen. Je kunt deze combinatie gebruiken om te zeggen dat een lichaamsdeel pijn doet.
ein
“Ein” betekent hier “een” in de vaste hoeveelheidsaanduiding “ein bisschen”. Samen maakt het de betekenis “een beetje” in “Mein Hals tut ein bisschen weh.” Je gebruikt “ein bisschen” om een kleine hoeveelheid of geringe mate aan te geven.
bisschen
“Bisschen” betekent hier “beetje” in “Mein Hals tut ein bisschen weh.” Samen met “ein” verzacht het de klacht: de keel doet een beetje pijn. De combinatie “ein bisschen” is bruikbaar wanneer je een kleine mate of hoeveelheid wilt aangeven.
weh
“Weh” geeft in “Mein Hals tut ein bisschen weh.” aan dat iets pijnlijk of zeer is. Samen met “tut” vormt het de uitdrukking “tut ... weh” voor “pijn doen”. Je gebruikt deze uitdrukking bijvoorbeeld bij een lichamelijke klacht.
Versuch
“Versuch” betekent hier “probeer” en geeft in “Versuch, etwas Warmes zu trinken.” een directe aansporing aan één persoon. Na deze vorm volgt in de dialoog een komma en een constructie met “zu trinken”. Je gebruikt het wanneer je iemand vriendelijk adviseert iets te proberen.
etwas
“Etwas” betekent hier “iets” of “wat” en verwijst naar een niet nader bepaalde drank of hoeveelheid in “etwas Warmes” en “etwas Tee”. Het maakt duidelijk dat niet precies wordt gezegd wat of hoeveel. Je gebruikt het vóór een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord of vóór een niet nader bepaalde stof of hoeveelheid.
Warmes
“Warmes” betekent hier “iets warms” in “etwas Warmes”. Het verwijst naar iets warms dat je kunt drinken; de hoofdletter laat zien dat het bijvoeglijk naamwoord hier zelfstandig wordt gebruikt. Je kunt “etwas Warmes” gebruiken wanneer je iemand een warme drank of ander warm voedsel aanbiedt.
zu
“Zu” markeert in “zu trinken” de infinitiefconstructie na “Versuch”. Samen betekent “etwas Warmes zu trinken” “iets warms drinken”. Je gebruikt “zu” op dezelfde manier vóór een infinitief in deze constructie.
trinken
“Trinken” betekent “drinken” en staat in “zu trinken” als infinitief. Het beschrijft de handeling die de persoon moet proberen uit te voeren. Je gebruikt het bijvoorbeeld met een drank of met “etwas”, zoals in “etwas trinken”.
Kannst
“Kannst” betekent hier “kun je” in de vraag “Kannst du mir etwas Tee machen?” Het vraagt of de ander iets kan of wil doen. In een vraag staat “Kannst” vóór het onderwerp en volgt het andere werkwoord later in de zin.
du
“Du” betekent hier “je” en is de aangesproken persoon in “Kannst du mir etwas Tee machen?” Het is het onderwerp van de vraag. Je gebruikt “du” wanneer je één persoon rechtstreeks en informeel aanspreekt.
mir
“Mir” betekent hier “voor mij” in “Kannst du mir etwas Tee machen?” Het geeft aan voor wie de thee wordt gemaakt. Je gebruikt “mir” wanneer iemand iets voor de spreker doet of aan de spreker geeft.
Tee
“Tee” betekent “thee” en is in “etwas Tee” het voorwerp dat wordt gemaakt. “Etwas Tee” betekent hier “wat thee” of “een beetje thee”. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je thuis om een warme drank vraagt.
machen
“Machen” betekent hier “maken” of “klaarmaken” in “Kannst du mir etwas Tee machen?” Het staat als infinitief na “Kannst”. In deze context gaat het om thee bereiden; je gebruikt het dus met “Tee” om te vragen of iemand thee wil klaarmaken.
Ich
“Ich” betekent “ik” en is het onderwerp in “Ich mache jetzt etwas Tee.” De spreker kondigt daarmee zijn eigen handeling aan. Je gebruikt “Ich” wanneer je zegt wat je zelf doet of gaat doen.
mache
“Mache” betekent hier “maak” of “bereid” in “Ich mache jetzt etwas Tee.” Het is de vorm die bij “Ich” hoort en beschrijft het klaarmaken van de thee. Je kunt deze vorm gebruiken om te zeggen dat je iets op dit moment klaarmaakt.
jetzt
“Jetzt” betekent “nu” en geeft in “Ich mache jetzt etwas Tee.” aan dat de handeling meteen gebeurt. Het staat hier tussen het werkwoord en het voorwerp. Je gebruikt het wanneer je een huidige of onmiddellijk volgende handeling benadrukt.
Meine
“Meine” betekent hier “mijn” en geeft in “Meine Stimme klingt heute komisch.” aan dat de stem bij de spreker hoort. Het staat vóór “Stimme” en maakt duidelijk over wiens stem wordt gesproken. Je gebruikt het op dezelfde manier vóór iets dat van jezelf is.
Stimme
“Stimme” betekent “stem” in “Meine Stimme klingt heute komisch.” Het is datgene waarvan de klank vandaag vreemd overkomt. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je een verandering in je stem of spreekgeluid beschrijft.
klingt
“Klingt” betekent hier “klinkt” of “komt over als” in “Meine Stimme klingt heute komisch.” Het beschrijft hoe de stem voor de luisteraar klinkt. Je kunt “klingt” gebruiken vóór een beschrijving van hoe iets klinkt.
heute
“Heute” betekent “vandaag” en plaatst de vreemde klank van de stem in de huidige dag in “Meine Stimme klingt heute komisch.” Het geeft aan wanneer de toestand geldt. Je gebruikt het wanneer je iets over deze dag zegt.
komisch
“Komisch” betekent hier “vreemd” of “ongewoon” in “Meine Stimme klingt heute komisch.” Het beschrijft hoe de stem klinkt, niet een handeling. Je gebruikt het na “klingt” om een ongebruikelijke indruk van een geluid te beschrijven.
weniger
“Weniger” betekent hier “minder” in “weniger zu sprechen”. Het geeft aan dat de persoon de hoeveelheid spreken moet verminderen. Je gebruikt het vóór een activiteit wanneer je een kleinere hoeveelheid of mate ervan bedoelt.
sprechen
“Sprechen” betekent “spreken” en staat in “weniger zu sprechen” als infinitief. Het benoemt de activiteit die voorlopig minder moet worden gedaan. Je gebruikt het bijvoorbeeld in een advies over praten of een gesprek voeren.
ruhe
“Ruhe” betekent in “Ich ruhe mich aus” dat de spreker rust neemt. Het is het werkwoordelijke deel van de uitdrukking “sich ausruhen”; samen met “mich” en “aus” betekent de hele uitdrukking “ik rust uit”. Je gebruikt deze uitdrukking wanneer je zegt dat je een pauze neemt of herstelt.
mich
“Mich” verwijst in “Ich ruhe mich aus” terug naar “Ich” en maakt de uitdrukking reflexief. Het laat zien dat de spreker zelf degene is die rust neemt. In deze constructie staat het na “ruhe” en vóór “aus”.
aus
“Aus” is in “Ich ruhe mich aus” het afgescheiden deel van de uitdrukking “sich ausruhen”. Samen met “ruhe mich” betekent het “uitrusten”; op zichzelf betekent het hier niet losweg “uit”. In deze hoofdzin staat het aan het einde, zoals in de volledige uitdrukking “ruhe mich aus”.
nachdem
“Nachdem” betekent “nadat” en verbindt in “nachdem ich ihn getrunken habe” de rust met de eerdere handeling. Het maakt de volgorde duidelijk: eerst drinken, daarna rusten. Je gebruikt het om twee gebeurtenissen in de tijd met elkaar te verbinden.
ihn
“Ihn” betekent hier “hem” of “het” en verwijst terug naar “Tee” in “nachdem ich ihn getrunken habe”. Het is dus de thee die de spreker heeft gedronken. Je gebruikt het om een eerder genoemd mannelijk zelfstandig naamwoord opnieuw als voorwerp aan te duiden.
getrunken
“Getrunken” betekent “gedronken” en is de voltooide vorm van “trinken” in “nachdem ich ihn getrunken habe”. Samen met “habe” beschrijft het een handeling die al is afgerond. Je gebruikt deze combinatie wanneer je wilt zeggen dat iets al gedronken is.
habe
“Habe” betekent hier “heb” en vormt samen met “getrunken” de voltooide handeling in “nachdem ich ihn getrunken habe”. In deze bijzin staat “habe” aan het einde. Je gebruikt het samen met een voltooid deelwoord om een afgeronde handeling uit te drukken.
Das
“Das” betekent hier “dat” en verwijst in “Das sollte deinem Hals helfen.” naar wat zojuist is gezegd of voorgesteld. Het kan dus de voorafgaande handeling of suggestie als geheel aanduiden. Je gebruikt “Das” om naar een eerder genoemde situatie of uitspraak terug te verwijzen.
sollte
“Sollte” betekent hier “zou moeten” en drukt in “Das sollte deinem Hals helfen.” een verwachting uit dat iets zal helpen. Het klinkt als een voorzichtige geruststelling, niet als een harde zekerheid. Je gebruikt het bijvoorbeeld om een verwachte uitkomst of werking voorzichtig te beschrijven.
deinem
“Deinem” betekent hier “aan jouw” of “aan je” in “deinem Hals”. Het geeft aan welk lichaamsdeel baat zou moeten hebben bij de hulp. Bij “helfen” staat het betrokken persoon of lichaamsdeel in deze vorm.
helfen
“Helfen” betekent “helpen” in “Das sollte deinem Hals helfen.” Het beschrijft dat de voorgestelde rust of drank een gunstig effect op de keel kan hebben. Je gebruikt “helfen” met de persoon of zaak die baat heeft, zoals “deinem Hals helfen”.