Beleefd om de beurt vragen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a shared gym, two adults discuss how to politely ask for a turn on a treadmill while keeping other options open..

NL → DE / Niveau: B1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Beleefd om de beurt vragen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Jemand benutzt das Laufband schon seit langer Zeit.

Yeemand benoetsen das lauwf-bant sjoon sajt langa tsajt. Iemand gebruikt de loopband al lange tijd.
B

Auf dem Schild steht, dass man sich das Gerät teilen soll, wenn andere warten.

Auwf deem sjilt sjteet, das man zich das ge-reet tajlen zol, wen andere varten. Op het bord staat dat mensen het apparaat moeten delen als anderen wachten.
A

Soll ich fragen, oder wirkt das unhöflich?

Zol ich fraagen, ooder virkt das oen-heuflich? Moet ik het vragen, of komt dat onbeleefd over?
B

Frag höflich und sag, dass du gerne als Nächstes dran wärst.

Fraak heuflich oent zaak, das doe gerne als neechstes draan veerst. Vraag het vriendelijk en zeg dat je op je beurt wacht.
A

Ich kann sagen: „Entschuldigung, sind Sie schon fast mit dem Laufband fertig?“

Ich kan zaagen: ent-sjoeldigoeng, zint zie sjoon fast mit deem lauwf-bant fertig? Ik kan zeggen: "Pardon, bent u bijna klaar met de loopband?"
B

Das klingt klar, ohne die Person zu sehr unter Druck zu setzen.

Das klinkt klaar, oone die per-zoon toe zeer oenter droek toe zetsen. Dat klinkt duidelijk zonder te veel druk op die persoon te leggen.
A

Wenn die Person mehr Zeit braucht, kann ich warten oder ein anderes Gerät benutzen.

Wen die per-zoon meer tsajt brawcht, kan ich varten ooder aijn anderes ge-reet benoetsen. Als die persoon meer tijd nodig heeft, kan ik wachten of een ander apparaat gebruiken.
B

So können die Leute sich das Gerät teilen, ohne dass ein Streit entsteht.

Zoo keunnen die loite zich das ge-reet tajlen, oone das aijn sjtrajt ent-sjteet. Zo kunnen mensen het apparaat delen zonder dat er ruzie ontstaat.

Uitleg van de zinnen

  1. Jemand benutzt das Laufband schon seit langer Zeit.

    Iemand gebruikt de loopband al lange tijd.

    Jemand
    iemand
    benutzt
    gebruikt
    das Laufband
    de loopband
    schon
    al
    seit
    sinds
    langer
    lange
    Zeit
    tijd
    Uitgebreide uitleg

    Jemand betekent hier “iemand”: een onbepaalde persoon, zonder dat de zin zegt wie dat precies is. Het is grammaticaal enkelvoud, daarom staat het werkwoord verderop in de vorm voor de derde persoon enkelvoud. Voorbeelden: Jemand wartet. = “Iemand wacht.”; Niemand wartet. = “Niemand wacht.” benutzt is de tegenwoordige tijd van benutzen (“gebruiken”), bij er, sie of es: er benutzt. Het onderwerp is hier Jemand, dat grammaticaal enkelvoud is. Voorbeeld: Sie benutzt den Computer. = “Zij gebruikt de computer.” das Laufband betekent “de loopband”. Laufband is een zelfstandig naamwoord met het lidwoord das; in deze zin staat het als lijdend voorwerp bij benutzt. Het meervoud is die Laufbänder. Voorbeeld: Er benutzt das Laufband. = “Hij gebruikt de loopband.” schon betekent hier “al” in een tijdsaanduiding. Samen met seit langer Zeit benadrukt het dat de handeling al gedurende een periode bezig is. In andere contexten kan schon ook “reeds” of “toch al” betekenen, maar hier past de tijdsbetekenis “al”. seit leidt een tijdsduur in die tot het huidige moment doorloopt: seit + een tijdsaanduiding betekent “sinds” of “al gedurende”. Het volgende deel staat in de datief. Vergelijk: seit Montag = “sinds maandag” en seit einem Jahr = “sinds een jaar / al een jaar”. langer hoort bij het bijvoeglijk naamwoord lang (“lang”) en is hier de verbogen vorm in seit langer Zeit. Het is hier niet de vergelijkende vorm “langer”; de betekenis van de hele woordgroep is “al lange tijd”. Omdat Zeit vrouwelijk is, seit de datief vereist en er geen lidwoord voor staat, krijgt lang hier de sterke datiefvorm langer. Vergelijk: mit langer Pause = “met een lange pauze”. Zeit betekent “tijd”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Zeit. In seit langer Zeit duidt het op een niet nader bepaalde lange periode die tot nu voortduurt. Voorbeeld: Wir warten seit langer Zeit. = “We wachten al lange tijd.” De delen worden zo samengevoegd: Jemand benutzt das Laufband = “Iemand gebruikt de loopband”, en schon seit langer Zeit voegt toe dat dit gebruik al lange tijd voortduurt. De volledige betekenis is: “Iemand gebruikt de loopband al lange tijd.”

  2. Auf dem Schild steht, dass man sich das Gerät teilen soll, wenn andere warten.

    Op het bord staat dat mensen het apparaat moeten delen als anderen wachten.

    Auf dem Schild
    op het bord
    steht
    staat
    dass
    dat
    man
    men; mensen in het algemeen
    sich … teilen
    iets met anderen delen
    das Gerät
    het apparaat
    soll
    moet; hoort te
    wenn
    als; wanneer
    andere
    anderen
    warten
    wachten
    Uitgebreide uitleg

    Auf dem Schild betekent hier “op het bord”. auf krijgt bij een vaste plaats de datief: dem Schild is de datiefvorm van het onzijdige das Schild. Bij een beweging naar een plaats kan auf daarentegen de accusatief gebruiken. steht is de tegenwoordige tijd van stehen (“staan”). Bij een bord, brief of andere tekst kan stehen ook betekenen dat er iets geschreven staat: Auf dem Schild steht ... = “Op het bord staat ...”. Het betekent hier niet dat een persoon letterlijk staat. dass leidt de inhoud aan die op het bord staat in. In een Duitse dass-bijzin staat het vervoegde werkwoord aan het einde. Bijvoorbeeld: Ich weiß, dass er wartet. = “Ik weet dat hij wacht.” man is een onbepaald persoonlijk voornaamwoord voor mensen in het algemeen. Het heeft een enkelvoudige werkwoordsvorm: man soll, niet man sollen. Het verwijst hier niet naar één specifiek genoemde persoon. Bij sich teilen is teilen de basisvorm (“delen”) en sich het wederkerende voornaamwoord. In deze combinatie betekent het dat mensen iets onder elkaar delen: Wir teilen uns den Tisch. = “We delen de tafel met elkaar.” De combinatie met sich geeft hier dus het samen gebruiken aan. das Gerät betekent “het apparaat”. Gerät is een onzijdig zelfstandig naamwoord; das is hier tegelijk de vorm voor nominatief en accusatief. In sich das Gerät teilen is das Gerät wat men deelt, dus het lijdend voorwerp. soll is de derde persoon enkelvoud van sollen in de tegenwoordige tijd. Na man drukt het hier een voorschrift uit: mensen horen het apparaat te delen, zoals het bord aangeeft. De basisvorm is sollen; vergelijk Wir sollen warten. = “Wij moeten wachten.” Het is hier niet de vorm muss van müssen. wenn leidt een voorwaardelijke of temporele bijzin in en kan hier worden weergegeven met “als” of “wanneer”. In zo’n bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan: wenn andere warten. De bijzin kan ook vooraan staan: Wenn andere warten, soll man sich das Gerät teilen. andere betekent hier “anderen”. Het is een zelfstandig gebruikt adjectief in het meervoud en staat als onderwerp van de bijzin; andere heeft hier dus een meervoudige nominatiefvorm. De vorm identificeert niet zelfstandig welke personen bedoeld zijn en zegt ook niet hoeveel het er zijn. warten is de basisvorm “wachten” en ook de tegenwoordige meervoudsvorm bij andere: andere warten. Voor een enkelvoudig onderwerp krijg je bijvoorbeeld eine Person wartet. Samen is de opbouw: Auf dem Schild steht (“Op het bord staat”) + dass + man sich das Gerät teilen soll (“dat mensen het apparaat moeten delen”) + wenn andere warten (“als anderen wachten”). De volledige betekenis is dus: “Op het bord staat dat mensen het apparaat moeten delen als anderen wachten.”

  3. Soll ich fragen, oder wirkt das unhöflich?

    Moet ik het vragen, of komt dat onbeleefd over?

    Soll ich
    moet ik …?
    fragen
    vragen
    wirkt
    komt over
    das
    dat
    unhöflich
    onbeleefd
    Uitgebreide uitleg

    Soll ich vormt hier een vraag naar wat de spreker moet doen: “moet ik …?” Het werkwoord sollen staat in de tegenwoordige tijd bij ich als soll; het daaropvolgende werkwoord blijft in de infinitief. Voorbeeld: Soll ich warten? = “Moet ik wachten?” fragen betekent hier “vragen”. Dit is de infinitief van fragen; na soll staat die infinitief aan het einde van de vraag. Voorbeeld: Ich frage höflich. = “Ik vraag het beleefd.” wirkt komt van wirken en betekent hier “overkomen” of “de indruk wekken”. wirkt is de vorm bij een derde persoon enkelvoud, hier bij das. Voorbeeld: Das wirkt freundlich. = “Dat komt vriendelijk over.” das verwijst hier naar de handeling waarover de spreker een oordeel verwacht: het vragen. Als aanwijzend voornaamwoord betekent het “dat”; de concrete vorm das is onzijdig en enkelvoudig. Voorbeeld: Das ist höflich. = “Dat is beleefd.” unhöflich betekent “onbeleefd”. Het is een beschrijvend woord met het voorvoegsel un-, dat hier het tegenovergestelde van höflich vormt: höflich = “beleefd”, unhöflich = “onbeleefd”. Voorbeeld: Das klingt nicht unhöflich. = “Dat klinkt niet onbeleefd.” De eerste vraag Soll ich fragen vraagt of de spreker de handeling moet uitvoeren. In oder wirkt das unhöflich? wordt vervolgens gevraagd welke indruk die handeling maakt. Samen betekent de zin: “Moet ik het vragen, of komt dat onbeleefd over?”

  4. Frag höflich und sag, dass du gerne als Nächstes dran wärst.

    Vraag het vriendelijk en zeg dat je op je beurt wacht.

    Frag
    vraag
    höflich
    vriendelijk
    sag
    zeg
    dass du
    dat je
    gerne
    graag
    als Nächstes
    als volgende
    dran wärst
    aan de beurt zou zijn
    Uitgebreide uitleg

    Frag is de gebiedende wijs van fragen (“vragen”) voor du: “vraag”. De vorm geeft hier een directe instructie aan één aangesproken persoon. höflich beschrijft hoe die vraag gesteld moet worden: op een vriendelijke of beleefde manier. Sag is de gebiedende wijs van sagen (“zeg”) voor du. De twee imperatieven Frag en sag verbinden twee opdrachten voor dezelfde aangesproken persoon. dass du leidt een bijzin in met de inhoud van wat gezegd moet worden. du is hier de vorm voor de tweede persoon enkelvoud. Na dass staat het vervoegde werkwoord in het Duits doorgaans achteraan in de bijzin. gerne betekent hier “graag”. Het is een bijwoord dat aangeeft dat de genoemde situatie gewenst is; het is geen zelfstandig naamwoord. als Nächstes betekent “als volgende” of “als eerstvolgende”. Nächstes is hier een verbogen en zelfstandig gebruikt adjectief bij een onuitgesproken neutrale zaak of positie. Het duidt de volgende plaats in een volgorde aan. Het is nauw verwant aan nah (“dichtbij”), maar presenteer nächst- in deze uitdrukking niet als de gewone vergrotende vorm näher; leer de vaste gebruikswaarde “volgende/eerstvolgende”. dran wärst verwijst naar de uitdrukking dran sein (“aan de beurt zijn”). wärst is de vorm voor du van de Konjunktiv II van sein: sein – bist – warst – wärst. In deze zin maakt wärst de gewenste situatie voorzichtig of niet-feitelijk: je zou graag als volgende aan de beurt zijn. dran sein is alledaagse spreektaal; an der Reihe sein is een neutralere verwante formulering. Als geheel geeft de zin twee opdrachten: vraag beleefd en zeg dat je graag als volgende aan de beurt zou zijn. De bijzin na dass geeft de inhoud van wat je moet zeggen; als Nächstes dran maakt de plaats in de beurtvolgorde duidelijk.

  5. Ich kann sagen: „Entschuldigung, sind Sie schon fast mit dem Laufband fertig?“

    Ik kan zeggen: "Pardon, bent u bijna klaar met de loopband?"

    Ich kann
    ik kan
    sagen
    zeggen
    Entschuldigung
    pardon
    sind Sie
    bent u
    schon
    al
    fast
    bijna
    mit
    met
    Laufband
    loopband
    fertig
    klaar
    Uitgebreide uitleg

    Ich kann betekent hier dat de spreker in staat is iets te zeggen: “ik kan”. können is de basisvorm; kann is de vorm voor ich in de tegenwoordige tijd. Het is een modaal werkwoord en staat in deze hoofdzin vóór de infinitief. sagen betekent “zeggen”. Na kann blijft dit werkwoord in de infinitief en staat het aan het einde van de woordgroep: Ich kann sagen = “ik kan zeggen”. Voorbeeld: Ich kann helfen. — “Ik kan helpen.” Entschuldigung is hier een beleefde aanspreekvorm met de betekenis “pardon” of “excuseer”. Het is geen deel van de grammaticale vraagzin, maar markeert de vraag als vriendelijk. sind Sie betekent “bent u”. sind is de vorm van sein voor Sie; Sie met hoofdletter is de formele aanspreekvorm voor één of meer personen. In een ja-neevraag staat het vervoegde werkwoord vóór het onderwerp: Sind Sie ...? Voorbeeld: Sind Sie fertig? — “Bent u klaar?” schon betekent hier “al”. In combinatie met fast geeft schon fast de betekenis “al bijna”: het verwachte einde komt dichtbij, maar is nog niet bereikt. schon kan in andere zinnen ook “reeds” betekenen, maar hier past de combinatie met fast. fast betekent “bijna”. Het geeft aan dat iets dicht bij een toestand of grens is, zonder te zeggen dat die toestand al volledig geldt. fast fertig betekent dus “bijna klaar”, niet simpelweg “klaar”. mit betekent “met”. In deze constructie leidt het het datgene in waarmee iemand bezig is of waarvan iemand klaar is. Na mit staat hier dem Laufband: mit vereist in deze betekenis de datief, en het onzijdige lidwoord das wordt dan dem. Laufband betekent “loopband”. Het is een zelfstandig naamwoord en wordt in het Duits met een hoofdletter geschreven. Het samengestelde woord bestaat uit Lauf en Band, maar Laufband moet hier als één zelfstandig naamwoord worden geleerd. Voorbeeld: Das Laufband ist frei. — “De loopband is vrij.” fertig betekent “klaar”. In mit etwas fertig sein betekent het dat iemand klaar is met datgene waarmee die persoon bezig was. Het bijvoeglijk naamwoord verandert hier niet vanwege Laufband; dem draagt de naamvalsinformatie. Voorbeeld: Ich bin mit der Arbeit fertig. — “Ik ben klaar met het werk.” Samen vormen sind Sie schon fast mit dem Laufband fertig? een beleefde vraag: “bent u al bijna klaar met de loopband?” De vorm sind Sie maakt er een formele ja-neevraag van; schon fast verzacht de stelligheid doordat het alleen vraagt of het einde nabij is. De volledige uiting Ich kann sagen: „Entschuldigung, sind Sie schon fast mit dem Laufband fertig?“ betekent: “Ik kan zeggen: ‘Pardon, bent u bijna klaar met de loopband?’”

  6. Das klingt klar, ohne die Person zu sehr unter Druck zu setzen.

    Dat klinkt duidelijk zonder te veel druk op die persoon te leggen.

    Das klingt
    Dat klinkt
    klar
    duidelijk
    ohne
    zonder
    die Person
    de persoon
    zu sehr
    te veel
    unter Druck
    onder druk
    zu setzen
    te zetten
    Uitgebreide uitleg

    Das klingt bevat klingen in de derde persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd: klingen → klingt. Das is hier het onderwerp en betekent volgens de vaste vertaling “dat”. Klingen betekent dat iets op een bepaalde manier klinkt; met een bijvoeglijk naamwoord kan het ook aangeven welke indruk iets maakt. Voorbeeld: Das klingt gut. — “Dat klinkt goed.” Klar is hier een predicatief bijvoeglijk naamwoord bij klingt: het beschrijft hoe datgene waarnaar Das verwijst overkomt. Na klingen krijgt zo’n predicatief bijvoeglijk naamwoord geen uitgang: Das klingt klar. Afhankelijk van de context kan klar bijvoorbeeld “duidelijk” of “helder” betekenen; hier past “duidelijk” bij de vaste vertaling. Ohne ... zu is een herbruikbare Duitse constructie met de betekenis “zonder ... te ...”. Ohne leidt hier de infinitiefconstructie in. Voorbeeld: Sie geht, ohne sich zu verabschieden. — “Ze gaat weg zonder afscheid te nemen.” Die Person betekent “de persoon”. In deze zin is dit het object van setzen, dus staat het in de accusatief. Bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud zien nominatief en accusatief er bij het lidwoord hetzelfde uit: die Person; de functie blijkt hier uit de constructie, niet uit een zichtbare verandering van die. Zu sehr betekent samen “te veel” of “in te sterke mate”. Zu hoort hier bij sehr en geeft aan dat de mate te groot is; het is niet de zu van de infinitiefmarkering. Het beschrijft hoe sterk de persoon onder druk wordt gezet. Unter Druck is een vaste combinatie in jemanden unter Druck setzen: iemand onder druk zetten. Unter betekent hier “onder” en Druck “druk”. De combinatie verwijst hier niet naar een fysieke plaats, maar naar druk of spanning die iemand ervaart. Voorbeeld: Der Termin setzt mich unter Druck. — “De afspraak zet mij onder druk.” Zu setzen is de infinitief van setzen met zu: setzen → zu setzen. In deze combinatie betekent setzen niet alleen “plaatsen”, maar “zetten” in de uitdrukking unter Druck setzen. Het object die Person staat vóór deze infinitief. Samen vormt ohne die Person zu sehr unter Druck zu setzen de betekenis “zonder de persoon te veel onder druk te zetten”. De hoofdzin Das klingt klar betekent “Dat klinkt duidelijk”; het deel met ohne ... zu voegt toe dat dit gebeurt zonder de persoon in te sterke mate onder druk te zetten. De volledige betekenis is: “Dat klinkt duidelijk zonder te veel druk op die persoon te leggen.”

  7. Wenn die Person mehr Zeit braucht, kann ich warten oder ein anderes Gerät benutzen.

    Als die persoon meer tijd nodig heeft, kan ik wachten of een ander apparaat gebruiken.

    Wenn
    als
    Person
    persoon
    mehr
    meer
    Zeit
    tijd
    braucht
    nodig heeft
    kann ich
    kan ik
    warten
    wachten
    oder
    of
    anderes
    ander
    Gerät
    apparaat
    benutzen
    gebruiken
    Uitgebreide uitleg

    Wenn leidt hier de bijzin in die de voorwaarde of het tijdspunt neerzet: “als”. In het Duits staat het vervoegde werkwoord in zo’n bijzin aan het einde: Wenn die Person mehr Zeit braucht. Hetzelfde woord kan in andere contexten ook “wanneer” betekenen; de vaste vertaling ondersteunt hier de lezing “als”. Person betekent hier “persoon”. Het is een zelfstandig naamwoord en is grammaticaal vrouwelijk: die Person. De meervoudsvorm is Personen. De vorm braucht verderop laat bovendien zien dat het onderwerp enkelvoud is. mehr betekent “meer”. Het is de vergrotende vorm die bij viel hoort: viel – mehr – am meisten. In mehr Zeit geeft het aan dat er een grotere hoeveelheid tijd nodig is. Zeit betekent “tijd”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Zeit. In deze combinatie is mehr Zeit het object van “nodig hebben”; Duits gebruikt daarvoor het werkwoord brauchen, niet een aparte uitdrukking die letterlijk met het Nederlandse “nodig hebben” overeenkomt. braucht is de tegenwoordige tijd van brauchen bij een derde persoon enkelvoud: die Person braucht. De basisvorm is brauchen. In de bijzin staat deze vervoegde vorm achteraan. Een bruikbaar voorbeeld is: Das Kind braucht Hilfe. — “Het kind heeft hulp nodig.” kann ich bestaat uit de vervoegde vorm kann van het modale werkwoord können en het onderwerp ich. Hier betekent het “kan ik”. können drukt mogelijkheid of vermogen uit; de infinitief van het andere werkwoord komt dan later in de zin. Omdat de bijzin vooraan staat, begint de hoofdzin met het vervoegde werkwoord: Wenn ..., kann ich .... warten betekent “wachten”. Dit is de infinitief die afhankelijk is van kann: ich kann warten. Na een modaal werkwoord blijft het volgende werkwoord in de infinitief. Voorbeeld: Ich kann heute warten. — “Ik kan vandaag wachten.” oder verbindt twee mogelijkheden en betekent “of”. Hier verbindt het warten met de tweede mogelijkheid ein anderes Gerät benutzen; beide mogelijkheden vallen onder kann ich. anderes betekent hier “ander”. Het is de vorm van ander die bij het onzijdige zelfstandig naamwoord Gerät hoort in ein anderes Gerät. Het achtervoegsel -es markeert hier de combinatie met een onzijdig enkelvoud na ein; het hoort bij het bijvoeglijk naamwoord ander, niet bij Gerät. Vergelijk: eine andere Person — “een andere persoon”. Gerät betekent “apparaat”. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Gerät; het meervoud is Geräte. In ein anderes Gerät is het apparaat het lijdend voorwerp van benutzen. benutzen betekent “gebruiken”. Het is de infinitief na kann: ich kann ... benutzen. Het werkwoord krijgt hier ein anderes Gerät als lijdend voorwerp. Voorbeeld: Sie kann das Gerät benutzen. — “Zij kan het apparaat gebruiken.” De hele structuur is: Wenn + onderwerp + hoeveelheid/object + vervoegd werkwoord, gevolgd door kann ich + eerste mogelijkheid warten + oder + tweede mogelijkheid ein anderes Gerät benutzen. Samen betekent de zin: “Als de persoon meer tijd nodig heeft, kan ik wachten of een ander apparaat gebruiken.”

  8. So können die Leute sich das Gerät teilen, ohne dass ein Streit entsteht.

    Zo kunnen mensen het apparaat delen zonder dat er ruzie ontstaat.

    So
    zo
    können
    kunnen
    Leute
    mensen
    Gerät
    apparaat
    teilen
    delen
    ohne dass
    zonder dat
    Streit
    ruzie
    entsteht
    ontstaat
    Uitgebreide uitleg

    So betekent hier ‘zo’ of ‘op deze manier’: het verwijst naar de manier waarop iets kan gebeuren. Een bruikbaar patroon is So können ...: ‘Zo kunnen ...’. In deze zin betekent So niet ‘zeer’. können is hier de vorm die bij het meervoudige onderwerp die Leute past. Als modaal werkwoord drukt können mogelijkheid of vermogen uit. In een hoofdzin staat het vervoegde modale werkwoord op de tweede zinsplaats en staat het andere werkwoord als infinitief aan het einde: Die Leute können das Gerät teilen — ‘De mensen kunnen het apparaat delen.’ Leute betekent ‘mensen’ en is een meervoudsvorm. Er is geen gewoon enkelvoudig woord Leute met dezelfde betekenis; voor één persoon gebruik je bijvoorbeeld die Person. In deze zin duidt die Leute de mensen aan die het apparaat delen. Gerät betekent ‘apparaat’ of ‘toestel’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Gerät. Het meervoud is die Geräte, met een umlaut. In das Gerät is het woord het lijdend voorwerp; das is hier het bepaalde lidwoord. teilen betekent ‘delen’. In sich das Gerät teilen betekent het dat meerdere mensen één apparaat met elkaar gebruiken of onder elkaar delen. sich is hier het wederkerende voornaamwoord dat bij het onderwerp die Leute hoort. De vorm sich wordt in de derde persoon zowel voor enkelvoud als meervoud gebruikt; alleen de context maakt hier duidelijk dat het om de meervoudige Leute gaat. Voorbeeld: Wir teilen uns ein Zimmer. — ‘Wij delen een kamer.’ ohne dass leidt een bijzin in met de betekenis ‘zonder dat’. In zo’n Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord aan het einde. Het is een andere constructie dan ohne zu plus infinitief: ohne dass ein Streit entsteht bevat een eigen bijzin. Streit betekent ‘ruzie’ of ‘onenigheid’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Streit. In ein Streit staat het onbepaalde lidwoord bij het onderwerp van de bijzin. Dat lidwoord drukt hier niet op zichzelf een specifieke telbare hoeveelheid uit. Voorbeeld: Der Streit ist vorbei. — ‘De ruzie is voorbij.’ entsteht is de derde persoon enkelvoud van entstehen, ‘ontstaan’. De vorm past bij het enkelvoudige onderwerp ein Streit: ein Streit entsteht. Het werkwoord presenteert de ruzie hier als iets dat ontstaat; de zin noemt daarbij geen veroorzaker. Vergelijk: Probleme entstehen schnell. — ‘Problemen ontstaan snel.’ Samen vormt So können die Leute sich das Gerät teilen de betekenis ‘Zo kunnen de mensen het apparaat met elkaar delen’. De bijzin ohne dass ein Streit entsteht voegt de omstandigheid ‘zonder dat er ruzie ontstaat’ toe. De volledige betekenis is: ‘Zo kunnen mensen het apparaat delen zonder dat er ruzie ontstaat.’

Grammatica

ohne ... zu + infinitief

ohne zu warten

oone tsoe varten

zonder te wachten

Gebruik zonder te + werkwoord: in het Duits staat zu vóór het hele werkwoord.

ein anderes + onzijdig zelfstandig naamwoord

ein anderes Gerät

aijn anderes ge-reet

een ander apparaat

Anderes krijgt de uitgang -es omdat Gerät onzijdig is en na ein staat.

Duits woordenschat

benutzen werkwoord
benoetsen gebruiken benutzt
das Gerät zelfstandig naamwoord
das ge-reet het apparaat Gerät
das Laufband zelfstandig naamwoord
das lauwf-bant de loopband Laufband
das Schild zelfstandig naamwoord
das sjilt het bord Schild
fragen werkwoord
fraagen vragen Frag
jemand voornaamwoord
yeemand iemand Jemand
schon seit langer Zeit uitdrukking
sjoon sajt langa tsajt al lange tijd

Jemand benutzt das Laufband schon seit langer Zeit.

sich teilen werkwoord
zich tajlen delen teilen
stehen werkwoord
sjtee-en staan steht
unhöflich bijvoeglijk naamwoord
oen-heuflich onbeleefd
warten werkwoord
varten wachten
wirken werkwoord
virken overkomen wirkt

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

wachten

Antwoord tonenwarten

gebruiken

Antwoord tonenbenutzt

het apparaat

Antwoord tonenGerät

staan

Antwoord tonensteht