In de buurt wonen en naar de les gaan | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: In a language classroom, two adults talk about living nearby and getting to class by bike or bus in different weather..

NL → FR / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met In de buurt wonen en naar de les gaan oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Où habites-tu ?

oe a-bit-tuu Waar woon je?
B

J'habite tout près.

zja-bit toe prè Ik woon hier vlakbij.
A

Comment viens-tu ici ?

ko-mã vjèn-tuu ie-sie Hoe kom je hier?
B

Je vais à vélo les jours ensoleillés.

zjeuh vè aa vee-loo lee zjoer ã-soo-lee-jee Ik fiets op zonnige dagen.
A

Et les jours de pluie ?

ee lee zjoer duh pluu-ie En op regenachtige dagen?
B

Je prends le bus quand il pleut.

zjeuh prã luh buus kã il pluh Ik neem de bus als het regent.

Uitleg van de zinnen

  1. Où habites-tu ?

    Waar woon je?

    Où
    waar
    habites-tu
    woon je
    Uitgebreide uitleg

    Où betekent hier “waar” en vraagt naar een plaats. Het is een vraagwoord; vergelijk où (“waar”) met quand (“wanneer”) en comment (“hoe”). habites-tu bevat de werkwoordsvorm habites en het onderwerp tu. Het werkwoord heeft als basisvorm habiter (“wonen”). habites is de tegenwoordige tijd bij tu: j’habite, tu habites, il/elle habite. De uitgang -es hoort dus bij deze vervoeging en niet bij het onderwerp als zelfstandig woord. In een directe vraag kan het onderwerp na het werkwoord staan: Habites-tu à Paris ? betekent “Woon je in Parijs?” De verbinding met een koppelteken is de gebruikelijke Franse schrijfwijze bij deze inversie. Samen vormen de delen Où + habites-tu de vraag “Waar woon je?”. De tegenwoordige tijd verwijst hier naar de huidige woonplaats. In de gegeven context past als antwoord bijvoorbeeld J’habite tout près. — “Ik woon hier vlakbij.”

  2. J'habite tout près.

    Ik woon hier vlakbij.

    J'habite
    ik woon
    tout près
    vlakbij
    Uitgebreide uitleg

    J'habite betekent hier “ik woon”. Het komt van habiter (“wonen”) en staat in de tegenwoordige tijd, eerste persoon enkelvoud: j'habite. Voor een werkwoord dat met een klinker begint, wordt je vóór die vorm verkort tot j'; de apostrof hoort dus bij de Franse vorm. Voorbeeld: J'habite à Paris. — “Ik woon in Parijs.” tout près betekent “vlakbij” of “heel dichtbij”. près geeft nabijheid aan; tout versterkt die uitdrukking hier. Samen vormt dit een korte bijwoordelijke bepaling van plaats. Voorbeeld: Le café est tout près. — “Het café is vlakbij.” Samen betekent J'habite tout près.: “Ik woon hier vlakbij.” De vorm J'habite noemt de spreker als degene die woont, en tout près zegt dat die woonplaats zeer dichtbij is. In deze context wordt de nabijheid begrepen ten opzichte van de plaats waarover gesproken wordt.

  3. Comment viens-tu ici ?

    Hoe kom je hier?

    Comment
    hoe
    viens-tu
    kom je
    ici
    hier
    Uitgebreide uitleg

    Comment betekent hier “hoe” en vraagt naar de manier waarop iemand ergens komt. Het is een vraagwoord; vergelijk où (“waar”) voor een plaats en quand (“wanneer”) voor een tijdstip. Voorbeeld: Comment viens-tu ? — “Hoe kom je?” viens-tu bevat viens, de tegenwoordige-tijdsvorm van venir (“komen”) voor tu (“je”), gevolgd door het onderwerppronomen tu. In deze directe vraag gebruikt het Frans inversie: werkwoord + pronomen. Vergelijk je viens (“ik kom”) en il vient (“hij komt”); dat zijn andere persoonsvormen van hetzelfde werkwoord. Het koppelteken hoort bij deze schrijfwijze van de inversie. De gewone mededelende volgorde is tu viens (“je komt”). ici betekent “hier” en is een plaatsbijwoord. Het verwijst naar de relevante plaats die als “hier” wordt aangewezen; de vorm verandert niet naar persoon of getal. Een veelgebruikte ruimtelijke tegenstelling is ici (“hier”) tegenover là (“daar”); là-bas betekent specifieker “daar ginds” of “daar verderop”. Samen vormen Comment + viens-tu + ici de vraag “Hoe kom je hier?” De spreker vraagt naar de manier waarop de aangesprokene naar de als “hier” aangewezen plaats komt. De tegenwoordige tijd plaatst de vraag in het heden of bij een gewoonte, maar noemt zelf geen vervoermiddel.

  4. Je vais à vélo les jours ensoleillés.

    Ik fiets op zonnige dagen.

    vais
    ga
    à vélo
    met de fiets
    jours
    dagen
    ensoleillés
    zonnig
    Uitgebreide uitleg

    vais betekent hier “ga” en is de vorm van aller bij je: je vais. Het is tegenwoordige tijd. Aller wordt ook gebruikt voor verplaatsing naar een plaats of op een bepaalde manier. Voorbeeld: Je vais au travail. — “Ik ga naar het werk.” à vélo is een vaste manier om vervoer uit te drukken: “met de fiets” of “per fiets”. Het voorzetsel à staat hier niet voor een bestemming; samen met vélo benoemt het de wijze van verplaatsen. Voorbeeld: Nous allons à vélo. — “Wij gaan met de fiets.” jours is het meervoud van jour, “dag”. Het meervoud wordt hier gevormd met -s: un jour → des jours. In les jours betekent les “de” voor meervoud; de uitdrukking verwijst hier naar dagen in het algemeen, niet naar één specifieke dag. ensoleillés betekent hier “zonnig” en beschrijft jours. Het is het meervoud van het bijvoeglijk naamwoord ensoleillé; de uitgang -s stemt overeen met het meervoud van jours. De vorm is dus niet de vorm van jour, maar van ensoleillé. Voorbeeld: des après-midis ensoleillés — “zonnige middagen.” Samen vormen de delen: Je vais = “ik ga”, à vélo = “met de fiets”, en les jours ensoleillés = “op zonnige dagen”. De hele zin betekent daarom: “Ik fiets op zonnige dagen.” De Franse formulering gebruikt letterlijk “ik ga met de fiets”; in deze context geeft dat dezelfde bedoelde handeling weer.

  5. Et les jours de pluie ?

    En op regenachtige dagen?

    Et
    en
    jours
    dagen
    pluie
    regen
    Uitgebreide uitleg

    Et betekent hier en en koppelt deze korte vervolgvraag aan wat eraan voorafgaat. Het is hetzelfde voegwoord als in andere zinnen waar een extra punt wordt toegevoegd. Voorbeeld: Et demain ? — En morgen?. jours is hier het meervoud van jour, dag: un jour → des jours. Het woord verwijst in deze uitdrukking naar dagen als tijdstippen of omstandigheden. Het meervoud past bij les, dat voor een bepaalde of algemeen bedoelde reeks dagen staat. Voorbeeld: Je travaille trois jours. — Ik werk drie dagen. pluie betekent regen en is een zelfstandig naamwoord; de basisvorm is al pluie. Het is vrouwelijk: la pluie. In de pluie staat het na de als bepaling bij jours. De vaste combinatie jours de pluie betekent regenachtige dagen, letterlijk dagen met regen. Dit is niet hetzelfde als een vorm waarbij pluie als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt. Samen vormen les jours de pluie de tijdsbepaling op regenachtige dagen. Het voegwoord Et maakt er een korte vervolgvraag van: de spreker vraagt wat er geldt of gebeurt op zulke dagen, zonder in deze uiting zelf een onderwerp of werkwoord uit te spreken. De volledige betekenis is dus: En op regenachtige dagen?.

  6. Je prends le bus quand il pleut.

    Ik neem de bus als het regent.

    prends
    neem
    bus
    bus
    quand il pleut
    als het regent
    Uitgebreide uitleg

    prends komt hier van prendre (“nemen”). Het is de tegenwoordige tijd voor je: je prends. De vorm prends hoort dus bij het onderwerp je; bij bijvoorbeeld il staat de vorm prend. Voorbeeld: Je prends le train. — “Ik neem de trein.” bus is het zelfstandig naamwoord voor “bus”. In le bus staat het met het bepaalde lidwoord le; samen betekent dit “de bus”. Voorbeeld: Le bus arrive. — “De bus komt aan.” quand il pleut betekent hier “als het regent”. quand leidt een tijdsbepalende bijzin in: het geeft aan wanneer iets gebeurt. In de weersconstructie il pleut is il een onpersoonlijk onderwerp; het verwijst hier niet naar een bepaalde persoon of naar een zelfstandig naamwoord. pleut komt van pleuvoir (“regenen”) en is de tegenwoordige tijd in de derde persoon enkelvoud. Voorbeeld: Je marche quand il fait beau. — “Ik loop als het mooi weer is.” In de volledige zin is Je het onderwerp en prends de persoonsvorm: “ik neem”. le bus is wat de spreker neemt. De bijzin quand il pleut geeft aan wanneer dat gebeurt. Samen betekent Je prends le bus quand il pleut.: “Ik neem de bus als het regent.”

Grammatica

Habites-tu… ?

Habites-tu tout près ?

a-bit-tuu toe prè

Woon je vlakbij?

Bij een formele Franse vraag staat het werkwoord vóór het onderwerp: habites-tu.

à + vervoermiddel

Je vais à vélo.

zjeuh vè aa vee-loo

Ik ga met de fiets.

Voor vervoer per fiets gebruikt het Frans de vaste uitdrukking à vélo.

Frans woordenschat

à vélo uitdrukking
aa vee-loo met de fiets

Je vais à vélo les jours ensoleillés.

aller werkwoord
a-lee gaan vais

Je vais à vélo les jours ensoleillés.

bus zelfstandig naamwoord
buus bus

Je prends le bus quand il pleut.

ensoleillé bijvoeglijk naamwoord
ã-soo-lee-jee zonnig ensoleillés

les jours ensoleillés

habiter werkwoord
a-bi-tee wonen habites-tu / J'habite

Où habites-tu ? / J'habite tout près.

ici bijwoord
ie-sie hier

Comment viens-tu ici ?

jour zelfstandig naamwoord
zjoer dag jours

les jours ensoleillés / les jours de pluie

pluie zelfstandig naamwoord
pluu-ie regen

les jours de pluie

prendre werkwoord
prãndr nemen prends

Je prends le bus quand il pleut.

tout près bijwoord
toe prè vlakbij

J'habite tout près.

vélo zelfstandig naamwoord
vee-loo fiets

Je vais à vélo les jours ensoleillés.

venir werkwoord
vuh-nier komen viens-tu

Comment viens-tu ici ?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Waar woon je?

Antwoord tonenOù habites-tu ?

Ik woon hier vlakbij.

Antwoord tonenJ'habite tout près.

Hoe kom je hier?

Antwoord tonenComment viens-tu ici ?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

zonnig

Antwoord tonenensoleillés

dag

Antwoord tonenjours

gaan

Antwoord tonenvais

fiets

Antwoord tonenvélo