Gereedschap lenen | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: In a shared space, one person borrows a hammer and a nail for a shelf and agrees where to return the tool..

NL → FR / Niveau: A1

Over deze les

Met Gereedschap lenen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Tu as un marteau que je peux utiliser ?

tuu aa uhn martoo kuh zjeuh peu uutilizee Heb je een hamer die ik kan gebruiken?
B

Utilise celui-ci, mais tiens bien le manche.

uutilizee suh-lwie-sie, mè tjen bjèn luh mangsj Gebruik deze, maar houd het handvat goed vast.
A

J'en ai besoin pour réparer cette étagère.

zjan nè buh-zwèn poor ree-paa-ree set ee-taa-zjèèr Ik heb hem nodig om deze plank te repareren.
B

Tu as aussi besoin de clous ?

tuu aa oo-sie buh-zwèn duh kloe Heb je ook spijkers nodig?
A

Un clou m'aiderait.

uhn kloe mè-dreh Eén spijker zou mij helpen.
B

Ils sont dans la boîte à côté de toi.

iel son dan la bwat aa koo-tee duh twa Ze zitten in de doos naast je.
A

Je vais rendre le marteau quand j'ai fini.

zjeuh vè ran-druh luh martoo kan zjee fie-nie Ik breng de hamer terug als ik klaar ben.
B

Laisse-le ici avec les autres outils quand tu as fini.

lèss-luh ie-sie a-vek lee zotr oe-tie kan tuu aa fie-nie Laat hem hier bij het andere gereedschap liggen als je klaar bent.

Woord voor woord

Tu “Tu” betekent hier “jij” en is de persoon tot wie A zich richt in “Tu as”. Het staat als onderwerp vóór de werkwoordsvorm “as”. Gebruik “Tu” in een directe vraag aan één persoon.
as “As” betekent hier “hebt” in “Tu as un marteau”. Het is de vorm van “avoir” die bij “Tu” hoort. Een veelgebruikt patroon is “Tu as + zelfstandig naamwoord?” om te vragen of iemand iets heeft.
un “Un” betekent hier “een” in “un marteau” en “één” in “Un clou”. Het staat vóór een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord. Gebruik “un” bijvoorbeeld in de combinatie “un marteau” wanneer je naar één hamer verwijst.
marteau “Marteau” betekent hier “hamer” in “un marteau”. Het woord verwijst naar het gereedschap dat A wil gebruiken en later terugbrengen. Een veelgebruikt patroon is “un marteau” voor één hamer.
que “Que” betekent hier “die” en leidt in “que je peux utiliser” een bijzin in die extra informatie geeft over “un marteau”. Het verbindt het genoemde voorwerp met wat je ermee kunt doen. Een herbruikbaar patroon is “un objet que je peux utiliser” voor een voorwerp dat je kunt gebruiken.
je “Je” betekent hier “ik” en is het onderwerp van “je peux utiliser”. Het verwijst naar de spreker die het gereedschap wil gebruiken. Gebruik “je” vóór een werkwoord wanneer je over jezelf spreekt.
peux “Peux” betekent hier “kan” in “je peux utiliser” en drukt uit dat de spreker iets kan gebruiken. Het is een vorm van “pouvoir” bij “je” en wordt gevolgd door het hele werkwoord “utiliser”. Een vast patroon is “je peux + infinitief” om een mogelijkheid of vaardigheid uit te drukken.
utiliser “Utiliser” betekent hier “gebruiken” in “je peux utiliser”. Het staat na “peux” als de handeling die mogelijk is. Gebruik na “je peux” een werkwoord in deze vorm, zoals in “je peux utiliser”.
Utilise “Utilise” betekent hier “gebruik” in de opdracht “Utilise celui-ci”. Het is gericht aan één persoon en verwijst naar het gekozen voorwerp. Gebruik “Utilise + voorwerp” wanneer je iemand zegt iets te gebruiken.
celui-ci “Celui-ci” betekent hier “deze hier” of “dit exemplaar” en verwijst naar de hamer die B aanwijst. Het vervangt in “Utilise celui-ci” het zelfstandig naamwoord voor het voorwerp. Gebruik deze vorm om naar een specifiek mannelijk enkelvoudig voorwerp in de buurt te wijzen.
mais “Mais” betekent hier “maar” en maakt een tegenstelling tussen “Utilise celui-ci” en de instructie “tiens bien le manche”. Het verbindt twee delen van dezelfde mededeling. Gebruik “mais” om na een eerste mededeling een beperking of aanvullende tegenstelling te geven.
tiens “Tiens” betekent hier “houd vast” in “tiens bien le manche”. Het geeft een directe instructie om het handvat vast te houden. Gebruik “tiens + voorwerp” in een opdracht aan één persoon, zoals in “tiens le manche”.
bien “Bien” betekent hier “goed” of “stevig” en geeft in “tiens bien le manche” aan hoe het handvat moet worden vastgehouden. Het hoort bij de handeling “tiens” en beschrijft de manier waarop die gebeurt. Gebruik “bien” na een werkwoord om aan te geven dat iets goed of zorgvuldig gebeurt.
le “Le” betekent hier “het” in “le manche”. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord waar B naar verwijst. Gebruik “le” vóór een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer het om een bepaald voorwerp gaat.
manche “Manche” betekent hier “handvat” in “le manche”, het deel van de hamer dat je vasthoudt. In deze context gaat het niet om het hele gereedschap, maar om het handvat. Een herbruikbare combinatie is “tenir le manche” voor het handvat vasthouden.
J'en “J'en” bestaat hier uit “je” en “en” in “J'en ai besoin”. Samen verwijst het naar de hamer die A nodig heeft, zonder “le marteau” opnieuw te noemen. Gebruik “J'en ai besoin” wanneer je zegt dat je iets nodig hebt dat al uit de context bekend is.
ai “Ai” betekent hier “heb” in “J'en ai besoin”. Het is de vorm van “avoir” bij “je” en vormt samen met “besoin” de uitdrukking voor iets nodig hebben. Een vast patroon is “j'ai besoin de + zelfstandig naamwoord” om een behoefte te noemen.
besoin “Besoin” betekent hier “behoefte” en maakt in “avoir besoin de” de betekenis “nodig hebben”. In deze zin wordt “de” vervangen door “en” in “J'en ai besoin”, omdat het bedoelde voorwerp al bekend is. Gebruik “avoir besoin de + iets” om te zeggen wat je nodig hebt.
pour “Pour” betekent hier “om te” en introduceert in “pour réparer cette étagère” het doel van de hamer. Het wordt hier gevolgd door het werkwoord “réparer”. Gebruik “pour + infinitief” om het doel van een handeling uit te drukken.
réparer “Réparer” betekent hier “repareren” in “pour réparer cette étagère”. Het benoemt het doel waarvoor A de hamer nodig heeft. Gebruik na “pour” een infinitief wanneer je uitlegt waarvoor iets dient.
cette “Cette” betekent hier “deze” in “cette étagère” en wijst de plank aan die in de situatie bedoeld wordt. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord “étagère”. Gebruik “cette” vóór een vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord om naar een bepaalde zaak te verwijzen.
étagère “Étagère” betekent hier “plank” in “cette étagère”, het voorwerp dat A wil repareren. Het woord verwijst in deze dialoog naar een plank of schap. Een herbruikbare combinatie is “réparer cette étagère” voor deze plank repareren.
aussi “Aussi” betekent hier “ook” in “Tu as aussi besoin de clous ?”. Het voegt spijkers toe aan de eerder genoemde hamer als mogelijk benodigd materiaal. Gebruik “aussi” om extra informatie aan een vraag of mededeling toe te voegen.
de “De” maakt in “besoin de clous” deel uit van de vaste combinatie “avoir besoin de” voor “spijkers nodig hebben”. Het verbindt “besoin” met datgene wat nodig is. Gebruik “avoir besoin de + zelfstandig naamwoord” om het benodigde voorwerp te noemen.
clous “Clous” betekent hier “spijkers” in “besoin de clous”. Het verwijst naar meerdere spijkers die bij het repareren kunnen helpen. Gebruik “de clous” na “avoir besoin de” wanneer je spijkers nodig hebt.
clou “Clou” betekent hier “spijker” in “Un clou”. Het verwijst naar één afzonderlijke spijker die A vraagt. Gebruik “un clou” om één spijker te noemen.
m'aiderait “M'aiderait” betekent hier “zou me helpen” in “Un clou m'aiderait”. “M'” verwijst naar A als degene die hulp zou krijgen, en “aiderait” drukt uit dat één spijker nuttig zou zijn. Gebruik “... m'aiderait” om beleefd of voorzichtig te zeggen dat iets voor jou van nut zou zijn.
Ils “Ils” betekent hier “ze” en verwijst in “Ils sont dans la boîte” naar de spijkers uit de vorige zin. Het staat als onderwerp vóór “sont”. Gebruik “ils” om naar een groep mannelijke personen of zaken te verwijzen die al genoemd zijn.
sont “Sont” betekent hier “zijn” in “Ils sont dans la boîte”. Het is de vorm van “être” die bij “ils” hoort en beschrijft waar de spijkers zich bevinden. Een veelgebruikt patroon is “ils sont + plaatsbepaling” om de locatie van meerdere zaken te geven.
dans “Dans” betekent hier “in” in “dans la boîte”. Het geeft aan dat de spijkers zich binnen de doos bevinden. Gebruik “dans + plaats” om een locatie binnen iets te beschrijven.
la “La” betekent hier “de” in “la boîte”. Het staat vóór het vrouwelijke enkelvoudige zelfstandig naamwoord “boîte” en verwijst naar een bepaalde doos. Gebruik “la” vóór een bepaald vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord.
boîte “Boîte” betekent hier “doos” in “la boîte”. Het is de plaats waarin de spijkers liggen. Een herbruikbare combinatie is “dans la boîte” voor in de doos.
à “À” maakt hier deel uit van de vaste plaatsaanduiding “à côté de toi”, die “naast jou” betekent. Het draagt samen met “côté” en “de” de betekenis van nabijheid. Gebruik de volledige uitdrukking “à côté de + persoon of zaak” om te zeggen dat iets ernaast staat.
côté “Côté” betekent hier “kant” in de uitdrukking “à côté de toi”. De volledige uitdrukking geeft aan dat de doos naast de aangesproken persoon staat. Gebruik “à côté de + persoon of zaak” voor een plaats direct ernaast of in de buurt.
toi “Toi” betekent hier “jou” in “à côté de toi”. Het staat na “de” in deze vaste plaatsbepaling en verwijst naar de aangesproken persoon. Gebruik “à côté de toi” om te zeggen dat iets naast jou staat.
vais “Vais” betekent hier niet alleen “ga”, maar vormt met “je” en “rendre” de constructie “Je vais rendre” voor “ik ga terugbrengen”. Het is een vorm van “aller” die hier een voorgenomen toekomstige handeling inleidt. Gebruik “je vais + infinitief” voor iets wat je van plan bent te doen.
rendre “Rendre” betekent hier “terugbrengen” in “Je vais rendre le marteau”. Het benoemt de handeling die A later met de hamer zal uitvoeren. Gebruik “rendre + voorwerp” wanneer je iets aan de eigenaar of de afgesproken plaats teruggeeft.
quand “Quand” betekent hier “wanneer” of “als” in “quand j'ai fini”. Het leidt de tijdsbepaling in die zegt op welk moment A de hamer terugbrengt. Gebruik “quand + zin” om een handeling aan een moment te koppelen.
j'ai “J'ai” betekent hier “ik heb” in “j'ai fini”, maar de volledige uitdrukking geeft aan dat A klaar is. Het bestaat uit “je” en de vorm “ai” van “avoir”. Gebruik “quand j'ai fini” om te zeggen wanneer je klaar bent met een taak.
fini “Fini” betekent hier “klaar” of “afgelopen” in “j'ai fini”. Het geeft aan dat de handeling van de spreker voltooid is. Gebruik “j'ai fini” om te zeggen dat je klaar bent.
Laisse-le “Laisse-le” betekent hier “laat hem” of “laat het” in “Laisse-le ici”. “Laisse” geeft de opdracht en “-le” verwijst naar de hamer die teruggelegd moet worden. Gebruik “Laisse-le + plaats” wanneer je iemand zegt een eerder genoemd voorwerp ergens achter te laten.
ici “Ici” betekent hier “hier” in “Laisse-le ici”. Het wijst naar de plaats waar de hamer moet worden achtergelaten. Gebruik “ici” om naar de plaats van de spreker of de aangewezen plek te verwijzen.
avec “Avec” betekent hier “met” in “avec les autres outils”. Het geeft aan dat de hamer samen met het andere gereedschap moet liggen. Gebruik “avec + zelfstandig naamwoord” om aan te geven dat zaken samen zijn.
les “Les” betekent hier “de” in “les autres outils”. Het staat vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord “outils” en verwijst naar het bekende gereedschap. Gebruik “les” vóór bepaalde meervoudige personen of zaken.
autres “Autres” betekent hier “andere” in “les autres outils”. Het onderscheidt het overige gereedschap van de hamer die wordt teruggelegd. Gebruik “les autres + meervoudig zelfstandig naamwoord” voor de overige zaken binnen een groep.
outils “Outils” betekent hier “gereedschap” in “les autres outils”. Het verwijst naar de andere hulpmiddelen die samen met de hamer op dezelfde plaats liggen. Gebruik “les autres outils” om naar het overige gereedschap te verwijzen.

Grammatica

avoir besoin de + infinitif

J'ai besoin de réparer l'étagère.

zjee buh-zwèn duh ree-paa-ree lee-taa-zjèèr

Ik moet de plank repareren.

Na « avoir besoin de » volgt een zelfstandig naamwoord of een infinitief met « de ».

m'aiderait

Celui-ci m'aiderait à réparer l'étagère.

suh-lwie-sie mè-dreh aa ree-paa-ree lee-taa-zjèèr

Deze hier zou me helpen de plank te repareren.

« m'aiderait » is de conditionnel: het drukt een mogelijkheid of voorwaarde uit.

Frans woordenschat

à côté de voorzetsel
aa koo-tee duh naast
aider werkwoord
ee-dee helpen m'aiderait
avoir besoin de uitdrukking
a-vwaar buh-zwèn duh nodig hebben
boîte zelfstandig naamwoord
bwat doos
celui-ci voornaamwoord
suh-lwie-sie deze hier
clou zelfstandig naamwoord
kloe spijker clous
étagère zelfstandig naamwoord
ee-taa-zjèèr plank
manche zelfstandig naamwoord
mangsj handvat
marteau zelfstandig naamwoord
martoo hamer
réparer werkwoord
ree-paa-ree repareren
tenir werkwoord
tuh-neer vasthouden tiens
utiliser werkwoord
uu-ti-li-zee gebruiken utilise

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Eén spijker zou mij helpen.

Antwoord tonenUn clou m'aiderait.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

plank

Antwoord tonenétagère

handvat

Antwoord tonenmanche

hamer

Antwoord tonenmarteau

spijker

Antwoord tonenclous