Basisbegrip en kennis | Leer deens in het Nederlands

Danish lesson set in a contemporary Copenhagen everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic understanding and knowledge..

NL → DA / Niveau: A1

Over deze les

Met Basisbegrip en kennis oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het deens.

Dialoog

A

Jeg forstår det nu.

jaj foh-stoh deh noe. Ik begrijp het nu.
B

Jeg forstår det ikke.

jaj foh-stoh deh ek-ke. Ik begrijp het niet.
A

Jeg ved det ikke.

jaj vee deh ek-ke. Ik weet het niet.
B

Hvad mener du?

veh mee-nuh doe? Wat bedoel je?
A

Forstår du mig?

foh-stoh doe mai? Begrijp je me?
B

Kender du ham?

ken-nuh doe hem? Ken je hem?

Uitleg van de zinnen

  1. Jeg forstår det nu.

    Ik begrijp het nu.

    Jeg
    ik
    forstår
    begrijp
    det
    het
    nu
    nu
    Uitgebreide uitleg

    Jeg betekent hier ‘ik’ en verwijst naar de spreker. Het is de vorm voor de eerste persoon enkelvoud als onderwerp. In een andere grammaticale rol gebruikt het Deens bijvoorbeeld mig, zoals in Hun ser mig. — ‘Zij ziet mij.’ forstår is de tegenwoordige vorm van forstå, ‘begrijpen’. Hier betekent het ‘begrijp’. Deense werkwoorden veranderen in de tegenwoordige tijd niet naar persoon of getal: jeg forstår en de forstår gebruiken dezelfde werkwoordsvorm. Een bruikbaar voorbeeld is Jeg forstår spørgsmålet. — ‘Ik begrijp de vraag.’ det betekent hier ‘het’. Het is een voornaamwoord voor een onzijdig enkelvoudig referent; uit deze vorm alleen blijkt niet precies waarnaar het verwijst. De vaste vertaling bevestigt de betekenis ‘het’, maar identificeert geen concreet referent. nu betekent ‘nu’ en plaatst het begrijpen in het huidige moment. Het is een bijwoord en verandert niet mee met de andere woorden. Samen vormen Jeg forstår det nu. de betekenis ‘Ik begrijp het nu.’ De zin heeft hier de volgorde onderwerp + werkwoord + voornaamwoordelijk object + tijdsbepaling: de spreker zegt dat het begrijpen op dit moment plaatsvindt.

  2. Jeg forstår det ikke.

    Ik begrijp het niet.

    Jeg
    ik
    forstår
    begrijp
    det
    het
    ikke
    niet
    Uitgebreide uitleg

    Jeg betekent hier “ik”. Het is de eerste persoon enkelvoud: de spreker verwijst naar zichzelf. In een andere persoon verandert het voornaamwoord, bijvoorbeeld du voor “jij”. forstår is de tegenwoordige tijd van forstå, “begrijpen”. De vorm staat bij jeg in de tegenwoordige tijd; in het Deens verandert het werkwoord hier niet naar persoon of getal. Voorbeeld: Jeg forstår spørgsmålet. — “Ik begrijp de vraag.” det is hier het onzijdige enkelvoudige voornaamwoord met de betekenis “het”. Het verwijst naar datgene wat begrepen wordt, zonder dat de zin zelf een specifiek zelfstandig naamwoord noemt. Hetzelfde woord kan in een andere context ook naar een onzijdig zelfstandig naamwoord of naar een hele mededeling verwijzen; hier ondersteunt de vaste vertaling de lezing “het”. ikke betekent “niet” en maakt de mededeling negatief. In deze zin staat het na het werkwoord en het voornaamwoord. Voorbeeld: Jeg forstår det. — “Ik begrijp het.” Met ikke wordt dat Jeg forstår det ikke. — “Ik begrijp het niet.” Samen vormen Jeg forstår det en ikke de betekenis “Ik begrijp het niet”: de spreker is degene die begrijpt, det is wat begrepen wordt, en ikke ontkent dat begrip. De zin staat in de tegenwoordige tijd. De vorm forstår laat zien dat het om “begrijpen” gaat; in een vergelijkbare negatieve zin kan een ander werkwoord staan, zoals Jeg ved det ikke. — “Ik weet het niet.”

  3. Jeg ved det ikke.

    Ik weet het niet.

    Jeg
    ik
    ved
    weet
    det
    het
    ikke
    niet
    Uitgebreide uitleg

    Jeg betekent hier ik: de eerste persoon enkelvoud. Het is de vorm voor de spreker, ongeacht het geslacht van die persoon. ved is de tegenwoordige tijd van vide (weten): vide → ved. Het onderwerp is hier Jeg, dus de zin betekent letterlijk dat de spreker iets weet. Voorbeeld: Jeg ved det. — Ik weet het. det is hier het onzijdige enkelvoudige voornaamwoord het. De vaste vertaling maakt duidelijk dat het verwijst naar de zaak waarover de spreker niets weet; de precieze zaak wordt in deze zin niet genoemd. In Jeg forstår det ikke heeft det dezelfde soort verwijzende rol: Ik begrijp het niet. ikke is de gewone ontkenning: niet. In deze zin ontkent het de bewering Jeg ved det; samen met ved geeft het dus weet ... niet weer. De delen bouwen de zin van links naar rechts op: Jeg (ik) + ved (weet) + det (het) + ikke (niet). Samen betekent Jeg ved det ikke.: Ik weet het niet. De zin is een eenvoudige ontkenning in de tegenwoordige tijd.

  4. Hvad mener du?

    Wat bedoel je?

    Hvad
    wat
    mener
    bedoelt
    du
    je
    Uitgebreide uitleg

    Hvad betekent hier “wat” en vraagt naar de inhoud of bedoeling. Het is een vraagwoord; vergelijk hvem = “wie” wanneer je naar een persoon vraagt. mener komt van mene en betekent hier “bedoelen”. Dit is de tegenwoordige tijd. De werkwoordsvorm verandert niet naar persoon of getal: jeg mener, du mener en de mener gebruiken allemaal mener. du betekent “je/jij” en is de tweede persoon enkelvoud voor de aangesprokene. In het moderne Deens wordt du algemeen gebruikt; deze vorm markeert niet op zichzelf een formeel-informeel onderscheid. Het is het onderwerp van mener. Samen vormen deze delen de vraag “Wat bedoel je?”. De volgorde is vraagwoord + werkwoord + onderwerp: Hvad mener du?. De vraag vraagt naar de betekenis of bedoeling van de aangesprokene.

  5. Forstår du mig?

    Begrijp je me?

    Forstår
    begrijpt
    du
    je / jij
    mig
    me / mij
    Uitgebreide uitleg

    Forstår betekent hier ‘begrijpt’. Het is de tegenwoordige tijd van forstå (‘begrijpen’). In het Deens verandert de tegenwoordige tijd van dit werkwoord niet naar persoon of getal: jeg forstår, du forstår en de forstår. Voorbeeld: Jeg forstår dansk. — ‘Ik begrijp Deens.’ du is de gewone onderwerpsvorm voor één aangesproken persoon: ‘je/jij’. Het staat hier vóór het object en is degene die begrijpt. De vorm maakt geen onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk. In formele situaties bestaat ook De, maar du is de gewone aanspreekvorm voor één persoon. mig is de objectsvorm van het persoonlijke voornaamwoord voor de spreker: ‘me/mij’. Het verwijst hier naar de spreker en is degene die begrepen wordt. Vergelijk de onderwerpsvorm jeg (‘ik’) met de objectsvorm mig (‘me/mij’). Voorbeeld: Hun ser mig. — ‘Zij ziet mij.’ Samen vormen de woorden Forstår du mig? een ja-neevraag: ‘Begrijp je me?’ De volgorde is werkwoord + onderwerp + object; het vraagteken maakt er een directe vraag van. De vraag gaat over begrip van de spreker, zonder verdere informatie over wat precies begrepen moet worden.

  6. Kender du ham?

    Ken je hem?

    Kender
    kennen
    du
    je/jij
    ham
    hem
    Uitgebreide uitleg

    Kender is de tegenwoordige tijd van het Deense werkwoord kende (“kennen”). De werkwoorden veranderen in de tegenwoordige tijd niet naar persoon: jeg kender, du kender en de kender hebben allemaal kender. Het verleden van kende is kendte. Voorbeeld: Jeg kender hende. — “Ik ken haar.” du betekent hier “je/jij” en is de onderwerpsvorm voor de aangesprokene. Het is de tweede persoon enkelvoud; het Deens gebruikt hiervoor normaal du, zonder het Nederlandse onderscheid tussen informeel je en formeel u. Het meervoud is I, niet du. ham is de Deense objectsvorm met de betekenis “hem”. Volgens de vaste vertaling verwijst het hier naar de mannelijke persoon die de aangesprokene kent. De onderwerpsvorm is han (“hij”): Han kender mig. — “Hij kent mij.” In de vraag staat eerst het werkwoord Kender, daarna het onderwerp du en vervolgens het object ham. Het patroon is werkwoord + onderwerp + object, een gebruikelijke woordvolgorde voor een Deense ja-neevraag. Samen betekent Kender du ham?: “Ken je hem?”

Grammatica

jeg/du + verb

Jeg forstår, og du forstår.

jaj foh-stoh, oh doe foh-stoh.

Ik begrijp het, en jij begrijpt het.

De tegenwoordige tijd heeft dezelfde werkwoordsvorm bij jeg en du: jeg forstår, du forstår.

hvad + verb + du

Hvad mener du?

veh mee-nuh doe?

Wat bedoel je?

Na het vraagwoord hvad staat het werkwoord vóór du: Hvad mener du?

Deens woordenschat

det voornaamwoord
deh het

Jeg forstår det nu.

du voornaamwoord
doe je

Hvad mener du?

forstå werkwoord
foh-stoh begrijpen forstår

Jeg forstår det nu.

ham voornaamwoord
hem hem

Kender du ham?

hvad voornaamwoord
veh wat

Hvad mener du?

ikke bijwoord
ek-ke niet

Jeg forstår det ikke.

jeg voornaamwoord
jaj ik

Jeg forstår det nu.

kende werkwoord
ken-nuh kennen kender

Kender du ham?

mene werkwoord
mee-nuh bedoelen mener

Hvad mener du?

mig voornaamwoord
mai mij

Forstår du mig?

nu bijwoord
noe nu

Jeg forstår det nu.

vide werkwoord
vee-uh weten ved

Jeg ved det ikke.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik begrijp het nu.

Antwoord tonenJeg forstår det nu.

Ik begrijp het niet.

Antwoord tonenJeg forstår det ikke.

Ik weet het niet.

Antwoord tonenJeg ved det ikke.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

bedoelen

Antwoord tonenmener

kennen

Antwoord tonenkender

begrijpen

Antwoord tonenforstår

niet

Antwoord tonenikke