Vragen over plaats en tijd | Leer deens in het Nederlands

Danish lesson set in a contemporary Copenhagen everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic place and time questions..

NL → DA / Niveau: A1

Over deze les

Met Vragen over plaats en tijd oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het deens.

Dialoog

A

Hvor er det?

voo-ah è-ah dee Waar is het?
B

Hvor er du?

voo-ah è-ah duu Waar ben je?
A

Hvad skete der her?

vè skee-duh dè-ah hè-ah Wat is hier gebeurd?
B

Hvad er klokken?

vè è-ah klok-uh(n) Hoe laat is het?
A

Hvornår kommer du?

vo-noo kom-uh duu Wanneer kom je?
B

Hvorfor er du forsinket?

voo-fo è-ah duu fo-seng-uhd Waarom ben je te laat?

Woord voor woord

Hvor “Hvor” betekent hier “waar” en wordt gebruikt om naar een plaats te vragen. Het staat in de vragen “Hvor er det?” en “Hvor er du?”. Een veelgebruikt patroon is “Hvor er …?” voor de vraag waar iets of iemand is.
er “er” betekent hier “is” of “ben” en is de vorm van het werkwoord voor “zijn” in deze vragen. In “Hvor er det?” verwijst het naar “het is”, en in “Hvor er du?” naar “jij bent”. Het staat na het vraagwoord in deze vraagstructuur.
det “det” betekent hier “het” en verwijst naar iets waarvan de plaats wordt gevraagd in “Hvor er det?”. Het staat na “er” in deze vraag. Een herbruikbaar patroon is “Hvor er det?” wanneer je naar de plaats van iets vraagt.
du “du” betekent “jij” en verwijst naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld in “Hvor er du?”. Het staat na “er” in deze vraag. Je gebruikt “du” wanneer je één gesprekspartner rechtstreeks aanspreekt.
Hvad “Hvad” betekent “wat” en vraagt naar een gebeurtenis of zaak. In “Hvad skete der her?” vraagt het wat er op deze plaats is gebeurd, en in “Hvad er klokken?” maakt het deel uit van de vraag naar de tijd. Een veelgebruikt patroon is “Hvad er …?” om naar informatie over iets te vragen.
skete “skete” betekent hier “gebeurde” in de vraag “Hvad skete der her?”. De vorm verwijst naar de gebeurtenis waarnaar gevraagd wordt. Je gebruikt deze vorm in een vraag over iets dat al gebeurd is, bijvoorbeeld in “Hvad skete der …?”. “Hvad skete der …?” is een herbruikbaar patroon voor vragen naar wat er is gebeurd.
der “der” hoort in “Hvad skete der her?” bij de formulering waarmee je vraagt wat er gebeurde; het verwijst hier niet naar een apart genoemde plaats, omdat “her” de plaats “hier” aangeeft. Samen vormt het een natuurlijke vraag naar een gebeurtenis. Een herbruikbaar patroon is “Hvad skete der …?” voor “Wat gebeurde er …?”.
her “her” betekent “hier” en geeft in “Hvad skete der her?” de plaats van de gebeurtenis aan. Het staat aan het einde van de vraag. Je gebruikt “her” om naar de huidige of aangewezen plaats te verwijzen.
klokken “klokken” betekent hier “de klok” en komt in “Hvad er klokken?” voor in de vaste vraag naar de tijd. De hele uitdrukking vraagt hoe laat het is; de betekenis komt dus uit de volledige vraag, niet alleen uit “klokken”. Gebruik “Hvad er klokken?” als je iemand naar de huidige tijd vraagt.
Hvornår “Hvornår” betekent “wanneer” en vraagt naar een tijdstip. In “Hvornår kommer du?” vraagt het wanneer de aangesprokene zal komen. Een herbruikbaar patroon is “Hvornår kommer …?” om te vragen wanneer iemand aankomt of komt.
kommer “kommer” betekent hier “komt” in “Hvornår kommer du?”. Het beschrijft de komst van de aangesprokene en staat na het vraagwoord. Je gebruikt “kommer” in vragen of mededelingen over iemand die ergens naartoe komt.
Hvorfor “Hvorfor” betekent “waarom” en vraagt naar een reden. In “Hvorfor er du forsinket?” vraagt het waarom iemand te laat of vertraagd is. Een herbruikbaar patroon is “Hvorfor er …?” om naar de reden van een toestand te vragen.
forsinket “forsinket” betekent hier “te laat” of “vertraagd” in “Hvorfor er du forsinket?”. Het beschrijft de toestand van de aangesprokene samen met “er”. Je gebruikt “forsinket” bijvoorbeeld wanneer iemand later komt dan verwacht.

Grammatica

Spørgeord + verbum + subjekt

Hvorfor er du forsinket?

voo-fo è-ah duu fo-seng-uhd

Waarom ben je te laat?

In een Deense vraag staat het vraagwoord vooraan, gevolgd door het werkwoord en daarna het onderwerp.

Deens woordenschat

der bijwoord
dè-ah daar
det voornaamwoord
dee het
du voornaamwoord
duu je / jij
er werkwoord
è-ah is / bent
her bijwoord
hè-ah hier
hvad voornaamwoord
wat
hvor bijwoord
voo-ah waar
hvorfor bijwoord
voo-fo waarom
hvornår bijwoord
vo-noo wanneer
klokken zelfstandig naamwoord
klok-uh(n) de klok
kommer werkwoord
kom-uh komt
skete werkwoord
skee-duh gebeurde

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Waar is het?

Antwoord tonenHvor er det?

Waar ben je?

Antwoord tonenHvor er du?

Wat is hier gebeurd?

Antwoord tonenHvad skete der her?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

de klok

Antwoord tonenklokken

wat

Antwoord tonenhvad

waar

Antwoord tonenhvor

gebeurde

Antwoord tonenskete