Hebben en kunnen | Leer deens in het Nederlands

Danish lesson set in a contemporary Copenhagen everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic possession and ability..

NL → DA / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Hebben en kunnen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het deens.

Dialoog

A

Jeg har denne.

jai haa denuh Ik heb deze.
B

Jeg har den ikke.

jai haa deen eguh Ik heb het niet.
A

Jeg kan gøre det.

jai ken keuruh dee Ik kan het doen.
B

Jeg kan ikke gøre det.

jai ken eguh keuruh dee Ik kan het niet doen.
A

Kan du hjælpe mig?

ken doe jelbuh mai? Kun je me helpen?
B

Kan du gøre dette?

ken doe keuruh deduh? Kun je dit doen?

Uitleg van de zinnen

  1. Jeg har denne.

    Ik heb deze.

    Jeg
    ik
    har
    heb
    denne
    deze
    Uitgebreide uitleg

    Jeg betekent hier ‘ik’: de spreker verwijst naar zichzelf. Het is de eerste persoon enkelvoud. In het Deens staat bijvoorbeeld jeg in Jeg har ... voor de persoon die iets bezit of bij zich heeft. har is de tegenwoordige tijd van have (‘hebben’): have → har. De vorm har blijft in de tegenwoordige tijd gelijk bij verschillende personen, bijvoorbeeld jeg har (‘ik heb’) en du har (‘jij hebt’). In deze zin drukt het werkwoord bezit of beschikbaarheid uit. denne betekent hier ‘deze’ en verwijst naar één concreet aangeduid ding. Het is een aanwijzend woord voor enkelvoud en staat zelfstandig in deze uiting; het vervangt dus het bedoelde zelfstandig naamwoord. In het Deens bestaan ook andere aanwijzende vormen, zoals dette en disse, maar de juiste vorm hangt af van de grammaticale kenmerken van het bedoelde zelfstandig naamwoord. Samen vormen Jeg har denne. de eenvoudige structuur Jeg + har + denne: ‘Ik heb deze.’ De uiting zegt dat de spreker deze bedoelde zaak heeft of bij zich heeft. Denne maakt duidelijk dat het om een specifiek aangewezen exemplaar gaat.

  2. Jeg har den ikke.

    Ik heb het niet.

    Jeg
    ik
    har
    heb
    den
    het
    ikke
    niet
    Uitgebreide uitleg

    Jeg betekent hier “ik” en is de eerste persoon enkelvoud. Het is de vorm voor de spreker; vergelijk in een ander voorbeeld Du har ... (“Jij hebt ...”), waar het onderwerp verandert. har is de tegenwoordige tijd van have (“hebben”): jeg har = “ik heb”. De vorm har wordt ook bij andere personen in de tegenwoordige tijd gebruikt, bijvoorbeeld Hun har ... (“Zij heeft ...”). den is hier een enkelvoudig objectpronomen met de betekenis “het” in de vaste vertaling. In het Deens hangt de keuze tussen den en det samen met het grammaticale geslacht van het bedoelde woord; de beschikbare context identificeert dat bedoelde woord niet verder. In Jeg har denne. staat een verwante aanwijzende vorm met de betekenis “deze”, maar dat maakt den niet automatisch tot een aanwijzer in deze zin. ikke is de gewone ontkenning: “niet”. In deze zin ontkent het de combinatie met har, zodat Jeg har ... ikke in de gegeven woordvolgorde betekent dat de spreker het bedoelde object niet heeft. Samen vormen de delen de mededeling “Ik heb het niet.” De zinsbouw is onderwerp + werkwoord + objectpronomen + ontkenning: Jeg har den ikke.

  3. Jeg kan gøre det.

    Ik kan het doen.

    Jeg kan
    ik kan
    gøre
    doen
    det
    het
    Uitgebreide uitleg

    Jeg kan betekent hier: “ik kan”. Jeg is de eerste persoon enkelvoud van “ik”. kan is de tegenwoordige vorm van kunne (“kunnen”); deze vorm wordt in het Deens niet aangepast aan de persoon: bijvoorbeeld du kan = “jij kunt” en vi kan = “wij kunnen”. Na kan staat een werkwoord in de infinitief, zonder at. gøre betekent hier “doen”. Dit is de infinitief van gøre; na een modaal werkwoord zoals kan blijft deze vorm staan. Voorbeeld: Jeg kan svømme. — “Ik kan zwemmen.” det betekent hier “het” en is het object van gøre. De vorm is een Deens onzijdig enkelvoudig voornaamwoord; in deze zin wordt niet nader benoemd waarnaar het verwijst. Het is dus niet nodig om er een specifiek zelfstandig naamwoord aan te koppelen. Samen vormen de delen Jeg kan + gøre + det: “Ik kan het doen.” De zin is bevestigend. In de verwante zin Jeg kan ikke gøre det voegt ikke de ontkenning “niet” toe; in de vaste zin staat die ontkenning niet.

  4. Jeg kan ikke gøre det.

    Ik kan het niet doen.

    Jeg kan
    ik kan
    ikke
    niet
    gøre
    doen
    det
    het
    Uitgebreide uitleg

    Jeg kan: Jeg betekent “ik” en verwijst hier naar de spreker. kan is de tegenwoordige vorm van het modale werkwoord kunne (“kunnen”); het drukt hier vermogen of mogelijkheid uit. Na kan staat het volgende werkwoord in de infinitief, zonder een extra infinitiefmarkeerder. Voorbeeld: Jeg kan svømme. — “Ik kan zwemmen.” ikke: Dit is de gewone ontkenning “niet”. In deze zin staat ikke na het modale werkwoord kan en vóór het hoofdwerkwoord gøre: kan ikke gøre. Daardoor wordt de mogelijkheid om de handeling uit te voeren ontkend. gøre: Dit is de infinitief van gøre, “doen”. De vorm blijft hier infinitief omdat hij volgt op kan. Voorbeeld: Jeg vil gøre det. — “Ik wil het doen.” Na een ander modaal werkwoord blijft ook daar gøre de infinitief. det: Dit voornaamwoord betekent hier “het” en is het object van gøre. De ene zin benoemt niet precies waarnaar det verwijst. Voorbeeld: Jeg kan se det. — “Ik kan het zien.” Samen vormen de delen Jeg kan ikke gøre det: onderwerp “ik” + mogelijkheid “kan” + ontkenning “niet” + infinitief “doen” + object “het”. De volledige betekenis is dus: “Ik kan het niet doen.” De formulering contrasteert rechtstreeks met Jeg kan gøre det — “Ik kan het doen.”

  5. Kan du hjælpe mig?

    Kun je me helpen?

    Kan du
    kun je
    hjælpe
    helpen
    mig
    me
    Uitgebreide uitleg

    Kan du is hier een korte vraagconstructie: kan is de tegenwoordige tijd van kunne (“kunnen”) voor onder andere jeg, du en han/hun; de vorm blijft in deze personen hetzelfde. du betekent “jij/je” en is hier het onderwerp. In een ja-neevraag staat de persoonsvorm vóór het onderwerp: Kan du ...? = “Kun je ...?” Vergelijk als voorbeeld: Kan du gøre dette? — “Kun je dit doen?” hjælpe betekent hier “helpen”. Dit is de infinitief, die na kan staat. Na een modaal werkwoord zoals kunne gebruikt het Deens de infinitief zonder een equivalent van “te”: kan hjælpe = “kan helpen”. Deens heeft ook de infinitief at hjælpe in andere constructies, bijvoorbeeld Jeg vil hjælpe. — “Ik wil helpen.” mig betekent hier “me/mij”. Het is de objectsvorm van het persoonlijke voornaamwoord dat bij jeg (“ik”) hoort: jeg als onderwerp, mig als object. Voorbeeld: Hun hjælper mig. — “Zij helpt me.” Samen vormen de delen Kan du hjælpe mig?: Kan du vraagt of de aangesprokene iets kan, hjælpe benoemt de handeling en mig noemt degene die hulp ontvangt. De volledige betekenis is dus: “Kun je me helpen?”

  6. Kan du gøre dette?

    Kun je dit doen?

    Kan du
    kun je
    gøre
    doen
    dette
    dit
    Uitgebreide uitleg

    Kan du is een herbruikbare vraagconstructie: kan is de tegenwoordige tijd van kunne (“kunnen”) en du is de tweede persoon enkelvoud (“je/jij”). Samen betekent dit hier “kun je”. Na kan volgt een werkwoord in de infinitief, zonder een extra infinitiefmarker. Voorbeeld: Kan du hjælpe mig? — “Kun je me helpen?” gøre is de infinitief van gøre en betekent hier “doen”. Na het modale werkwoord kan blijft gøre in de infinitief: kan + infinitief. In andere contexten kan gøre ook “maken” betekenen, maar hier past “doen” bij de vaste vertaling. dette is een aanwijzend woord voor iets in het onzijdige enkelvoud. Het wordt hier zelfstandig gebruikt en betekent “dit”; de precieze zaak waarnaar het verwijst, wordt in deze uiting niet benoemd. De delen vormen samen Kan du + gøre + dette: “Kun je dit doen?” In de Deense woordvolgorde staat gøre vóór dette. De hele uiting is dus een korte vraag waarin kan de mogelijkheid aanduidt en gøre dette de handeling “dit doen” uitdrukt.

Grammatica

ikke na het vervoegde werkwoord

Jeg har det ikke.

jai haa dee eguh

Ik heb het niet.

In een gewone hoofdzin staat ikke na het vervoegde werkwoord en vóór de rest van de zin.

denne / dette

Jeg har denne. Jeg har dette.

jai haa denuh. jai haa deduh

Ik heb deze. Ik heb dit.

Gebruik denne bij gemeenschappelijk geslacht en dette bij onzijdig geslacht.

Deens woordenschat

den voornaamwoord
deen het, hem
Geslacht
common
denne voornaamwoord
denuh deze
det voornaamwoord
dee het, dat
Geslacht
neuter
dette voornaamwoord
deduh dit, deze
Geslacht
neuter
du voornaamwoord
doe jij, je
gøre werkwoord
keuruh doen
have werkwoord
hèè-vuh hebben har
hjælpe werkwoord
jelbuh helpen
ikke bijwoord
eguh niet
jeg voornaamwoord
jai ik Jeg
mig voornaamwoord
mai mij

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik heb deze.

Antwoord tonenJeg har denne.

Ik heb het niet.

Antwoord tonenJeg har den ikke.

Ik kan het doen.

Antwoord tonenJeg kan gøre det.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

deze

Antwoord tonendenne

helpen

Antwoord tonenhjælpe

niet

Antwoord tonenikke

doen

Antwoord tonengøre