Basisacties in het dagelijks leven | Leer deens in het Nederlands

Danish lesson set in a contemporary Copenhagen everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic actions happening now..

NL → DA / Niveau: A1

Over deze les

Met Basisacties in het dagelijks leven oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het deens.

Dialoog

A

Hvad laver du?

Vaa lèè-wuh doe? Wat ben je aan het doen?
B

Jeg spiser nu.

Jai sbie-suh noe. Ik eet nu.
A

Jeg drikker vand.

Jai dreg-uh van. Ik drink water.
B

Jeg laver aftensmad.

Jai lèè-wuh af-dun-smèè. Ik maak het avondeten.
A

Jeg gør mit værelse rent.

Jai keu-uh mid vehr-luh ran. Ik maak mijn kamer schoon.
B

Jeg tager et brusebad.

Jai tee-uh ed broe-suh-bèè. Ik neem een douche.

Woord voor woord

Hvad Hvad betekent hier ‘wat’ en staat aan het begin van de vraag Hvad laver du? om te vragen welke handeling iemand uitvoert. Je gebruikt Hvad voor een vraag naar een ding, informatie of handeling. In deze dialoog gebruik je het wanneer je iemand rechtstreeks vraagt wat die nu doet.
laver In Hvad laver du? betekent laver ‘doen’; in Jeg laver aftensmad betekent dezelfde vorm ‘maken’ of ‘bereiden’. De betekenis hangt hier samen met wat er na laver komt. Je kunt laver gebruiken in de vraag Hvad laver du? of vóór iets dat je maakt, zoals in Jeg laver aftensmad.
du Du betekent ‘je’ of ‘jij’ en verwijst in Hvad laver du? naar de persoon aan wie je de vraag stelt. Het staat hier na laver in de vraag. Je gebruikt du wanneer je rechtstreeks met één persoon spreekt.
Jeg Jeg betekent ‘ik’ en verwijst naar de persoon die spreekt in zinnen zoals Jeg spiser nu. Het staat in deze dialoog vóór de handeling die de spreker beschrijft. Je gebruikt Jeg om iets over je eigen handeling of toestand te vertellen.
spiser Spiser betekent in Jeg spiser nu ‘eet’ en beschrijft wat de spreker op dat moment doet. De vorm hoort bij het werkwoord spise. Je kunt spiser gebruiken vóór een tijdsbepaling zoals nu wanneer je vertelt dat je aan het eten bent.
nu Nu betekent ‘nu’ en geeft in Jeg spiser nu aan dat het eten op het huidige moment gebeurt. Het staat hier na de handeling spiser. Je gebruikt nu om een actuele handeling of situatie aan te wijzen.
drikker Drikker betekent in Jeg drikker vand ‘drinken’ of ‘drinkt’ en beschrijft de handeling van drinken. De vorm hoort bij het werkwoord drikke. Na drikker kan het object staan dat je drinkt, zoals vand in deze dialoog.
vand Vand betekent ‘water’ en is in Jeg drikker vand datgene wat de spreker drinkt. Het staat na drikker als het object van de handeling. Je gebruikt vand wanneer je over water als drank of vloeistof spreekt, bijvoorbeeld tijdens een maaltijd.
aftensmad Aftensmad betekent ‘avondeten’ en is in Jeg laver aftensmad de maaltijd die de spreker klaarmaakt. Het staat na laver als datgene wat wordt gemaakt. Je gebruikt aftensmad wanneer je vertelt dat je de avondmaaltijd bereidt.
gør In Jeg gør mit værelse rent draagt gør de handeling uit waarbij de kamer schoon wordt gemaakt; de volledige betekenis ‘mijn kamer schoonmaken’ komt uit de hele combinatie met mit værelse rent. De vorm hoort bij het werkwoord gøre. Deze constructie gebruik je in een huishoudelijke situatie waarin je een ruimte schoonmaakt.
mit Mit betekent ‘mijn’ en verwijst in mit værelse naar iets dat van de spreker is. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord værelse. Je gebruikt mit vóór een zelfstandig naamwoord om bezit door jezelf aan te geven, zoals in mit værelse.
værelse Værelse betekent ‘kamer’ en is in Jeg gør mit værelse rent de ruimte die wordt schoongemaakt. In de dialoog staat het samen met mit als mit værelse. Je gebruikt værelse wanneer je over een kamer in een woning of gebouw spreekt.
rent Rent betekent ‘schoon’ en benoemt in Jeg gør mit værelse rent de toestand die de kamer krijgt. De betekenis ‘schoonmaken’ ontstaat hier uit de hele zin, niet uit rent alleen. Je gebruikt rent om aan te geven dat een ruimte of voorwerp schoon is of schoon wordt gemaakt.
tager In Jeg tager et brusebad betekent tager samen met et brusebad ‘een douche nemen’. De vorm hoort bij het werkwoord tage. Je gebruikt deze combinatie wanneer je vertelt dat je gaat douchen of aan het douchen bent.
et Et is in et brusebad het onbepaalde lidwoord en betekent hier ‘een’. Het staat direct vóór brusebad. Je gebruikt et vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je naar één niet nader bepaalde zaak of activiteit verwijst.
brusebad Brusebad betekent ‘douche’ en verwijst in Jeg tager et brusebad naar de douche als dagelijkse handeling. Samen met tager vormt het de uitdrukking voor ‘een douche nemen’. Je gebruikt et brusebad wanneer je over douchen als persoonlijke dagelijkse activiteit spreekt.

Grammatica

Hvad laver du nu?

Hvad laver du nu?

Vaa lèè-wuh doe noe?

Wat doe je nu?

In een Deense vraag staat het werkwoord vóór het onderwerp: Hvad laver du? Dat is dezelfde volgorde als in het Nederlands.

gøre + object + adjective

Jeg gør mit værelse rent.

Jai keu-uh mid vehr-luh ran.

Ik maak mijn kamer schoon.

Bij gøre staat het voorwerp vóór het bijvoeglijk naamwoord: mit værelse rent. Het bijvoeglijk naamwoord beschrijft het resultaat.

Deens woordenschat

aftensmad zelfstandig naamwoord
af-dun-smèè avondeten

Jeg laver aftensmad.

drikker werkwoord
dreg-uh drinken

Jeg drikker vand.

du voornaamwoord
doe je

Hvad laver du?

gør werkwoord
keu-uh doen; maken

Jeg gør mit værelse rent.

Hvad voornaamwoord
vaa wat

Hvad laver du?

Jeg voornaamwoord
jai ik

Jeg spiser nu.

laver werkwoord
lèè-wuh doen; maken

Hvad laver du?

mit bepaler
mid mijn
Geslacht
neuter

mit værelse

nu bijwoord
noe nu

Jeg spiser nu.

spiser werkwoord
sbie-suh eten

Jeg spiser nu.

vand zelfstandig naamwoord
van water

Jeg drikker vand.

værelse zelfstandig naamwoord
vehr-luh kamer
Geslacht
neuter

mit værelse

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wat ben je aan het doen?

Antwoord tonenHvad laver du?

Ik eet nu.

Antwoord tonenJeg spiser nu.

Ik drink water.

Antwoord tonenJeg drikker vand.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

wat

Antwoord tonenHvad

doen; maken

Antwoord tonenlaver

eten

Antwoord tonenspiser

avondeten

Antwoord tonenaftensmad