De pauze en het toilet | Leer deens in het Nederlands

Danish lesson set in a contemporary Copenhagen everyday setting: During a language lesson break, two adults talk about the break and how to find the restroom..

NL → DA / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met De pauze en het toilet oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het deens.

Dialoog

A

Hvor lang er pausen?

Voh lang eah pau-sən? Hoe lang duurt de pauze?
B

Pausen varer ti minutter.

Pau-sən vee-ah tie mie-noe-dah. De pauze duurt tien minuten.
A

Hvor er toilettet?

Voh eah to-jel-ət? Waar is het toilet?
B

Gå ud af rummet og drej til højre.

Goh oe æ rom-ət oh drèj tiel hoj-ah. Ga de kamer uit en ga naar rechts.
A

Jeg tror, jeg kan finde det.

Jaj troh, jaj ken fen-ə de. Ik denk dat ik het kan vinden.
B

Jeg venter her, før lektionen begynder igen.

Jaj ven-tah heah, fö-ah lek-sjo-nən be-kun-dah i-jen. Ik wacht hier voordat de les weer begint.

Uitleg van de zinnen

  1. Hvor lang er pausen?

    Hoe lang duurt de pauze?

    Hvor lang
    hoe lang
    er
    is
    pausen
    de pauze
    Uitgebreide uitleg

    Hvor lang betekent hier “hoe lang” en vraagt naar de duur. Hvor betekent in andere vraaguitdrukkingen vaak “waar”, maar samen met lang vormt het hier het patroon Hvor lang ...?. lang is de basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord “lang”. In deze uitdrukking gaat het om duur, niet om fysieke lengte. Voorbeelden: Hvor lang er filmen? — “Hoe lang duurt de film?”; en lang pause — “een lange pauze”. er is de tegenwoordige tijd van være (“zijn”). In deze vraag staat het werkwoord vóór het onderwerp: Hvor lang er ...? Dat is de gebruikelijke woordvolgorde in een Deense vraag van dit type. pausen betekent “de pauze”. Het is de bepaalde enkelvoudsvorm van pause: pause = “pauze”, pausen = “de pauze”. Het achtervoegsel -en markeert hier bepaaldheid; het betekent niet op zichzelf een aantal. Samen vormen de delen de vraag Hvor lang er pausen?: letterlijk “Hoe lang is de pauze?”, met de natuurlijke betekenis “Hoe lang duurt de pauze?” Het antwoord in de gegeven context specificeert een duur van tien minuten.

  2. Pausen varer ti minutter.

    De pauze duurt tien minuten.

    Pausen
    de pauze
    varer
    duurt
    ti
    tien
    minutter
    minuten
    Uitgebreide uitleg

    Pausen is de bepaalde vorm van het Deense zelfstandig naamwoord pause (“pauze”): en pause = een pauze, pausen = de pauze. De uitgang -en markeert hier bepaaldheid bij een en-woord; hij geeft niet op zichzelf aan hoeveel pauzes er zijn. Voorbeeld: Pausen er kort. — “De pauze is kort.” varer is de tegenwoordige tijd van vare (“duren”). In het Deens verandert deze vorm normaal niet met de persoon of het aantal: jeg varer is niet de gebruikelijke betekenisvolle combinatie voor een persoon, maar bij een onderwerp als pausen staat eveneens de vorm varer. Voorbeeld: Mødet varer en time. — “De vergadering duurt een uur.” ti is het telwoord “tien”. Het telwoord zelf krijgt hier geen aparte meervoudsvorm. Het bepaalt wel dat het volgende zelfstandig naamwoord in het meervoud staat. minutter is het meervoud van minut (“minuut”): ét minut = één minuut, ti minutter = tien minuten. De meervoudsvorm hoort bij minut, niet bij ti. Voorbeeld: Det tager ti minutter. — “Dat duurt tien minuten.” Samen vormen Pausen varer de kern “de pauze duurt”. Daarna geeft ti minutter de duur aan: letterlijk “tien minuten”. De hele zin betekent dus: “De pauze duurt tien minuten.” De vraag in de voorafgaande context vraagt naar de duur van de pauze; deze zin geeft daarop een concrete tijdsduur als antwoord.

  3. Hvor er toilettet?

    Waar is het toilet?

    Hvor
    waar
    er
    is
    toilettet
    het toilet
    Uitgebreide uitleg

    Hvor betekent hier “waar” en vraagt naar een plaats. Het is een vraagwoord; vergelijk bijvoorbeeld Hvor bor du? — “Waar woon je?”. er is hier de tegenwoordige tijd van være (“zijn”). In deze vraag staat het vóór het onderwerp, zoals gebruikelijk in een ja/nee- of vraagwoordvraag: Hvor er ...? betekent letterlijk “Waar is ...?”. De vorm er blijft in de tegenwoordige tijd hetzelfde bij verschillende personen; de persoon blijkt uit het onderwerp. Voorbeeld: Hvor er bogen? — “Waar is het boek?”. 'toilettet betekent hier “het toilet”. Het is de bepaalde enkelvoudsvorm van toilet: toilet = “een toilet” of “toilet” in onbepaalde vorm, toilettet = “het toilet”. De uitgang -et is in deze vorm onderdeel van het Deense bepaalde lidwoord voor dit woord; het is niet een zelfstandig los woord. Voorbeeld: Toilettet er der.` — “Het toilet is daar.” Samen vormen de delen Hvor + er + toilettet de vraag “Waar is het toilet?”. De vraag zoekt dus naar de locatie van het toilet. In een pauzesituatie, zoals in de context, is dit een direct en alledaags verzoek om de weg of locatie aan te wijzen.

  4. Gå ud af rummet og drej til højre.

    Ga de kamer uit en ga naar rechts.

    Gå ud
    ga naar buiten / ga eruit
    rummet
    de kamer
    drej
    sla af / draai
    til højre
    naar rechts
    Uitgebreide uitleg

    Gå ud is een bevel: “ga naar buiten” of “ga eruit”. Gå is de bevelsvorm van gå (“gaan”); ud geeft de richting naar buiten aan. Het patroon gå ud af + plaats is bruikbaar voor “uit een plaats gaan”. Voorbeeld: Gå ud af bilen. — “Ga uit de auto.” rummet betekent hier “de kamer”. Het zelfstandig naamwoord is rum (“kamer/ruimte”); -et markeert bepaald enkelvoud: “de kamer”. In ud af rummet betekent af rummet “uit de kamer”. drej is de bevelsvorm van dreje (“afslaan/draaien”). Hier geeft het een opdracht om van richting te veranderen. Voorbeeld: Drej til venstre. — “Sla linksaf.” venstre is hier het tegenovergestelde van højre. til højre is de vaste richtingsuitdrukking “naar rechts”. til geeft de richting aan en højre betekent “rechts”. Het bijbehorende contrast is til venstre — “naar links”. Voorbeeld: Gå til højre. — “Ga naar rechts.” Samen vormt de zin een reeks bevelen: eerst moet de aangesprokene de kamer verlaten, daarna rechtsaf slaan. De vaste vertaling geeft dat tweede bevel weer als “ga naar rechts”: “Ga de kamer uit en ga naar rechts.”

  5. Jeg tror, jeg kan finde det.

    Ik denk dat ik het kan vinden.

    Jeg tror
    ik denk
    jeg kan
    ik kan
    finde
    vinden
    det
    het
    Uitgebreide uitleg

    Jeg tror: Dit betekent hier “ik denk”. tror is de tegenwoordige tijd van tro (“denken; geloven”): jeg tror = “ik denk”. Deze uitdrukking kan een volgende zin inleiden, zoals in Jeg tror, hun kommer — “Ik denk dat ze komt.” De komma na tror markeert hier de volgende bijzin. jeg kan: kan is de tegenwoordige vorm van het modale werkwoord kunne (“kunnen”). In het Deens verandert kan niet mee met de persoon: jeg kan = “ik kan”, maar ook du kan = “jij kunt”. Na een modaal werkwoord staat het volgende werkwoord in de infinitief, zonder at. finde: Dit is de infinitief van finde (“vinden”). Na kan geeft deze vorm aan welke handeling mogelijk is: kan finde = “kan vinden”. Voorbeeld: Jeg kan finde stationen — “Ik kan het station vinden.” det: Dit is een onzijdig enkelvoudig voornaamwoord met de betekenis “het”. Hier is het het object van finde: iets wordt gevonden. Het voornaamwoord verwijst in deze vaste zin naar iets dat al uit de situatie bekend is, maar de tekst benoemt niet wat dat precies is. Samenbouw: Jeg tror geeft de hoofdgedachte “ik denk”. De daaropvolgende bijzin is jeg kan finde det: jeg is het onderwerp, kan drukt mogelijkheid of vermogen uit, finde benoemt de handeling en det is wat gevonden kan worden. De volledige betekenis is daarom: “Ik denk dat ik het kan vinden.”

  6. Jeg venter her, før lektionen begynder igen.

    Ik wacht hier voordat de les weer begint.

    Jeg
    ik
    venter
    wacht
    her
    hier
    før
    voordat
    lektionen
    de les
    begynder
    begint
    igen
    weer
    Uitgebreide uitleg

    Jeg betekent hier “ik”. Het is de eerste persoon enkelvoud. In het Deens blijft deze vorm hetzelfde als onderwerp, ongeacht de tijd van het werkwoord. venter is de tegenwoordige tijd van vente (“wachten”): jeg venter = “ik wacht”. De vorm drukt hier een handeling in het heden uit. Voorbeeld: Jeg venter på bussen. — “Ik wacht op de bus.” her betekent “hier” en geeft de plaats van de handeling aan. Het is geen verbogen vorm en verandert dus niet mee met de spreker of de plaatsnaam. før betekent “voordat” wanneer het een tijdsrelatie tussen twee gebeurtenissen inleidt. Het verbindt hier de hoofdzin met de bijzin die daarna komt. Voorbeeld: Ring, før du går. — “Bel voordat je weggaat.” lektionen betekent hier “de les”. Het is de bepaalde enkelvoudsvorm van lektion (“les”): lektion = “een les”, lektionen = “de les”. De uitgang -en markeert bij dit woord de bepaalde vorm; dat is geen meervoud. begynder is de tegenwoordige tijd van begynde (“beginnen”). Omdat lektionen het onderwerp van deze bijzin is, krijgt het werkwoord hier de vorm begynder; het Deens verandert die vorm niet voor enkelvoud tegenover meervoud. Voorbeeld: Filmen begynder nu. — “De film begint nu.” igen betekent “weer” of “opnieuw”. Het geeft aan dat het beginnen opnieuw plaatsvindt. In deze zin hoort het bij begynder: de les begint weer. Samen betekent Jeg venter her “Ik wacht hier”. De bijzin før lektionen begynder igen betekent “voordat de les weer begint”. De volledige zin betekent dus: “Ik wacht hier voordat de les weer begint.” De neutrale volgorde is eerst de hoofdzin en daarna de met før ingeleide tijdsbepaling.

Grammatica

Definitte substantiver: -en/-et

før lektionen begynder

fö-ah lek-sjo-nən be-kun-dah

voordat de les begint

In het Deens staat het bepaalde lidwoord vaak als achtervoegsel aan het zelfstandig naamwoord: lektion + en.

gå ud af + bestemt substantiv

gå ud af rummet

goh oe æ rom-ət

uit de ruimte gaan

De vaste combinatie gå ud af betekent ‘naar buiten gaan uit’. Het voorzetsel af staat vóór het bepaalde zelfstandig naamwoord.

Deens woordenschat

drej werkwoord
drèj sla af

Drej til højre.

gå werkwoord
goh ga

Gå ud af rummet.

hvor bijwoord
voh waar; hoe

Hvor lang er pausen?

lang bijvoeglijk naamwoord
lang lang

Hvor lang er pausen?

minutter zelfstandig naamwoord
mie-noe-dah minuten

Pausen varer ti minutter.

pausen zelfstandig naamwoord
pau-sən de pauze
Geslacht
common

Hvor lang er pausen?

rummet zelfstandig naamwoord
rom-ət de kamer; de ruimte
Geslacht
neuter

Gå ud af rummet.

ti telwoord
tie tien

Pausen varer ti minutter.

til højre uitdrukking
tiel hoj-ah naar rechts

Drej til højre.

toilettet zelfstandig naamwoord
to-jel-ət het toilet
Geslacht
neuter

Hvor er toilettet?

ud af uitdrukking
oe æ uit; naar buiten uit

Gå ud af rummet.

varer werkwoord
vee-ah duurt

Pausen varer ti minutter.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Hoe lang duurt de pauze?

Antwoord tonenHvor lang er pausen?

De pauze duurt tien minuten.

Antwoord tonenPausen varer ti minutter.

Waar is het toilet?

Antwoord tonenHvor er toilettet?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

de pauze

Antwoord tonenpausen

duurt

Antwoord tonenvarer

lang

Antwoord tonenlang

het toilet

Antwoord tonentoilettet