Enkle
Enkle betekent hier ‘eenvoudige’ en beschrijft ord. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord in enkle ord. In een taalles gebruik je het om iets als eenvoudig te omschrijven.
ord
ord betekent hier ‘woorden’. Het staat in de woordgroep enkle ord en verwijst naar de gebruikte taalvormen. Je gebruikt het wanneer je over afzonderlijke woorden in een taal praat.
er
er betekent hier ‘zijn’ en verbindt ord met de beschrijving nemmere. De basisstructuur is X er Y, zoals in Enkle ord er nemmere. Je gebruikt deze vorm om een eigenschap of beoordeling van iets te geven.
nemmere
nemmere betekent hier ‘gemakkelijker’ en vergelijkt de moeilijkheid van eenvoudige woorden met andere woorden. Het staat na er en vóór for mig in Enkle ord er nemmere for mig. Je gebruikt het om te zeggen dat iets voor iemand eenvoudiger is.
for
for betekent hier ‘voor’ en geeft aan voor wie iets gemakkelijker is. In for mig staat het vóór de persoon op wie de beoordeling betrekking heeft. Je gebruikt for + persoon om aan te geven voor wie iets geldt.
mig
mig betekent hier ‘mij’ en verwijst naar de spreker na for. De vaste combinatie in deze zin is for mig. Je gebruikt mig wanneer de spreker zichzelf als betrokken persoon noemt.
Vi
Vi betekent ‘wij’ en is hier het onderwerp van de zin. Het staat aan het begin van Vi kan begynde met en verwijst naar de spreker en de aangesprokene samen. Je gebruikt Vi om een handeling van jezelf en minstens één andere persoon te beschrijven.
kan
kan betekent hier ‘kunnen’ en drukt uit dat iets mogelijk is. Na kan volgt het werkwoord begynde in Vi kan begynde. Je gebruikt kan + werkwoord om een mogelijkheid of voorstel uit te drukken.
begynde
begynde betekent hier ‘beginnen’. Het volgt op kan in kan begynde en benoemt de handeling die mogelijk is. Je gebruikt het in een les of activiteit wanneer je aangeeft waarmee je start.
med
med betekent hier ‘met’ en introduceert waarmee de activiteit begint. In begynde med en kort sætning staat med vóór het gekozen beginpunt. Je gebruikt begynde med + iets om aan te geven waarmee je start.
en
en betekent hier ‘een’ en staat vóór sætning. Samen vormen en kort sætning de woordgroep ‘een korte zin’. Je gebruikt en vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer je iets niet nader bepaald noemt.
kort
kort betekent hier ‘kort’ en beschrijft sætning. Het staat tussen en en sætning in en kort sætning. Je gebruikt het om de lengte of duur van iets te beschrijven.
sætning
sætning betekent hier ‘zin’ en verwijst naar een taalkundige zin die de leerling gaat oefenen. Het staat na en kort en wordt geïntroduceerd door med. Je gebruikt het in een taalles wanneer je over een voorbeeldzin praat.
Det
Det betekent hier ‘dat’ en verwijst naar het zojuist genoemde beginnen met een korte zin. Het is het onderwerp van Det hjælper mig med at forstå. Je gebruikt Det om naar een eerder genoemde handeling, situatie of zaak te verwijzen.
hjælper
hjælper betekent hier ‘helpt’ en beschrijft wat het vooraf genoemde beginnen voor de spreker doet. In Det hjælper mig met at forstå staat mig na hjælper als degene die hulp krijgt. Je gebruikt X hjælper iemand om uit te leggen dat iets iemand ondersteunt.
at
at betekent hier ‘te’ en markeert het werkwoord forstå als een infinitief. Het staat in med at forstå. Je gebruikt med at + werkwoord om een handeling te noemen waarbij iemand hulp krijgt of die iemand helpt uitvoeren.
forstå
forstå betekent hier ‘begrijpen’. Het staat na at in med at forstå en benoemt wat de spreker beter kan doen. Je gebruikt het in een leersituatie wanneer iemand betekenis of uitleg probeert te begrijpen.
Læs
Læs betekent hier ‘lees’ en is een directe aansporing aan de andere persoon. Het staat aan het begin van Læs denne linje efter mig. Je gebruikt Læs om iemand te vragen een tekst of regel te lezen.
denne
denne betekent hier ‘deze’ en wijst de bedoelde linje aan. Het staat direct vóór linje in denne linje. Je gebruikt denne + zelfstandig naamwoord om iets specifieks dichtbij of in de huidige situatie aan te wijzen.
linje
linje betekent hier ‘regel’ en verwijst naar een regel tekst die gelezen moet worden. Het is het aangewezen onderdeel in denne linje. Je gebruikt het in een leesopdracht wanneer je naar één tekstregel verwijst.
efter
efter betekent hier ‘na’ en geeft de volgorde aan waarin de leerling moet lezen. In efter mig betekent het dat de leerling na de spreker leest. Je gebruikt efter + persoon wanneer iemand een handeling volgt of nadoet.
Jeg
Jeg betekent ‘ik’ en is hier het onderwerp van de zin. Het staat vóór er in Jeg er klar til at prøve. Je gebruikt Jeg om iets over jezelf te zeggen.
klar
klar betekent hier ‘klaar’ of ‘bereid’ en beschrijft de toestand van de spreker. In Jeg er klar til at prøve staat het na er en vóór til at prøve. Je gebruikt klar til at + werkwoord om te zeggen dat je bereid bent iets te doen.
til
til betekent hier ‘om te’ in de combinatie klar til at prøve. Het verbindt klar met de handeling prøve waarvoor de spreker bereid is. Je gebruikt klar til at + werkwoord om bereidheid voor een activiteit uit te drukken.
prøve
prøve betekent hier ‘proberen’ en benoemt de activiteit waarvoor de spreker klaar is. Het staat na til at in klar til at prøve. Je gebruikt het wanneer je aangeeft dat je iets voor het eerst of als oefening gaat doen.
Tag
Tag betekent hier ‘neem’ en vormt het begin van de aansporing Tag dig god tid. In deze zin draagt Tag de directe opdracht aan de aangesprokene. Je gebruikt deze vorm in een vriendelijke instructie om iemand aan te moedigen iets te doen.
dig
dig verwijst hier naar ‘jezelf’ en staat na Tag in Tag dig god tid. Het maakt duidelijk dat de aangesprokene de tijd voor zichzelf moet nemen. Je gebruikt dig in deze vaste aansporing wanneer je iemand rechtstreeks aanspreekt.
god
god betekent hier ‘goede’ en beschrijft tid in Tag dig god tid. In deze combinatie verwijst god naar voldoende of ruime tijd, niet naar een morele beoordeling. Je gebruikt god tid wanneer je iemand aanraadt genoeg tijd te nemen.
tid
tid betekent hier ‘tijd’ en is wat de aangesprokene moet nemen in Tag dig god tid. Samen met god vormt het de betekenis van voldoende tijd nemen. Je gebruikt het wanneer je over de beschikbare duur voor een handeling praat.
og
og betekent ‘en’ en verbindt de aansporing Tag dig god tid met sig det tydeligt. Het laat zien dat beide handelingen bij dezelfde instructie horen. Je gebruikt og om twee opdrachten of handelingen met elkaar te verbinden.
sig
sig betekent hier ‘zeg’ en is een aansporing om iets uit te spreken. Het staat vóór det in sig det tydeligt. Je gebruikt sig om iemand te vragen bepaalde woorden of een zin hardop te zeggen.
tydeligt
tydeligt betekent hier ‘duidelijk’ en geeft aan hoe de aangesprokene het moet zeggen. Het staat aan het einde van sig det tydeligt en beschrijft de manier van spreken. Je gebruikt het bij een instructie om iets verstaanbaar of helder uit te spreken.