Elke dag 10 minuten gratis
Ga verder met audiolessen in de app
Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.
Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm
Kies je leertaal en open deze les in de app.
Over deze les
Met Een korte pauze oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het deens.
Dialoog
Jeg har brug for en kort pause.
jai haa broe fo en ko(d) pau-se Ik heb een korte pauze nodig.Lad os sætte os i sofaen.
læd os se-duh os ee soo-fa-un Laten we op de bank gaan zitten.Kan jeg få noget kaffe?
ken jai fo noo-uh ka-fe Kan ik wat koffie krijgen?Der er kaffe i køkkenet.
dair ah ka-fe ee keu-gun-ud Er is koffie in de keuken.Jeg henter noget, efter jeg har strakt mig lidt.
jai hen-duh noo-uh, ef-tuh jai haa sdragd mai led Ik haal wat nadat ik me een beetje heb uitgerekt.Det hjælper at strække sig, når man er træt.
deh jel-puh ed sdreguh sai, noor man ah trehd Je uitrekken helpt als je moe bent.Dette rum er stille.
deh-duh roem ah sdil-uh Deze ruimte is rustig.Vi kan hvile her et stykke tid.
vee ken vee-luh heh ed sdööguh tee We kunnen hier een tijdje rusten.Uitleg van de zinnen
Jeg har brug for en kort pause.
Ik heb een korte pauze nodig.
- Jeg
- ik
- har brug for
- nodig hebben
- kort
- kort
- pause
- pauze
Uitgebreide uitleg
Jeg betekent hier ‘ik’ en is de eerste persoon enkelvoud. Het is de vorm voor de spreker als onderwerp; vergelijk bijvoorbeeld Du = ‘jij’ voor de aangesproken persoon. har brug for is een vaste Deense constructie voor ‘nodig hebben’. har is de tegenwoordige tijd van have (‘hebben’), maar samen met brug for krijgt de uitdrukking de betekenis ‘nodig hebben’. Een bruikbaar patroon is Jeg har brug for ... = ‘Ik heb ... nodig’. Bijvoorbeeld: Jeg har brug for hjælp. — ‘Ik heb hulp nodig.’ kort betekent hier ‘kort’ en beschrijft pause. Het is de basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord; bij een enkelvoudig onzijdig zelfstandig naamwoord verschijnt vaak kort ook in deze vorm, terwijl het bijvoeglijk naamwoord in andere combinaties kan veranderen. Bijvoorbeeld: en kort film — ‘een korte film’. pause betekent ‘pauze’. Het is een zelfstandig naamwoord; met het onbepaalde lidwoord en vormt het hier de woordgroep en kort pause, ‘een korte pauze’. De tekst noemt daarmee een pauze die de spreker nodig heeft; het lidwoord markeert hier niet op zichzelf een specifieke numerieke telling. Samen bestaat de zin uit Jeg + har brug for + en kort pause: ‘Ik heb een korte pauze nodig.’ De Deense woordvolgorde plaatst het onderwerp voor de uitdrukking ‘nodig hebben’ en daarna het benodigde object.
Lad os sætte os i sofaen.
Laten we op de bank gaan zitten.
- Lad os
- laten we
- sætte os
- gaan zitten
- sofaen
- de bank
Uitgebreide uitleg
Lad os is een vaste Deense aansporing met de betekenis “laten we ...”. Lad is de gebiedende wijs van lade (“laten”); os betekent “ons”. Na deze combinatie volgt doorgaans een infinitief: Lad os spise = “Laten we eten”. sætte os betekent hier “gaan zitten”. sætte is de infinitief van sætte (“zetten”); samen met het reflexieve os vormt het de uitdrukking sætte sig, letterlijk ongeveer “zich neerzetten”, dus “gaan zitten”. Vergelijk sidde, dat de toestand “zitten” uitdrukt: Vi sidder i sofaen = “Wij zitten op de bank”. sofaen betekent “de bank”. Het zelfstandig naamwoord is sofa; de uitgang -en markeert hier de bepaalde vorm: sofa = “een bank/sofa” en sofaen = “de bank/sofa”. Het voorzetsel i staat niet in deze geselecteerde woordgroep, maar combineert met sofaen tot i sofaen, “op/in de bank” in de bedoelde betekenis van op de bank zitten. Samen vormt Lad os sætte os i sofaen de aansporing “Laten we op de bank gaan zitten.” De spreker stelt voor dat de aangesprokene en de spreker samen gaan zitten; os verwijst daarbij naar de groep waarin de spreker is inbegrepen.
Kan jeg få noget kaffe?
Kan ik wat koffie krijgen?
- Kan jeg
- kan ik …? / mag ik …?
- få
- krijgen
- noget
- wat
- kaffe
- koffie
Uitgebreide uitleg
Kan jeg betekent hier “kan ik …?” en vormt samen een verzoek. kan is de tegenwoordige tijd van kunne (“kunnen”); jeg betekent “ik”. In een vraag staat het werkwoord vóór het onderwerp: Kan jeg få ...? = “Kan ik ... krijgen?” Het verzoek kan als beleefd klinken zonder dat kan hier letterlijk een vraag naar lichamelijke of algemene bekwaamheid is. få is de infinitief van het Deense werkwoord “krijgen”. Na kan blijft het volgende werkwoord in de infinitief: kan få, niet een vervoegde vorm. Hetzelfde patroon is bijvoorbeeld Kan jeg få vand? — “Kan ik water krijgen?” noget betekent hier “wat” in de betekenis van een niet nader bepaalde hoeveelheid. Het verwijst dus niet naar een genoemd aantal. Als zelfstandig gebruikt woord kan noget ook “iets” betekenen, afhankelijk van de context; in deze zin bepaalt kaffe dat het om een hoeveelheid koffie gaat. kaffe betekent “koffie”. Het is hier een stof- of massanaamwoord: de zin vraagt om koffie zonder een aantal afzonderlijke porties of koppen te noemen. Een vergelijkbaar voorbeeld is noget vand — “wat water”. Samen vormen de delen Kan jeg få + noget kaffe? de vraag “Kan ik wat koffie krijgen?” De vaste vertaling geeft daarmee de bedoelde lezing van het verzoek. In de aansluitende context wordt bovendien over koffie gesproken, maar de vraag zelf zegt alleen dat de spreker om wat koffie vraagt; ze zegt niet hoeveel koffie of in welke vorm.
Der er kaffe i køkkenet.
Er is koffie in de keuken.
- Der er
- er is
- kaffe
- koffie
- i
- in
- køkkenet
- de keuken
Uitgebreide uitleg
Der er is een vaste Deense bestaansconstructie: letterlijk wordt een bestaan of aanwezigheid aangegeven, hier vertaald als “er is”. Der is in deze constructie geen zelfstandig verwijzend woord voor een bepaalde plaats. De vorm er blijft ook bij meervoud hetzelfde: Der er en stol betekent “Er is een stoel”, maar Der er to stole betekent “Er zijn twee stoelen”. kaffe betekent hier “koffie”. Het is een massanaamwoord en staat daarom in deze algemene mededeling zonder onbepaald lidwoord: Der er kaffe — “Er is koffie”. Voor een afgebakende hoeveelheid kun je bijvoorbeeld zeggen: Der er en kop kaffe — “Er is een kop koffie”. i is het voorzetsel “in”. Het verbindt de bestaansmededeling met de plaats waar iets aanwezig is. Voorbeeld: Børnene leger i haven. — “De kinderen spelen in de tuin.” køkkenet betekent “de keuken”. De vorm bestaat uit het grondwoord køkken (“keuken”) en de bepaalde enkelvoudsuitgang -et: et køkken is “een keuken”, køkkenet is “de keuken”. Het is dus køkken zelf dat de betekenis “keuken” draagt; -et maakt het zelfstandig naamwoord bepaald. Samen vormt de zin het patroon Der er [iets] i [een bepaalde plaats]: Der er kaffe i køkkenet. betekent “Er is koffie in de keuken.” De zin zegt alleen dat koffie zich daar bevindt; de plaatsbepaling i køkkenet specificeert waar de koffie is.
Jeg henter noget, efter jeg har strakt mig lidt.
Ik haal wat nadat ik me een beetje heb uitgerekt.
- Jeg
- ik
- henter
- haal op; haal
- noget
- iets; wat
- efter
- nadat; na
- har strakt mig
- heb me uitgerekt
- lidt
- een beetje
Uitgebreide uitleg
Jeg betekent hier “ik”: een persoonlijk voornaamwoord voor de spreker. Het blijft dezelfde vorm als onderwerp bij een werkwoord in de tegenwoordige tijd, bijvoorbeeld: Jeg kommer. — “Ik kom.” henter komt van hente en is de tegenwoordige tijd. In deze zin betekent het “halen”, zonder dat precies wordt gezegd wat er wordt gehaald; dat wordt door noget ingevuld. Een bruikbaar contrast is Jeg henter kaffen. — “Ik haal de koffie.” noget betekent hier “iets” of “wat”: een onbepaald voornaamwoord voor een niet nader genoemd ding. Het verwijst dus niet naar een specifiek benoemd voorwerp. Het kan ook zelfstandig staan, zoals in Jeg vil have noget. — “Ik wil iets.” efter betekent hier “nadat” en leidt de tijdsbepaling in die beschrijft wat eerst gebeurt. In efter jeg har strakt mig staat de bijzin met de persoonsvorm har vóór het voltooid deelwoord strakt; dit is de gebruikelijke woordvolgorde in deze Deense bijzin. har strakt mig gebruikt har als hulpwerkwoord en strakt als voltooid deelwoord van strække (“rekken”). mig is de reflexieve vorm die naar het onderwerp Jeg verwijst: de spreker rekt zichzelf uit. De basisconstructie is at strække sig — “zich uitrekken”; bij een andere persoon verandert de reflexieve vorm, bijvoorbeeld Hun strækker sig. — “Zij rekt zich uit.” lidt betekent “een beetje” en verzacht de hoeveelheid of mate van het uitrekken. Het staat hier bij de voorafgaande handeling: de spreker heeft zich een beetje uitgerekt. Bijvoorbeeld: Vent lidt. — “Wacht even.” Samen vormen de delen: Jeg henter noget (“Ik haal iets/wat”) + efter jeg har strakt mig lidt (“nadat ik me een beetje heb uitgerekt”). De hele zin betekent dus: “Ik haal wat nadat ik me een beetje heb uitgerekt.” De constructie efter + bijzin is herbruikbaar om aan te geven dat één handeling na een andere plaatsvindt.
Det hjælper at strække sig, når man er træt.
Je uitrekken helpt als je moe bent.
- Det hjælper
- het helpt
- strække … sig
- zich uitrekken
- når
- als, wanneer
- man
- men, je in algemene zin
- er
- is, bent
- træt
- moe
Uitgebreide uitleg
Det hjælper betekent hier “het helpt” en vormt samen met de daaropvolgende at-infinitief de constructie “het helpt om …”. Det is hier een formeel onderwerp: de handeling na at is inhoudelijk datgene wat helpt. Een bruikbaar patroon is Det hjælper at + infinitief, bijvoorbeeld: Det hjælper at hvile. — “Het helpt om te rusten.” strække sig betekent hier “zich uitrekken”. strække is het werkwoord in de infinitief; sig is het wederkerende voornaamwoord dat bij deze handeling hoort. De vorm at strække sig is de infinitiefgroep na Det hjælper. Voor andere personen verandert het wederkerende voornaamwoord: Jeg strækker mig. — “Ik rek me uit.” Het werkwoord in de vaste zin is dus geen verleden vorm; de infinitief wordt ingeleid door at. når betekent “als” of “wanneer” en leidt hier een tijds- of toestandsbijzin in. Het geeft de situatie aan waarin de hoofdzin geldt: når man er træt — “als je moe bent”. Hier verbindt het twee delen van een mededeling. man betekent hier “men” of algemeen “je”: het verwijst niet naar een specifiek genoemde persoon. Het is een onbepaald onderwerp voor een algemene uitspraak. Deense werkwoorden veranderen niet naar persoon of getal; daarom staat hier de vorm er, net als bij andere onderwerpen in de tegenwoordige tijd. er is de tegenwoordige tijd van være, “zijn”. Deze vorm wordt gebruikt bij onder andere jeg, du, han, hun en man: jeg er træt — “ik ben moe” en man er træt — “je bent moe / men is moe”. De vorm verandert hier niet naar persoon of getal. træt betekent “moe”. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat na er de toestand van het onderwerp beschrijft. De vorm træt staat hier bij een enkelvoudig onderwerp; hij onderscheidt in het enkelvoud niet tussen gemeenschappelijk en onzijdig geslacht. In het meervoud is de vorm bijvoorbeeld trætte: De er trætte. — “Ze zijn moe.” Samen bestaat de zin uit de hoofdconstructie Det hjælper at strække sig en de bijzin når man er træt. De volledige betekenis is: “Je uitrekken helpt als je moe bent.” De infinitiefgroep benoemt wat helpt, en de når-bijzin geeft de situatie aan waarin die algemene uitspraak geldt.
Dette rum er stille.
Deze ruimte is rustig.
- Dette
- deze
- rum
- ruimte
- er
- is
- stille
- rustig
Uitgebreide uitleg
Dette betekent hier “deze” en staat vóór het zelfstandig naamwoord rum. Het is de onzijdige enkelvoudsvorm van het aanwijzend voornaamwoord; het past bij et rum. In het Deens staan de vormen naast elkaar in een bruikbare reeks: denne bij een gemeenschappelijk-geslacht-woord, dette bij een onzijdig enkelvoudig woord en disse bij meervoud. Voorbeeld: Dette hus er stort. — “Dit huis is groot.” rum betekent hier “ruimte”. Het is een zelfstandig naamwoord van het onzijdige geslacht: et rum — “een ruimte”, en rummet — “de ruimte”. Het meervoud is rum — “ruimtes”; de vorm verandert daar dus niet, terwijl het lidwoord of de bepaalde uitgang de grammaticale informatie kan dragen. Voorbeeld: Rummet er lyst. — “De ruimte is licht.” er is de tegenwoordige tijd van være, “zijn”. De vorm er wordt gebruikt bij verschillende personen: jeg er — “ik ben”, du er — “jij bent” en vi er — “wij zijn”. Voorbeeld: Vi er her. — “Wij zijn hier.” stille betekent hier “rustig” of “stil”. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat na er het onderwerp beschrijft. In deze vorm is het ook de vorm bij een onzijdig enkelvoudig onderwerp zoals et rum; stille blijft bovendien dezelfde geschreven vorm bij gemeenschappelijk geslacht en meervoud. Een nuttig contrast is stille tegenover urolig, “onrustig”. Voorbeeld: Huset er stille. — “Het huis is stil.” Samen vormen de delen Dette rum (“deze ruimte”), er (“is”) en stille (“rustig/stil”) de mededelende zin: “Deze ruimte is rustig.” De vertaling maakt duidelijk dat dette hier naar de ruimte verwijst. De tegenwoordige tijd presenteert de toestand als nu geldend.
Vi kan hvile her et stykke tid.
We kunnen hier een tijdje rusten.
- Vi kan
- wij kunnen
- hvile
- rusten
- her
- hier
- et stykke tid
- een tijdje
Uitgebreide uitleg
Vi kan: vi betekent “wij” en verwijst hier naar de spreker samen met minstens één andere persoon; het is de vorm voor het onderwerp in de eerste persoon meervoud. kan is de tegenwoordige tijd van kunne en drukt hier mogelijkheid of toestemming uit: “kunnen”. Na kan staat het volgende werkwoord in de infinitief, zonder een extra infinitiefmarkeerder. Vergelijk: Vi kan vente. — “Wij kunnen wachten.” hvile: dit is de infinitief van hvile, “rusten”. Na het modale werkwoord kan geeft deze vorm de handeling weer die mogelijk is. Het is dus niet hviler (de tegenwoordige tijd, bijvoorbeeld in “wij rusten”). Voorbeeld: De kan hvile. — “Zij kunnen rusten.” her: dit bijwoord betekent “hier” en duidt de plaats aan waar de handeling plaatsvindt. Het verandert niet mee met het aantal of geslacht van een zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: Vi arbejder her. — “Wij werken hier.” et stykke tid: deze vaste tijdsaanduiding betekent “een tijdje” of “en poos”. In deze uitdrukking geeft et stykke tid geen concreet aantal minuten of uren aan; het gaat om een niet nader bepaalde periode. De vorm et hoort hier bij stykke, terwijl tid de tijdsduur benoemt. Voorbeeld: Vi bliver her et stykke tid. — “Wij blijven hier een tijdje.” Samen vormen de delen: Vi kan (“wij kunnen”) + hvile (“rusten”) + her (“hier”) + et stykke tid (“een tijdje”). De volledige betekenis is daarom: “Wij kunnen hier een tijdje rusten.”
Grammatica
at have brug for + noget
Jeg har brug for en pause.
jai haa broe fo en pau-seIk heb een pauze nodig.
De vaste Deense uitdrukking is have brug for. In de tegenwoordige tijd wordt have vervoegd als har.
at sætte sig
Jeg sætter mig på sofaen.
jai se-duh mai po soo-fa-unIk ga op de bank zitten.
sætte sig betekent letterlijk ‘zich neerzetten’. Het wederkerende voornaamwoord verandert mee: mig bij jeg.
Deens woordenschat
Jeg har brug for en kort pause.
efter jeg har strakt mig lidt
Kan jeg få noget kaffe?
Jeg henter noget.
en kort pause
- Geslacht
- neuter
i køkkenet
strakt mig lidt
noget kaffe
- Geslacht
- common
en kort pause
- Geslacht
- common
i sofaen
har strakt mig lidt
Lad os sætte os i sofaen.
Quiz
Woordvolgorde
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Laten we op de bank gaan zitten.
Antwoord tonen
Lad os sætte os i sofaen.Kan ik wat koffie krijgen?
Antwoord tonen
Kan jeg få noget kaffe?Er is koffie in de keuken.
Antwoord tonen
Der er kaffe i køkkenet.Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
keuken
Antwoord tonen
køkkenethalen
Antwoord tonen
henteriets; wat
Antwoord tonen
nogetpauze