Er
«Er» betekent hier “is” en staat aan het begin van de vraag «Er denne kø til skranken?». In een nieuwe vraag kun je «Er» gebruiken om te vragen of iets ergens voor bedoeld is, bijvoorbeeld: «Er dette til mig?».
denne
«denne» betekent hier “deze” en verwijst naar de rij waarover wordt gevraagd. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord in «denne kø».
kø
«kø» betekent hier “rij” of “wachtrij”. Je gebruikt het bijvoorbeeld in «stå i kø» wanneer je zegt dat iemand in de rij staat.
til
«til» geeft hier aan waarvoor de rij bestemd is: «til skranken» betekent “voor de balie”. Je kunt «til» ook gebruiken om een bestemming aan te geven, zoals in «gå til stationen».
skranken
«skranken» betekent hier “de balie”. De vorm «skranken» is de bepaalde vorm van «skranke» en verwijst naar een specifieke balie in deze situatie.
Her
«Her» betekent “hier” en verwijst naar de plek waar de rij begint. Je gebruikt «Her» vaak om een plaats aan te wijzen, bijvoorbeeld in «Her er din billet».
begynder
«begynder» betekent hier “begint”: «Her begynder køen» zegt waar de rij begint. Je kunt «begynder» gebruiken vóór iets dat begint, zoals «filmen begynder».
køen
«køen» betekent “de rij” en verwijst naar de specifieke rij die in het gesprek wordt besproken. De vorm is gebaseerd op «kø» met de bepaalde uitgang «-en».
Skal
«Skal» betekent hier niet simpelweg “zal”, maar drukt in «Skal jeg have en billet?» uit dat iemand wil weten of die een kaartje nodig heeft. «Skal jeg ...?» is een gebruikelijke manier om te vragen wat nodig is of wat je moet doen.
jeg
«jeg» betekent “ik” en is de persoon die in «Skal jeg have en billet?» iets vraagt. Je gebruikt «jeg» wanneer je over jezelf spreekt.
have
«have» betekent hier “hebben” in de uitdrukking «have en billet». Samen met «Skal jeg» vraagt de spreker of hij of zij een kaartje moet hebben.
en
«en» betekent hier “een” in «en billet» en introduceert één kaartje. Je gebruikt «en» vóór een zelfstandig naamwoord zoals «billet» wanneer het om één niet nader bepaald exemplaar gaat.
billet
«billet» betekent hier “kaartje” of “ticket”. In «have en billet» is het het voorwerp dat iemand mogelijk nodig heeft; je kunt bijvoorbeeld vragen «Har du en billet?».
Tag
«Tag» betekent hier “neem” in de instructie «Tag en fra denne kasse». Het is de gebiedende vorm van «tage», die je gebruikt om iemand direct te vertellen iets te nemen.
fra
«fra» betekent hier “uit” of “vanuit” en geeft de herkomst aan in «fra denne kasse». Je gebruikt «fra» vóór de plaats waar iets vandaan komt.
kasse
«kasse» betekent hier “doos” in «denne kasse». Het woord staat na «denne» om aan te geven uit welke doos het kaartje moet worden genomen.
Hvornår
«Hvornår» betekent “wanneer” en vraagt naar het moment waarop iets gebeurt. In «Hvornår bliver det min tur?» vraagt het naar het moment van de eigen beurt.
bliver
«bliver» betekent hier ongeveer “wordt” of “komt” in «bliver det min tur»: de vraag gaat over het moment waarop de beurt aan de spreker komt. Je kunt «bliver» gebruiken wanneer een toestand of situatie verandert.
det
«det» is hier het formele onderwerp in «bliver det min tur» en verwijst niet naar een afzonderlijk voorwerp. Samen met «bliver» en «min tur» vormt het de gebruikelijke vraag naar wanneer iemand aan de beurt komt.
min
«min» betekent “mijn” en geeft aan dat de beurt van de spreker is in «min tur». Je gebruikt «min» vóór een zelfstandig naamwoord zoals «tur» om bezit of verbondenheid uit te drukken.
tur
«tur» betekent hier “beurt” in «min tur». De uitdrukking «det er min tur» kun je gebruiken wanneer je wilt zeggen dat jij nu aan de beurt bent.
Du
«Du» betekent “jij” of “je” en verwijst naar de persoon die in de rij staat. Het staat hier aan het begin van «Du står efter den person».
står
«står» betekent hier “staat” in «Du står efter den person» en beschrijft de plaats van iemand in de rij. Je gebruikt «står» ook om te zeggen waar iemand zich rechtop bevindt.
efter
«efter» betekent hier “na” en geeft de volgorde in de rij aan: «efter den person» betekent “na die persoon”. Je kunt «efter» gebruiken om aan te geven dat iets later komt of iemand achter iemand anders staat.
den
«den» betekent hier “die” in «den person» en wijst naar een specifieke persoon. Het staat vóór «person» om die persoon aan te duiden.
person
«person» betekent “persoon” en verwijst hier naar degene voor wie de aangesproken persoon in de rij staat. Je kunt «person» gebruiken na een bepaling zoals «den person».
vender
De vorm «vender» komt niet voor in de dialoog; in de betreffende zin staat «venter». Daarom kan de betekenis van «vender» hier niet betrouwbaar worden vastgesteld.
Personen
«Personen» betekent “de persoon” in «Personen foran dig». De vorm is de bepaalde vorm van «person» en verwijst naar de specifieke persoon die voor de luisteraar staat.
foran
«foran» betekent hier “voor” of “vooruit” in de positie-aanduiding «foran dig». Samen met «dig» beschrijft het dat iemand vóór de aangesproken persoon staat.
dig
«dig» betekent hier “jou” in «foran dig» en verwijst naar de persoon die wordt aangesproken. Na «foran» gebruik je «dig» om aan te geven vóór wie iemand staat.
næsten
«næsten» betekent “bijna” en verzacht hier de mededeling dat de persoon klaar is: «næsten færdig» betekent “bijna klaar”. Je gebruikt «næsten» vóór een toestand of hoeveelheid die nog niet helemaal bereikt is.
færdig
«færdig» betekent hier “klaar” of “af” in «er næsten færdig». De uitdrukking kan worden gebruikt om te zeggen dat iemand bijna klaar is met een handeling of taak.