Uitchecken en hulp met je tas | Leer deens in het Nederlands

Danish lesson set in a contemporary Copenhagen everyday setting: At a hotel reception desk, a guest checks out, returns the room key, and asks for help with a bag..

NL → DA / Niveau: A2

Over deze les

Met Uitchecken en hulp met je tas oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het deens.

Dialoog

A

Jeg vil gerne tjekke ud.

Jai wel gèrne tsjekke oed. Ik wil graag uitchecken.
B

Har du din værelsesnøgle med?

Haa doe dien veerelsesneule meed? Hebt u uw kamersleutel bij u?
A

Ja, her er den.

Jè, hè èr den. Ja, hier is hij.
B

Jeg ordner din udtjekning nu.

Jai onne dien oetsjekning noe. Ik check u nu uit.
A

Kan nogen hjælpe mig med min taske?

Ken nooen jelpe mai meed men teske? Kan iemand me met mijn tas helpen?
B

Jeg kan bede nogen om at møde dig ved skranken.

Jai ken beethe nooen om et meude dai vee sgranggen. Ik kan iemand vragen u bij de balie op te vangen.
A

Værelset var meget behageligt.

Veerelseð waa meed beheele. De kamer was erg comfortabel.
B

Det er jeg glad for at høre.

Deet èr jai glèd voor te heue. Dat hoor ik graag.
B

God rejse.

Goo raisse. Goede reis.

Woord voor woord

Jeg „Jeg“ betekent hier „ik“ en is de persoon die wil uitchecken. Je gebruikt „Jeg“ als onderwerp, bijvoorbeeld in de structuur „Jeg vil gerne + infinitief“ wanneer je zegt wat je graag wilt doen.
vil „vil“ geeft in „Jeg vil gerne tjekke ud“ aan wat de spreker wil doen: uitchecken. Het staat vóór „gerne“ en het daaropvolgende werkwoord; met „Jeg vil gerne + infinitief“ formuleer je een wens of verzoek aan een hotelmedewerker.
gerne „gerne“ betekent hier „graag“ en maakt van „Jeg vil“ de beleefde wens „Jeg vil gerne tjekke ud“. Je kunt „vil gerne“ gebruiken wanneer je in een praktische situatie vriendelijk zegt wat je wilt doen.
tjekke „tjekke“ betekent hier niet op zichzelf „controleren“, maar vormt samen met „ud“ de uitdrukking „tjekke ud“: uitchecken. In een hotel gebruik je bijvoorbeeld de volledige zin „Jeg vil gerne tjekke ud“.
ud „ud“ is hier het deel dat samen met „tjekke“ de hoteluitdrukking „tjekke ud“ vormt: uitchecken. Laat „ud“ in deze betekenis dus bij „tjekke“ staan wanneer je over vertrek uit een hotel spreekt.
Har „Har“ betekent hier „hebben“ in de vraag „Har du din værelsesnøgle med?“. Aan het begin van „Har du ...?“ vraag je of iemand iets bij zich heeft of bezit, zoals bij het uitchecken.
du „du“ betekent „jij“ en is in „Har du din værelsesnøgle med?“ de persoon aan wie de receptionist de vraag stelt. Je gebruikt „du“ als onderwerp in een directe vraag of mededeling tegen één persoon.
din „din“ betekent hier „jouw“ en hoort bij „din værelsesnøgle“: jouw kamersleutel. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord en geeft aan van wie iets is, bijvoorbeeld in „din taske“.
værelsesnøgle „værelsesnøgle“ betekent „kamersleutel“ en verwijst hier naar de sleutel van de hotelkamer. Het is een zelfstandig naamwoord dat je met een bezittelijk woord kunt combineren, zoals in „din værelsesnøgle“.
med „med“ betekent hier „bij je“ of „mee“ in de uitdrukking „have ... med“: iets bij je hebben. In „Har du din værelsesnøgle med?“ vraag je of de gast de sleutel heeft meegenomen.
Ja „Ja“ betekent „ja“ en bevestigt hier dat de gast de sleutel bij zich heeft. Je gebruikt het als korte bevestiging voordat je iets aanwijst of overhandigt, zoals in „Ja, her er den“.
her „her“ betekent „hier“ en wijst in „Ja, her er den“ naar de plaats waar de sleutel zich bevindt, namelijk bij de spreker. De structuur „her er ...“ is bruikbaar wanneer je iets aanwijst of aanbiedt.
er „er“ betekent hier „is“ in de aanwijzende zin „her er den“: hier is hij. Samen met „her“ en het voornaamwoord „den“ presenteert het de sleutel aan de receptionist.
den „den“ betekent hier „hem“ of „het bedoelde voorwerp“ en verwijst naar de kamersleutel. In „Her er den“ gebruik je „den“ om naar een eerder genoemd voorwerp te verwijzen zonder het opnieuw te noemen.
ordner „ordner“ betekent hier „regelt“ of „verzorgt“ in „Jeg ordner din udtjekning nu“. Het beschrijft dat de receptionist de vertrekafhandeling uitvoert; je kunt „ordner“ ook vóór een zelfstandig naamwoord gebruiken voor iets dat iemand afhandelt.
udtjekning „udtjekning“ betekent „uitchecken“ of „vertrekafhandeling“ en is hier datgene wat de receptionist voor de gast regelt. In „din udtjekning“ staat het als zelfstandig naamwoord na een bezittelijk woord.
nu „nu“ betekent „nu“ en geeft aan dat de receptionist de uitcheckprocedure op dit moment uitvoert. Je kunt „nu“ aan het einde van een zin zetten om het tijdstip van een handeling te verduidelijken.
Kan „Kan“ betekent „kan“ of „kunnen“ en opent hier het verzoek „Kan nogen hjælpe mig med min taske?“. Met „Kan ...?“ vraag je beleefd of iemand iets kan doen, bijvoorbeeld helpen met een tas.
nogen „nogen“ betekent hier „iemand“ in de vraag of er een beschikbare persoon is die kan helpen. De combinatie „Kan nogen + werkwoord?“ is bruikbaar wanneer je hulp vraagt zonder een specifieke persoon aan te spreken.
hjælpe „hjælpe“ betekent „helpen“ en staat na „kan“ in „Kan nogen hjælpe mig med min taske?“. De gebruikelijke structuur hier is „hjælpe iemand med iets“, dus „hjælpe mig med min taske“.
mig „mig“ betekent „mij“ en is de persoon die hulp nodig heeft in „hjælpe mig med min taske“. Het staat hier na „hjælpe“ als degene die geholpen wordt; in een verzoek kun je de structuur „hjælpe mig med ...“ gebruiken.
min „min“ betekent „mijn“ en geeft in „min taske“ aan dat de tas van de spreker is. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord en kan zo een persoonlijk voorwerp aanduiden waarover je hulp vraagt.
taske „taske“ betekent „tas“ en verwijst hier naar de bagage waarmee de gast hulp nodig heeft. In de uitdrukking „hjælpe mig med min taske“ is „taske“ het voorwerp waarmee iemand geholpen wordt.
bede „bede“ betekent hier „vragen“ of „verzoeken“ in „bede nogen om at møde dig“. De volledige constructie is „bede iemand om iets te doen“; de persoon die je vraagt staat direct na „bede“.
om „om“ hoort hier bij de constructie „bede nogen om at møde dig“ en verbindt het verzoek met de handeling die die persoon moet uitvoeren. Je gebruikt „bede nogen om at + werkwoord“ wanneer je iemand vraagt iets te doen.
at „at“ markeert hier het werkwoord „møde“ in de constructie „om at møde dig“. Na „om“ introduceert „at“ dus de handeling die gevraagd wordt; de volledige structuur is „bede nogen om at + werkwoord“.
møde „møde“ betekent hier „ontmoeten“ of iemand bij de balie opvangen. Het staat na „at“ in „om at møde dig ved skranken“; je gebruikt het met de persoon die iemand ontmoet, zoals „møde dig“.
dig „dig“ betekent „jou“ en verwijst naar de gast die bij de balie wordt opgevangen. Het staat in „møde dig“ na het werkwoord en geeft aan wie de receptionist of medewerker ontmoet.
ved „ved“ betekent hier „bij“ in „ved skranken“: bij de receptiebalie. Je gebruikt „ved + plaats“ om aan te geven waar iemand iemand anders ontmoet of een handeling plaatsvindt.
skranken „skranken“ betekent „de balie“ en verwijst hier naar de hotelreceptie. In „ved skranken“ geeft het de concrete ontmoetingsplaats aan; deze combinatie is bruikbaar wanneer je iemand naar de balie laat komen.
Værelset „Værelset“ betekent „de kamer“ en verwijst hier naar de hotelkamer van de gast. Het staat als onderwerp in „Værelset var meget behageligt“, waarmee je een kamer beschrijft.
var „var“ betekent „was“ en beschrijft in „Værelset var meget behageligt“ hoe de kamer eerder was. Je gebruikt „var“ om een beschrijving in het verleden te geven, gevolgd door bijvoorbeeld een bijvoeglijk naamwoord.
meget „meget“ betekent hier „erg“ of „zeer“ en versterkt „behageligt“ in „meget behageligt“. De herbruikbare structuur is „meget + bijvoeglijk naamwoord“ wanneer je een sterke mate wilt uitdrukken.
behageligt „behageligt“ betekent hier „comfortabel“ of „aangenaam“ en beschrijft de hotelkamer als prettig. In „Værelset var meget behageligt“ staat het na „var“ en wordt het versterkt door „meget“.
Det „Det“ betekent hier „dat“ of „het“ en verwijst naar de positieve opmerking over de kamer in „Det er jeg glad for at høre“. Je gebruikt „Det“ hier om naar een zojuist genoemde situatie of mededeling te verwijzen.
glad „glad“ betekent „blij“ in „Det er jeg glad for at høre“: de receptionist is blij dat te horen. Een bruikbaar patroon is „være glad for at + werkwoord“ wanneer je blij bent met een feit of bericht.
for „for“ hoort hier bij „glad for at høre“ en legt uit waarover de receptionist blij is: dat hij dit hoort. De structuur „glad for + zelfstandig naamwoord“ of „glad for at + werkwoord“ helpt om de reden van de blijdschap te noemen.
høre „høre“ betekent „horen“ in „glad for at høre“: blij zijn om dat te horen. Het staat na „at“ en benoemt de informatie die de receptionist van de gast ontvangt.
God „God“ betekent „goede“ of „goed“ in de afscheidsgroet „God rejse“. Samen met „rejse“ vormt het een wens voor een prettige reis; „God + zelfstandig naamwoord“ is een bruikbaar patroon in dergelijke wensen.
rejse „rejse“ betekent „reis“ in „God rejse“. De volledige uitdrukking wordt gebruikt bij het afscheid wanneer je iemand een goede reis wenst.

Grammatica

Adjektivet får -t efter et intetkønsord: behagelig → behageligt

et behageligt værelse

et beheele veerelse

Na een onzijdig zelfstandig naamwoord krijgt het bijvoeglijk naamwoord vaak -t.

Danish gebruikt -t bij onzijdige woorden, zoals værelse.

Bepaalde zelfstandige naamwoorden krijgen een achtervoegsel: værelse → værelset, skranke → skranken

værelset; skranken

veerelseð; sgranggen

De bepaalde vorm wordt vaak met een achtervoegsel gevormd.

Bij neutrale woorden is dat vaak -et; bij gemeenschappelijke woorden vaak -en.

Deens woordenschat

bede werkwoord
beethe vragen; verzoeken

Jeg kan bede nogen om at møde dig ved skranken.

gerne bijwoord
gèrne graag

Jeg vil gerne tjekke ud.

hjælpe werkwoord
jelpe helpen

Kan nogen hjælpe mig med min taske?

med voorzetsel
meed bij je; mee

Har du din værelsesnøgle med?

møde werkwoord
meude ontmoeten; opwachten

Jeg kan bede nogen om at møde dig ved skranken.

nogen voornaamwoord
nooen iemand

Kan nogen hjælpe mig med min taske?

ordne werkwoord
onne regelen; afhandelen ordner

Jeg ordner din udtjekning nu.

skranke zelfstandig naamwoord
sgrangge balie; receptie skranken

Jeg kan bede nogen om at møde dig ved skranken.

taske zelfstandig naamwoord
teske tas

Kan nogen hjælpe mig med min taske?

tjekke ud werkwoord
tsjekke oed uitchecken

Jeg vil gerne tjekke ud.

udtjekning zelfstandig naamwoord
oetsjekning uitchecken; uitcheckprocedure

Jeg ordner din udtjekning nu.

værelsesnøgle zelfstandig naamwoord
veerelsesneule kamersleutel

Har du din værelsesnøgle med?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik wil graag uitchecken.

Antwoord tonenJeg vil gerne tjekke ud.

Hebt u uw kamersleutel bij u?

Antwoord tonenHar du din værelsesnøgle med?

Ja, hier is hij.

Antwoord tonenJa, her er den.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

tas

Antwoord tonentaske

helpen

Antwoord tonenhjælpe

uitchecken; uitcheckprocedure

Antwoord tonenudtjekning

iemand

Antwoord tonennogen