Een cadeau kiezen voor een collega | Leer deens in het Nederlands

Danish lesson set in a contemporary Copenhagen everyday setting: At work, two adults choose a useful personal gift and a card for a coworker..

NL → DA / Niveau: A2

Over deze les

Met Een cadeau kiezen voor een collega oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het deens.

Dialoog

A

Vi skal vælge en gave til vores kollega.

wie skel welle en geewe tel woas koleega. We moeten een cadeau voor onze collega kiezen.
B

Skal det være nyttigt eller mere personligt?

skel de weere neut-ti el-le meer pe-soan-li? Moet het nuttig of meer persoonlijk zijn?
A

Hun kan godt lide te, så et tesæt kunne passe godt.

hoen kan got lee te, soo et teeseet koe-ne passe got. Ze houdt van thee, dus een theeset zou goed kunnen passen.
B

Det føles personligt, men det er stadig nyttigt.

de feu-les pe-soan-li, men de er stee-die neut-ti. Dat voelt persoonlijk, maar is toch nuttig.
A

Lad os også lægge et lille kort ved.

leh us oo-so leg-ge et lil-le koat vee. Laten we er ook een klein kaartje bij doen.
B

Alle kan skrive under på det, før vi giver hende gaven.

al-le kan skrie-we on-a poo de, feu-a wie gie-wa hen-ne gee-wun. Iedereen kan het ondertekenen voordat we haar het cadeau geven.

Woord voor woord

Vi Vi betekent hier ‘wij’: de twee collega’s bedoelen zichzelf samen. De vorm staat als onderwerp vóór het werkwoord, zoals in Vi skal vælge. Je gebruikt Vi wanneer je namens jezelf en anderen spreekt.
skal Skal geeft hier aan dat iets nodig is of moet gebeuren, zoals in Vi skal vælge en gave. Na skal volgt het werkwoord in de infinitief zonder at, hier vælge. Je gebruikt het bijvoorbeeld om een plan of noodzakelijke keuze te bespreken.
vælge Vælge betekent hier ‘kiezen’ en staat na skal in Vi skal vælge en gave. De vorm is de infinitief die volgt op skal. Je gebruikt vælge wanneer iemand tussen mogelijkheden een keuze maakt.
en En is hier het onbepaalde lidwoord bij gave in en gave: ‘een cadeau’. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord. Je gebruikt en vóór een zelfstandig naamwoord zoals gave wanneer het om één niet nader bepaald ding gaat.
gave Gave betekent hier ‘cadeau’ in en gave til vores kollega. Het is de naam voor het voorwerp dat de collega’s willen kiezen. Je kunt het gebruiken in de combinatie en gave til + persoon.
til Til geeft hier aan voor wie het cadeau bestemd is: til vores kollega betekent ‘voor onze collega’. Het staat vóór de persoon die de bestemming of ontvanger is. Je gebruikt til bijvoorbeeld in een combinatie als en gave til iemand.
vores Vores betekent hier ‘onze’ in vores kollega. Het geeft aan dat de collega bij de groep van de sprekers hoort. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord dat erbij hoort, zoals in vores kollega.
kollega Kollega betekent hier ‘collega’, de persoon voor wie het cadeau wordt gekozen. In vores kollega verwijst het naar iemand met wie de sprekers werken. Je kunt het gebruiken met een bezittelijk woord, zoals vores kollega.
det Det verwijst hier naar het cadeau of de cadeaukeuze waarover de collega’s praten, in Skal det være nyttigt? en Det føles personligt. Het fungeert daar als onderwerp van de zin. Je gebruikt det om naar een eerder genoemd ding of een besproken situatie te verwijzen.
være Være betekent hier ‘zijn’ in Skal det være nyttigt eller mere personligt? De vorm staat als infinitief na skal. Je gebruikt det være + een beschrijving wanneer je bespreekt hoe iets moet of kan zijn.
nyttigt Nyttigt betekent hier ‘nuttig’ en beschrijft het cadeau in Skal det være nyttigt en det er stadig nyttigt. Deze vorm hoort bij het neutrale det. Je gebruikt nyttigt om te zeggen dat iets praktisch of bruikbaar is.
eller Eller betekent hier ‘of’ en verbindt de twee mogelijkheden nyttigt en mere personligt. Het maakt een keuze tussen alternatieven duidelijk. Je gebruikt eller tussen opties of mogelijke beschrijvingen.
mere Mere betekent hier ‘meer’ en versterkt de vergelijking in mere personligt: ‘persoonlijker’ of ‘meer persoonlijk’. Het staat vóór de beschrijving personligt. Je gebruikt mere vóór een eigenschap wanneer je een hogere mate ervan bedoelt.
personligt Personligt betekent hier ‘persoonlijk’ en beschrijft hoe het cadeau aanvoelt. Het staat in mere personligt en later in Det føles personligt. Je gebruikt personligt bijvoorbeeld om een cadeau of gebaar als individueel en attent te beschrijven.
Hun Hun betekent hier ‘zij’ en is het onderwerp van Hun kan godt lide te. Het verwijst naar de vrouwelijke collega voor wie het cadeau wordt gekozen. Je gebruikt Hun vóór het werkwoord wanneer zij iets doet of iets leuk vindt.
kan godt lide Kan godt lide betekent als geheel ‘leuk vinden’ of ‘houden van’ in Hun kan godt lide te. Kan, godt en lide vormen samen deze vaste uitdrukking; kan geeft hier niet letterlijk alleen ‘kunnen’ aan, godt maakt de positieve waardering deel van de uitdrukking en lide draagt het betekeniselement ‘leuk vinden’. Een bruikbaar patroon is X kan godt lide Y, bijvoorbeeld bij een voorkeur voor eten, drinken of activiteiten.
te Te betekent hier ‘thee’ en is wat Hun kan godt lide. Het is het voorwerp van de uitdrukking kan godt lide. Je gebruikt te wanneer je over de drank of een voorkeur daarvoor spreekt.
Så betekent hier ‘dus’ en verbindt de voorkeur voor thee met het voorstel voor een tesæt. Het leidt de conclusie of het gevolg in så et tesæt kunne passe godt in. Je gebruikt så om vanuit een reden naar een voorstel of gevolg te gaan.
et Et is hier het onbepaalde lidwoord bij tesæt in et tesæt: ‘een theeset’. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord. Je gebruikt et vóór een zelfstandig naamwoord zoals tesæt wanneer het om één niet nader bepaald ding gaat.
tesæt Tesæt betekent hier ‘theeset’, het voorgestelde cadeau voor de collega. Het staat na et in et tesæt. Je gebruikt dit woord voor een set die bij het drinken van thee hoort.
kunne Kunne maakt het voorstel in et tesæt kunne passe godt voorzichtig: het ‘zou goed kunnen passen’ of ‘zou kunnen werken’. Het staat vóór de infinitief passe. Je gebruikt kunne + infinitief om een mogelijkheid of voorzichtige suggestie uit te drukken.
passe Passe betekent hier ‘passen’ of ‘werken’ in et tesæt kunne passe godt: het cadeau zou geschikt kunnen zijn. Het staat na kunne en wordt versterkt door godt. Je gebruikt passe wanneer je beoordeelt of een idee, voorwerp of keuze geschikt is.
godt Godt betekent hier ‘goed’ in passe godt en geeft aan dat het theeset waarschijnlijk goed geschikt is. In kan godt lide maakt godt deel uit van een vaste uitdrukking, maar in passe godt beschrijft het hoe goed iets past. Je gebruikt het hier na passe om de geschiktheid te beoordelen.
føles Føles betekent hier ‘voelt aan’ in Det føles personligt. Het beschrijft de indruk die het cadeau geeft, niet alleen een fysieke aanraking. Je gebruikt det føles + een beschrijving wanneer je een persoonlijke indruk of beoordeling geeft.
men Men betekent hier ‘maar’ en zet de persoonlijke indruk tegenover het feit dat het cadeau nuttig blijft. Het verbindt de twee delen van Det føles personligt, men det er stadig nyttigt. Je gebruikt men om een tegenstelling of nuancering toe te voegen.
er Er betekent hier ‘is’ in det er stadig nyttigt. Het verbindt det met de beschrijving stadig nyttigt. Er is een vorm van være; je gebruikt det er + een beschrijving om iets te beoordelen of te beschrijven.
stadig Stadig betekent hier ‘nog steeds’ in det er stadig nyttigt. Het benadrukt dat het cadeau nuttig blijft ondanks dat het ook persoonlijk aanvoelt. Je gebruikt stadig om aan te geven dat een eigenschap of situatie voortduurt.
Lad Lad opent in Lad os også lægge et lille kort ved een gezamenlijk voorstel: ‘laten we ook een klein kaartje erbij leggen’. In de constructie Lad os + infinitief maakt Lad het voorstel mogelijk. Je gebruikt Lad os wanneer je samen met iemand iets wilt voorstellen.
os Os betekent hier ‘ons’ in Lad os ook lægge et lille kort ved en verwijst naar de groep die samen handelt. Het hoort bij de voorstelconstructie Lad os + infinitief. Je gebruikt os na Lad wanneer de spreker zichzelf en anderen bij het voorstel betrekt.
også Også betekent hier ‘ook’ en voegt het kaartje toe aan het cadeau. In Lad os også lægge staat het vóór het voorgestelde werkwoord. Je gebruikt også om extra informatie of een extra handeling toe te voegen.
lægge Lægge betekent hier ‘leggen’ of ‘plaatsen’ in Lad os også lægge et lille kort ved. Het is de infinitief na Lad os en beschrijft wat de groep met het kaartje wil doen. Je gebruikt lægge voor het plaatsen van iets op of naast een bepaalde plek.
lille Lille betekent hier ‘klein’ en beschrijft het kort in et lille kort. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord. Je gebruikt lille om de beperkte grootte van een voorwerp aan te geven.
kort Kort betekent hier ‘kaartje’ of ‘kaart’ in et lille kort. Het is het kleine kaartje dat naast het cadeau wordt gelegd en later wordt ondertekend. Je gebruikt et kort wanneer je over zo’n kaartje spreekt.
ved Ved betekent hier ‘bij’ of ‘naast’ in lægge et lille kort ved: het kaartje wordt naast het cadeau gelegd. Het geeft de plaatsrelatie aan. Je gebruikt ved na lægge om te zeggen dat iets naast of bij iets anders wordt geplaatst.
Alle Alle betekent hier ‘iedereen’ in Alle kan skrive under på det. Het verwijst naar alle mensen in de groep die het kaartje kunnen ondertekenen. Je gebruikt Alle als onderwerp wanneer je de hele groep bedoelt.
skrive under på Skrive under på betekent als geheel ‘ondertekenen’ in skrive under på det. Skrive betekent ‘schrijven’, under hoort bij de vaste uitdrukking skrive under en på verbindt die uitdrukking met wat wordt ondertekend, hier det. Een bruikbaar patroon is skrive under på + iets, bijvoorbeeld bij een kaart, formulier of overeenkomst.
før Før betekent hier ‘voordat’ in før vi giver hende gaven. Het geeft aan dat het ondertekenen eerder gebeurt dan het geven van het cadeau. Je gebruikt før vóór een bijzin die de volgorde van twee handelingen beschrijft.
giver Giver betekent hier ‘geven’ in vi giver hende gaven. In deze zin staat eerst de ontvanger hende en daarna wat wordt gegeven, gaven. Je gebruikt giver bijvoorbeeld in het patroon iemand giver iemand iets wanneer je beschrijft dat iemand iets aan een ander overhandigt.
hende Hende betekent hier ‘haar’ of ‘aan haar’ in giver hende gaven. Het verwijst naar de vrouwelijke collega die het cadeau ontvangt. Je gebruikt hende na het werkwoord voor de persoon aan wie iets wordt gegeven.
gaven Gaven betekent hier ‘het cadeau’ in giver hende gaven. Het verwijst naar het specifieke cadeau dat eerder in het gesprek is gekozen; gaven is de bepaalde vorm van gave. Je gebruikt het in de combinatie giver hende gaven wanneer je beschrijft dat zij het gekozen cadeau krijgt.

Grammatica

lad os + infinitiv

Lad os give hende gaven.

leh us gie-we hen-ne gee-wun.

Laten we haar het cadeau geven.

Na lad os staat het werkwoord in de infinitief, zonder te.

det + være + bijvoeglijk naamwoord op -t

Det er nyttigt.

de er neut-ti.

Dat is nuttig.

Bij det krijgt een bijvoeglijk naamwoord vaak de onzijdige uitgang -t: nyttig wordt nyttigt.

Deens woordenschat

det voornaamwoord
de het; dat
eller voegwoord
elle of
gave zelfstandig naamwoord
geewe cadeau
kollega zelfstandig naamwoord
koleega collega
mere bijwoord
meer meer
nyttig bijvoeglijk naamwoord
neut-ti nuttig nyttigt
Geslacht
neuter
personlig bijvoeglijk naamwoord
pe-soan-li persoonlijk personligt
Geslacht
neuter
til voorzetsel
tel voor; naar
vi voornaamwoord
wie we
vores bepaler
woas onze
vælge werkwoord
welle kiezen
være werkwoord
weere zijn

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

nuttig

Antwoord tonennyttigt

zijn

Antwoord tonenvære

cadeau

Antwoord tonengave

kiezen

Antwoord tonenvælge