Over deze les
Met Begrijpen en weten oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.
Dialoog
Ich verstehe es jetzt.
isj fer-SJTEE-uh es jets Ik begrijp het nu.Ich verstehe es nicht.
isj fer-SJTEE-uh es nisjt Ik begrijp het niet.Ich weiß es nicht.
isj vais es nisjt Ik weet het niet.Was meinst du?
vas mainst doe? Wat bedoel je?Verstehst du mich?
fer-SJTEEST doe misj? Begrijp je mij?Kennst du ihn?
kenst doe ien? Ken je hem?Uitleg van de zinnen
Ich verstehe es jetzt.
Ik begrijp het nu.
- Ich
- ik
- verstehe
- begrijp
- es
- het
- jetzt
- nu
Uitgebreide uitleg
Ich betekent hier “ik” en is de eerste persoon enkelvoud: de spreker is degene die begrijpt. Het Duitse persoonlijke voornaamwoord verandert volgens de grammaticale rol; bijvoorbeeld mich betekent “mij” in een andere rol, maar Ich is hier het onderwerp. verstehe is de tegenwoordige tijd van verstehen (“begrijpen”) bij ich: ich verstehe. De vorm gebruikt hier dezelfde stam als het infinitief; leer dus de combinatie als verstehen – ich verstehe. Voorbeeld: Ich verstehe die Frage. = “Ik begrijp de vraag.” es is hier een persoonlijk voornaamwoord als lijdend voorwerp, met de betekenis “het”. De vorm verwijst naar iets dat in deze zin niet nader wordt genoemd. Voorbeeld: Ich verstehe es. = “Ik begrijp het.” jetzt betekent “nu” en plaatst het begrijpen in het huidige moment. Het verandert niet mee met persoon of getal. Voorbeeld: Ich komme jetzt. = “Ik kom nu.” Samen vormen de delen Ich verstehe es jetzt de mededeling “Ik begrijp het nu”: de spreker is degene die het begrijpt, es is wat begrepen wordt, en jetzt geeft aan dat dit op dit moment geldt.
Ich verstehe es nicht.
Ik begrijp het niet.
- Ich
- ik
- verstehe
- begrijp
- es
- het
- nicht
- niet
Uitgebreide uitleg
Ich betekent hier “ik” en is de vorm voor de eerste persoon enkelvoud. Het is het onderwerp van de zin. Bijvoorbeeld: Ich lerne Deutsch. — “Ik leer Duits.” verstehe is de tegenwoordige tijd van verstehen (“begrijpen”) bij ich: ich verstehe. De vorm verstehe draagt dus zowel de betekenis “begrijp” als de informatie dat de spreker de handeling uitvoert. Een nuttig betekeniscontrast is verstehen (“begrijpen”) tegenover wissen (“weten”): Ich verstehe es. — “Ik begrijp het.”; Ich weiß es. — “Ik weet het.” es is hier een persoonlijk voornaamwoord in de vierde naamval (accusatief), als lijdend voorwerp van verstehe. In deze vaste zin verwijst het volgens de vertaling naar “het”, maar de aangeleverde zin specificeert niet waarnaar “het” verwijst. Het voornaamwoord zelf heeft de vorm es; bijvoorbeeld: Ich sehe es. — “Ik zie het.” nicht maakt de uiting negatief: het betekent hier “niet”. In dit patroon staat het na het lijdend voorwerp: Ich verstehe es nicht. — “Ik begrijp het niet.” Met een expliciet zelfstandig naamwoord blijft hetzelfde patroon bruikbaar: Ich verstehe die Frage nicht. — “Ik begrijp de vraag niet.” Samen vormen de delen Ich + verstehe + es + nicht de ontkennende mededeling “Ik begrijp het niet.” De spreker is het onderwerp, verstehe is de vervoegde vorm van verstehen, es is het lijdend voorwerp en nicht ontkent het begrijpen. De formulering is een gewone, neutrale manier om onbegrip uit te drukken.
Ich weiß es nicht.
Ik weet het niet.
- Ich
- ik
- weiß
- weet
- es
- het
- nicht
- niet
Uitgebreide uitleg
Ich betekent hier ik: de spreker verwijst naar zichzelf. Het is de eerste persoon enkelvoud; vergelijk in een ander voorbeeld Du weißt es nicht. — Jij weet het niet. weiß is de vorm van het werkwoord wissen in de eerste persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd. De stam verandert hier: wissen → ich weiß, terwijl bijvoorbeeld du weißt bij du hoort. Wissen gaat om kennis of zekerheid. Een natuurlijk voorbeeld is Ich weiß die Antwort. — Ik weet het antwoord. es betekent hier het en is een voornaamwoord dat als object bij weiß staat. In deze vaste zin verwijst het niet naar een concreet genoemd zelfstandig naamwoord; samen met wissen vormt het de gebruikelijke uitdrukking etwas wissen / es wissen voor iets weten. Het grammaticale geslacht van es bepaalt de vorm van dit Duitse voornaamwoord, maar legt hier geen specifiek eerder genoemd referent vast. nicht is de ontkenning: het maakt van weten niet-weten. In deze zin staat het aan het einde en ontkent het de bewering als geheel. Vergelijk Ich weiß es. — Ik weet het. en Ich weiß es nicht. — Ik weet het niet. Samen vormen Ich weiß es nicht. de betekenis Ik weet het niet.: Ich is degene die iets niet weet, weiß drukt het weten uit, es is het object van dat weten en nicht ontkent de volledige bewering. Dit is een gewone, neutrale manier om te zeggen dat je de betreffende informatie niet kent of niet kunt geven.
Was meinst du?
Wat bedoel je?
- Was
- wat
- meinst
- bedoelt
- du
- jij
Uitgebreide uitleg
Was betekent hier “wat” en vraagt naar de inhoud of bedoeling waarnaar de spreker verwijst. Het is een vraagwoord; vergelijk wer voor een persoon en wo voor een plaats. Voorbeeld: Was liest du? — “Wat lees je?” meinst komt van meinen en betekent hier “bedoelen”. De vorm meinst is de tegenwoordige tijd bij du: du meinst. Andere nuttige vormen zijn ich meine en sie meinen. Meinen kan ook “vinden” betekenen, maar in deze zin gaat het om iemands bedoelde betekenis. Voorbeeld: Was meinst du damit? — “Wat bedoel je daarmee?” du is het persoonlijke voornaamwoord voor één aangesproken persoon in een informele aanspreekvorm. Het is hier het onderwerp van meinst; daarom staat de werkwoordsvorm op -st. De beleefde aanspreekvorm is Sie, met een andere werkwoordsvorm: Was meinen Sie? — “Wat bedoelt u?” Samen vormen Was meinst du? een vraag met het patroon Was + werkwoord + du?: “Wat bedoel je?” De vraag vraagt de aangesprokene om zijn of haar bedoelde betekenis te verduidelijken. In deze vaste vertaling is meinst dus “bedoelt”, niet “vindt”.
Verstehst du mich?
Begrijp je mij?
- Verstehst
- begrijpt
- du
- jij
- mich
- mij
Uitgebreide uitleg
Verstehst betekent hier “begrijpt”. Het is de vorm van het werkwoord verstehen (“begrijpen”) in de tegenwoordige tijd voor du: du verstehst. De uitgang -st markeert hier de tweede persoon enkelvoud. Voorbeeld: Du verstehst mich. — “Je begrijpt me.” du is het persoonlijke voornaamwoord voor één aangesproken persoon: “jij/je”. In deze zin is du het onderwerp, dus degene die begrijpt. In een gewone mededeling staat het onderwerp vóór het werkwoord: Du verstehst mich. mich betekent hier “mij” en is de accusatiefvorm van ich (“ik”). Het is het lijdend voorwerp: datgene of degene die begrepen wordt. Vergelijk: Ich verstehe dich. — “Ik begrijp jou.” Hier verandert ich in de objectsvorm mich, terwijl du als object dich wordt. Samen vormen de delen een ja-neevraag: Verstehst du mich? Het vervoegde werkwoord staat vooraan, daarna volgt het onderwerp du en vervolgens het lijdend voorwerp mich. De volledige betekenis is: “Begrijp je mij?”
Kennst du ihn?
Ken je hem?
- Kennst
- kent
- du
- jij
- ihn
- hem
Uitgebreide uitleg
Kennst komt van het werkwoord kennen: iemand of iets uit ervaring kennen. In deze zin is het de vorm voor du in de tegenwoordige tijd: du kennst. Vergelijk: Ich kenne ihn = “Ik ken hem” en Du kennst ihn = “Jij kent hem”. Kennen verschilt van wissen, dat meestal gaat over een feit of informatie: Ich weiß es = “Ik weet het”. du betekent “jij” en is hier het onderwerp. Het werkwoord staat in de vorm die bij du hoort. In een gewone mededelende zin staat dat onderwerp vaak vóór het werkwoord, bijvoorbeeld Du kennst ihn = “Jij kent hem”. ihn betekent hier “hem” en is de mannelijke enkelvoudsvorm van het persoonlijke voornaamwoord in de vierde naamval (accusatief). Het is het lijdend voorwerp van kennen: degene die gekend wordt. De bijbehorende vormen zijn onder andere er = “hij” als onderwerp en ihn = “hem” als lijdend voorwerp. Voor een vrouwelijk persoon staat in deze functie sie = “haar”. In de hele vraag staat het vervoegde werkwoord vooraan: Kennst du ...? Dat is een gebruikelijke Duitse vraagvolgorde voor een ja-neevraag. De onderdelen betekenen samen: “Ken jij hem?”, natuurlijk vertaald als “Ken je hem?”.
Grammatica
W-vraag: vraagwoord + werkwoord + onderwerp
Was meinst du?
vas mainst doe?Wat bedoel je?
In een Duitse vraag met een vraagwoord staat het werkwoord vóór het onderwerp: Was meinst du?
Accusatief voor persoonlijke voornaamwoorden
Verstehst du mich?
fer-SJTEEST doe misj?Begrijp je mij?
Na een werkwoord als verstehen gebruik je mich voor ‘mij’ en ihn voor ‘hem’, niet de onderwerpvorm ich of er.
Duits woordenschat
Was meinst du?
Ich verstehe es jetzt.
Ich verstehe es jetzt.
Kennst du ihn?
Ich verstehe es jetzt.
Kennst du ihn?
Was meinst du?
Verstehst du mich?
Ich verstehe es nicht.
Ich verstehe es jetzt.
Was meinst du?
Ich weiß es nicht.
Quiz
Woordvolgorde
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Ik begrijp het nu.
Antwoord tonen
Ich verstehe es jetzt.Ik begrijp het niet.
Antwoord tonen
Ich verstehe es nicht.Ik weet het niet.
Antwoord tonen
Ich weiß es nicht.Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
kennen
Antwoord tonen
kennstweten
Antwoord tonen
weißbegrijpen
Antwoord tonen
verstehebedoelen