Beoordeling, grootte en moeilijkheid | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic evaluation, size, and difficulty..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Beoordeling, grootte en moeilijkheid oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Das ist sehr gut.

Das ist zeer goet. Dit is heel goed.
B

Das ist nicht gut.

Das ist nigt goet. Dat is niet goed.
A

Das ist zu groß.

Das ist tsoe groos. Dit is te groot.
B

Das ist zu klein.

Das ist tsoe klain. Dit is te klein.
A

Es ist sehr einfach.

Es ist zeer ainfach. Het is heel makkelijk.
B

Es ist sehr schwierig.

Es ist zeer sjwierig. Het is heel moeilijk.

Uitleg van de zinnen

  1. Das ist sehr gut.

    Dit is heel goed.

    Das
    dit
    ist
    is
    sehr
    heel, erg
    gut
    goed
    Uitgebreide uitleg

    Das is hier een zelfstandig gebruikt aanwijzend voornaamwoord met de betekenis “dit”. De vorm is onzijdig enkelvoud en staat hier als onderwerp. In een andere context kan dezelfde vorm ook “dat” betekenen. Voorbeeld: Das ist neu. — “Dit/dat is nieuw.” ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”) in de tegenwoordige tijd: sein → ist. Deze vorm past bij het enkelvoudige onderwerp Das. Voorbeeld: Das ist richtig. — “Dit/dat is juist.” sehr versterkt een bijvoeglijk naamwoord en betekent hier “heel” of “erg”. Het staat vóór gut: sehr + bijvoeglijk naamwoord. Het drukt op zichzelf geen vergelijking uit. Voorbeeld: Das ist sehr wichtig. — “Dit/dat is heel belangrijk.” gut is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis “goed”. Na sein staat het hier predicatief en krijgt het geen verbuigingsuitgang: Das ist gut. De gebruikelijke vergelijkingsreeks is gut — besser — am besten (“goed” — “beter” — “het best”). Voorbeeld: Das ist besser. — “Dit/dat is beter.” Samen vormt Das ist sehr gut. de betekenis “Dit is heel goed.” De structuur is: aanwijzend onderwerp + vorm van “zijn” + versterker + predicatief bijvoeglijk naamwoord.

  2. Das ist nicht gut.

    Dat is niet goed.

    Das
    dat
    ist
    is
    nicht
    niet
    gut
    goed
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dat” en is een aanwijzend voornaamwoord. De gegeven informatie identificeert geen specifiek referent; grammaticaal is das de onzijdige enkelvoudsvorm. De vorm hangt dus niet alleen van nabijheid af, maar ook van de grammaticale kenmerken van het aangewezen element. Voorbeeld: Das ist neu. — “Dat is nieuw.” ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”) in de tegenwoordige tijd: sein → ist. Het verbindt hier Das met de beschrijving gut. Voorbeeld: Das ist klein. — “Dat is klein.” nicht betekent “niet” en ontkent hier de daaropvolgende beschrijving gut. Vergelijk: Das ist sehr gut. — “Dat is heel goed.” gut betekent hier “goed” en beschrijft Das. De vergelijkingsreeks is gut — besser — am besten: “goed” — “beter” — “het best”. Voorbeeld: Das ist besser. — “Dat is beter.” Samen vormen Das ist + nicht gut de zin Das ist nicht gut.: “Dat is niet goed.” nicht staat vóór gut en ontkent daardoor deze beoordeling.

  3. Das ist zu groß.

    Dit is te groot.

    Das
    dit
    ist
    is
    zu groß
    te groot
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dit” en staat zelfstandig als onderwerp. Het is een aanwijzend voornaamwoord; de concrete referent wordt in deze zin niet benoemd. In het Duits heeft deze vorm hier de onzijdige enkelvoudsvorm, maar die vorm zegt op zichzelf niet welk voorwerp bedoeld is. Voorbeeld: Das ist neu. — “Dit is nieuw.” Dit is een nieuw voorbeeld met hetzelfde patroon; het zegt niets over de referent in de vaste zin. ist is de tegenwoordige tijd van sein (“zijn”) bij de derde persoon enkelvoud: sein → ist. Het koppelt het onderwerp aan een toestand of eigenschap. Voorbeeld: Das ist klein. — “Dit is klein.” zu groß bestaat uit zu plus het bijvoeglijk naamwoord groß. Samen betekent dit “te groot”: de beschreven grootte overschrijdt een relevante maat of verwachting. Hier is zu dus niet de infinitiefmarkeerder in een constructie zoals zu gehen (“te gaan”). groß betekent “groot”; een bruikbare vergelijkingsreeks is groß → größer (“groter”) → am größten (“het grootst”). Voorbeeld: Der Tisch ist zu groß. — “De tafel is te groot.” Dit illustreert hetzelfde patroon met een expliciet genoemd onderwerp. Samen vormt Das ist zu groß de structuur aanwijzend voornaamwoord + sein + zu + bijvoeglijk naamwoord: “Dit is te groot.” De vaste vertaling bevestigt dat Das hier “dit” betekent en dat zu groß een beoordeling van de grootte uitdrukt.

  4. Das ist zu klein.

    Dit is te klein.

    Das
    dit
    ist
    is
    klein
    klein
    zu klein
    te klein
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dit” en staat als onderwerp. Het is een aanwijzend voornaamwoord in het onzijdige enkelvoud; de zin maakt niet zelfstandig duidelijk waarnaar het verwijst. In een andere context kan das ook een lidwoord of een ander soort woord zijn, dus leer hier vooral de functie als aanwijzer. ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”) in de tegenwoordige tijd. De basisvorm is sein: es ist betekent “het is” en sie ist “zij is”. klein betekent hier “klein”. Het is een bijvoeglijk naamwoord. De vergelijkingsreeks is klein – kleiner – am kleinsten (“klein” – “kleiner” – “het kleinst”). Voorbeeld: Der Hund ist klein. — “De hond is klein.” zu klein vormt samen de betekenis “te klein”: zu staat vóór het bijvoeglijk naamwoord en geeft aan dat iets onder een gewenste of benodigde maat blijft. Dit is iets anders dan sehr klein (“heel klein”): sehr versterkt de eigenschap, terwijl zu aangeeft dat de mate niet geschikt is. Voorbeeld: Die Jacke ist zu klein. — “De jas is te klein.” Samen bestaat de zin uit het onderwerp Das, het werkwoord ist en de beoordelende woordgroep zu klein: “Dit is te klein.”

  5. Es ist sehr einfach.

    Het is heel makkelijk.

    Es ist
    het is
    sehr
    heel
    einfach
    makkelijk
    Uitgebreide uitleg

    Es ist betekent hier “het is”. ist is de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd van sein (“zijn”): sein – ist. In deze zin verwijst es niet naar een specifiek benoemd zelfstandig naamwoord; het vormt samen met ist de constructie “het is”. Voorbeeld: Es ist kalt. — “Het is koud.” sehr versterkt het woord dat erop volgt: “heel” of “zeer”. Het verandert niet van vorm. Voorbeeld: Es ist sehr wichtig. — “Het is heel belangrijk.” einfach betekent hier “makkelijk” of “eenvoudig”. Het is een bijvoeglijk naamwoord; in deze constructie staat het na ist als beschrijving van de toestand. Een nuttig contrast is einfach — “makkelijk” tegenover schwierig — “moeilijk”. Voorbeeld: Die Aufgabe ist einfach. — “De opdracht is makkelijk.” Samen vormen de delen Es ist + sehr + einfach: “Het is heel makkelijk.”

  6. Es ist sehr schwierig.

    Het is heel moeilijk.

    Es ist
    Het is
    sehr
    heel
    schwierig
    moeilijk
    Uitgebreide uitleg

    Es ist betekent hier “het is”. ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”): sein – ist. In deze onpersoonlijke constructie is es een formeel onderwerp; de zin benoemt geen concreet zelfstandig naamwoord als onderwerp. Een bruikbaar patroon is Es ist + bijvoeglijk naamwoord, bijvoorbeeld: Es ist wichtig. — “Het is belangrijk.” sehr versterkt het daaropvolgende bijvoeglijk naamwoord en betekent hier “heel”. Het staat vóór schwierig: sehr + bijvoeglijk naamwoord. Zonder deze versterking zou Es ist schwierig. betekenen: “Het is moeilijk.” schwierig betekent hier “moeilijk” of “lastig”. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat na ist predicatief wordt gebruikt en daarom in deze vorm geen verbuiging krijgt. De vergelijking is schwierig – schwieriger – am schwierigsten: “moeilijk – moeilijker – het moeilijkst”. Voorbeeld: Die Aufgabe ist schwieriger. — “De opdracht is moeilijker.” Samen vormen de delen Es ist sehr schwierig.: es (“het”) + ist (“is”) + sehr (“heel”) + schwierig (“moeilijk”). De volledige betekenis is dus: “Het is heel moeilijk.”

Grammatica

sehr + Adjektiv

Das ist sehr gut.

Das ist zeer goet.

Dit is heel goed.

„sehr“ versterkt een bijvoeglijk naamwoord, zoals „gut“.

zu + Adjektiv

Es ist zu groß.

Es ist tsoe groos.

Het is te groot.

„zu“ betekent hier „te“ en geeft aan dat iets meer is dan gewenst.

Duits woordenschat

Das voornaamwoord
das dit/dat
einfach bijvoeglijk naamwoord
ainfach makkelijk
Es voornaamwoord
es het
groß bijvoeglijk naamwoord
groos groot
gut bijvoeglijk naamwoord
goet goed
ist werkwoord
ist is
klein bijvoeglijk naamwoord
klain klein
schwierig bijvoeglijk naamwoord
sjwierig moeilijk
sehr bijwoord
zeer heel
zu bijwoord
tsoe te

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Dit is heel goed.

Antwoord tonenDas ist sehr gut.

Dat is niet goed.

Antwoord tonenDas ist nicht gut.

Dit is te groot.

Antwoord tonenDas ist zu groß.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

heel

Antwoord tonensehr

klein

Antwoord tonenklein

groot

Antwoord tonengroß

makkelijk

Antwoord toneneinfach