Das
In Das ist sehr gut. en Das ist nicht gut. betekent Das ‘dit’ of ‘dat’, afhankelijk van waarnaar je verwijst. Das staat hier als onderwerp voor iets dat je beoordeelt. Een bruikbaar patroon is Das ist + een beoordeling wanneer je naar een zaak of situatie verwijst.
ist
Ist betekent hier ‘is’ en verbindt het onderwerp met de beoordeling of eigenschap erna. Het is de vorm van sein die bij Das en Es in deze zinnen wordt gebruikt. Gebruik ist in een zin met de structuur onderwerp + ist + eigenschap.
sehr
Sehr versterkt de beoordeling in sehr gut, sehr einfach en sehr schwierig: ‘heel’ of ‘zeer’. Het staat hier vóór het bijvoeglijk naamwoord dat het versterkt. Een betrouwbaar patroon is sehr + bijvoeglijk naamwoord om een sterke mate uit te drukken.
gut
Gut betekent in Das ist sehr gut. ‘goed’ en geeft een positieve beoordeling. Het staat na ist als eigenschap van Das. Gebruik gut bijvoorbeeld om iets, een resultaat of een situatie positief te beoordelen.
nicht
Nicht maakt de beoordeling in Das ist nicht gut. ontkennend: ‘niet goed’. Het staat hier vóór gut en ontkent die eigenschap. Gebruik nicht vóór het deel dat je in een zin wilt ontkennen.
zu
Zu betekent in Das ist zu groß. en Das ist zu klein. ‘te’, dus in een te hoge of ongeschikte mate. Het staat vóór het bijvoeglijk naamwoord en geeft aan dat de grootte een probleem is. Een bruikbaar patroon is zu + bijvoeglijk naamwoord wanneer iets een grens overschrijdt.
groß
Groß betekent in Das ist zu groß. ‘groot’; met zu betekent de hele beoordeling dat iets te groot is. Groß staat hier na ist als eigenschap van Das. Gebruik groß om de grootte van iets te beschrijven.
klein
Klein betekent in Das ist zu klein. ‘klein’; met zu geeft het aan dat iets kleiner is dan gewenst. Klein staat hier na ist als eigenschap van Das. Gebruik klein om de grootte van iets te beschrijven.
Es
In Es ist sehr einfach. en Es ist sehr schwierig. betekent Es ‘het’ en verwijst het als onderwerp naar iets dat gemakkelijk of moeilijk is. Es staat hier als onderwerp vóór ist. Gebruik de structuur Es ist + bijvoeglijk naamwoord om iets algemeen te beoordelen.
einfach
Einfach betekent in Es ist sehr einfach. ‘gemakkelijk’ of ‘eenvoudig’. Het beschrijft hier iets dat weinig moeilijkheid heeft en staat na ist. Gebruik einfach om een taak, uitleg of situatie als gemakkelijk te beoordelen.
schwierig
Schwierig betekent in Es ist sehr schwierig. ‘moeilijk’. Het beschrijft hier iets dat veel moeite of vaardigheid vraagt en staat na ist. Gebruik schwierig om een taak, uitleg of situatie als moeilijk te beoordelen.