Basisgezondheid en temperatuur | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic health and temperature..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Basisgezondheid en temperatuur oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Es ist zu heiß.

es ist tsoe hais Het is te warm.
B

Es ist zu kalt.

es ist tsoe kalt Het is te koud.
A

Ich bin sehr müde.

iech bin zee-uh muu-duh Ik ben erg moe.
B

Ich habe großen Hunger.

iech haa-buh groh-sun hoeng-uh Ik heb erg veel honger.
A

Ich habe großen Durst.

iech haa-buh groh-sun doerst Ik heb erg veel dorst.
B

Ich fühle mich krank.

iech fuu-luh mich krank Ik voel me ziek.

Uitleg van de zinnen

  1. Es ist zu heiß.

    Het is te warm.

    Es
    het (onpersoonlijk onderwerp)
    ist
    is
    zu
    te
    heiß
    warm
    Uitgebreide uitleg

    Es is hier het onpersoonlijke onderwerp in de betekenis van “het” bij een toestand of weersituatie. Het verwijst in deze zin niet naar een specifiek genoemd zelfstandig naamwoord. In het Duits kan es ook naar een concreet onzijdig zelfstandig naamwoord verwijzen, maar dat is hier niet de functie. ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”) in de tegenwoordige tijd. De relevante reeks is: ich bin, du bist, er/sie/es ist. In Es ist zu kalt. uit de context blijft dezelfde vorm staan; alleen de beschrijving verandert. zu betekent hier “te” en geeft aan dat een graad een gewenste of aanvaardbare grens overschrijdt. Het is dus niet hetzelfde als sehr (“zeer”): sehr heiß betekent “zeer warm”, terwijl zu heiß betekent “te warm”. heiß is een beschrijvend bijvoeglijk naamwoord met de betekenis “warm” in deze context. De basisvorm is heiß; vóór een zelfstandig naamwoord kan de uitgang veranderen, bijvoorbeeld ein heißer Tag (“een warme dag”). Na sein, zoals hier, staat het bijvoeglijk naamwoord zonder die uitgang: Es ist heiß. Samen vormen Es ist en zu heiß de betekenis: “Het is te warm.” De zin beschrijft een toestand en zegt dat de warmte boven de bedoelde of aanvaardbare grens ligt. Een herbruikbaar patroon is Es ist zu + bijvoeglijk naamwoord, bijvoorbeeld Es ist zu laut. — “Het is te luid.”

  2. Es ist zu kalt.

    Het is te koud.

    Es ist
    het is
    zu
    te
    kalt
    koud
    Uitgebreide uitleg

    Es ist betekent hier “het is”. es is een onpersoonlijk voornaamwoord dat in deze zin het onderwerp vormt; ist is de tegenwoordige tijd van sein (“zijn”) voor de derde persoon enkelvoud. Het vaste patroon Es ist + bijvoeglijk naamwoord beschrijft een toestand, bijvoorbeeld: Es ist ruhig. — “Het is rustig.” zu betekent hier “te” en geeft aan dat een eigenschap een ongewenst of bovenmatig niveau heeft. Het staat vóór het bijvoeglijk naamwoord: zu kalt — “te koud”. Vergelijk sehr kalt — “erg koud”: sehr versterkt alleen, terwijl zu aangeeft dat de mate een grens overschrijdt. kalt betekent hier “koud”. Het is het bijvoeglijk naamwoord in zijn basisvorm. De vergelijkingsreeks is kalt — “koud”, kälter — “kouder”, am kältesten — “het koudst”. In deze zin beschrijft kalt de toestand die door zu als bovenmatig wordt aangeduid. Samen vormen de delen Es ist + zu + kalt de betekenis “Het is te koud.” De zin zegt dat de situatie koud is en dat de kou een te hoge of ongeschikte graad heeft. De eerdere context gebruikt hetzelfde patroon met zu heiß: “te warm”; dat bevestigt de parallelle tegenstelling tussen kalt en heiß.

  3. Ich bin sehr müde.

    Ik ben erg moe.

    Ich bin
    ik ben
    sehr
    erg
    müde
    moe
    Uitgebreide uitleg

    Ich bin betekent hier «ik ben». Ich is de eerste persoon enkelvoud: de spreker verwijst naar zichzelf. bin is de vorm van het werkwoord sein («zijn») bij ich; vergelijk ich bin, du bist, er/sie ist. Voorbeeld: Ich bin zu Hause. — «Ik ben thuis.» sehr versterkt een bijvoeglijk naamwoord en betekent hier «erg». Het staat vóór müde en maakt de vermoeidheid sterker: sehr müde — «erg moe». Voorbeeld: Das ist sehr wichtig. — «Dat is erg belangrijk.» müde betekent hier «moe» of «vermoeid». Het is een bijvoeglijk naamwoord; in Ich bin sehr müde staat het na sein als naamwoordelijk deel en krijgt het geen uitgang. De basisvorm is müde; een vergelijkende vorm is müder («moeër»), bijvoorbeeld: Heute bin ich müder. — «Vandaag ben ik moeër.» Samen vormen de delen Ich bin + sehr + müde de volledige betekenis: «Ik ben erg moe.»

  4. Ich habe großen Hunger.

    Ik heb erg veel honger.

    Ich
    ik
    habe
    heb
    großen
    grote
    Hunger
    honger
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier ‘ik’ en verwijst naar de spreker. Het is de eerste persoon enkelvoud; deze vorm verandert niet naargelang het geslacht van de spreker. habe is de vorm van haben bij ich in de tegenwoordige tijd: ich habe. In deze vaste uitdrukking betekent haben niet vooral bezit, maar een lichamelijke toestand ervaren. Hetzelfde patroon staat bijvoorbeeld in Ich habe Durst. — ‘Ik heb dorst.’ großen hoort bij het bijvoeglijke naamwoord groß (‘groot’). In großen Hunger krijgt het de uitgang -en, omdat Hunger mannelijk is, hier het lijdend voorwerp is en er geen lidwoord voor staat. De vergelijkingsreeks is groß – größer – am größten. In deze uitdrukking betekent großen Hunger haben idiomatisch ‘veel of erg honger hebben’, niet noodzakelijk letterlijk ‘grote honger’. Hunger is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Hunger. Het benoemt het gevoel van behoefte aan eten. Het komt hier na het bijvoeglijke naamwoord in de vaste combinatie großen Hunger haben. Samen vormen de delen Ich habe großen Hunger. de betekenis: ‘Ik heb erg veel honger.’ Het patroon Ich habe + [zelfstandig naamwoord] is herbruikbaar voor toestanden of lichamelijke behoeften, zoals Ich habe großen Durst. — ‘Ik heb erg veel dorst.’ De zin is een gewone, neutrale manier om te zeggen dat de spreker honger heeft.

  5. Ich habe großen Durst.

    Ik heb erg veel dorst.

    Ich habe
    ik heb
    großen
    grote, hevige
    Durst
    dorst
    Uitgebreide uitleg

    Ich habe is de eerste persoon enkelvoud van haben in de tegenwoordige tijd: ich habe. In deze zin drukt haben een lichamelijke toestand uit. Het is een bruikbaar patroon: Ich habe ... = “Ik heb ...”. Voorbeeld: Ich habe Hunger. — “Ik heb honger.” großen betekent hier “hevige” of “erg veel” en hoort bij Durst. De basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord is groß; großen is hier de verbogen vorm. Durst is mannelijk (der Durst). De woordgroep großen Durst is het accusatiefobject van haben; daarom krijgt groß in deze woordgroep de uitgang -en. Dit is geen vergrotende trap: de vergrotende trap van groß is größer. Durst betekent “dorst”. Het is een zelfstandig naamwoord en wordt in het Duits met een hoofdletter geschreven. In de vaste uitdrukking großen Durst haben betekent het geheel natuurlijk “veel dorst hebben” of “erg dorstig zijn”. Voorbeeld: Sie hat großen Durst. — “Zij heeft erg veel dorst.” Samen vormen de delen Ich habe großen Durst de natuurlijke Duitse uitdrukking voor “Ik heb erg veel dorst.”

  6. Ich fühle mich krank.

    Ik voel me ziek.

    Ich
    ik
    fühle
    voel
    mich
    me
    krank
    ziek
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik”: de spreker is het onderwerp van de zin. Het is de eerste persoon enkelvoud; in andere rollen verandert het bijvoorbeeld in mich (mij/me) of mir (mij/aan mij). fühle komt van fühlen, “voelen”. fühle is de vorm voor ich in de tegenwoordige tijd: ich fühle. Voor een ander onderwerp verandert de vorm, bijvoorbeeld du fühlst (“jij voelt”). mich betekent hier “me/mij” en verwijst terug naar dezelfde persoon als Ich. Bij het wederkerende gebruik past de vorm bij de persoon: ich fühle mich, maar du fühlst dich. mich is hier de vierde naamval (accusatief), de vorm die bij ich hoort wanneer die persoon het voorwerp van de handeling of ervaring is. krank is een bijvoeglijk naamwoord en betekent “ziek”. Na sich fühlen beschrijft het de toestand waarin iemand zich bevindt. Voorbeeld: Sie fühlt sich müde. — “Zij voelt zich moe.” Het bijvoeglijk naamwoord müde verandert in dit voorbeeld niet omdat het na sich fühlen als toestandsbeschrijving staat. Samen vormen de delen Ich fühle mich krank: “Ik voel me ziek.” De structuur is ich + vorm van fühlen + wederkerend voornaamwoord + toestandsbeschrijving. De zin zegt dat de spreker zichzelf als ziek ervaart.

Grammatica

sich fühlen: Ich fühle mich + Adjektiv

Ich fühle mich sehr müde.

iech fuu-luh mich zee-uh muu-duh

Ik voel me erg moe.

Bij fühlen hoort het wederkerend voornaamwoord mich. Het bijvoeglijk naamwoord beschrijft hoe je je voelt.

Hunger/Durst haben

Ich habe Hunger.

iech haa-buh hoeng-uh

Ik heb honger.

In het Duits gebruik je habe met Hunger en Durst, net als in het Nederlands met heb.

Duits woordenschat

Durst zelfstandig naamwoord
doerst dorst

Ich habe großen Durst.

fühle werkwoord
fuu-luh voel

Ich fühle mich krank.

habe werkwoord
haa-buh heb

Ich habe großen Hunger.

heiß bijvoeglijk naamwoord
hais heet

Es ist zu heiß.

Hunger zelfstandig naamwoord
hoeng-uh honger

Ich habe großen Hunger.

kalt bijvoeglijk naamwoord
kalt koud

Es ist zu kalt.

krank bijvoeglijk naamwoord
krank ziek

Ich fühle mich krank.

mich voornaamwoord
mich me

Ich fühle mich krank.

müde bijvoeglijk naamwoord
muu-duh moe

Ich bin sehr müde.

sehr bijwoord
zee-uh erg

Ich bin sehr müde.

zu bijwoord
tsoe te

Es ist zu heiß.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Het is te warm.

Antwoord tonenEs ist zu heiß.

Het is te koud.

Antwoord tonenEs ist zu kalt.

Ik ben erg moe.

Antwoord tonenIch bin sehr müde.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

heb

Antwoord tonenhabe

dorst

Antwoord tonenDurst

erg

Antwoord tonensehr

moe

Antwoord tonenmüde