Ich
„Ich” betekent hier „ik” en verwijst naar de spreker als onderwerp van de zin. Je gebruikt „Ich” wanneer je iets over jezelf zegt, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld „Ich bin müde”.
fühle
„fühle” betekent hier „voel” in „Ich fühle mich besser.” De vorm „fühle” is de ik-vorm van „fühlen”. Je gebruikt deze vorm in de constructie „Ich fühle mich …” om je eigen toestand te beschrijven, bijvoorbeeld na ziekte of stress.
mich
„mich” verwijst in „Ich fühle mich besser” terug naar de spreker: ik voel mezelf. Samen met „fühle” vormt het de constructie „Ich fühle mich …”, die je gebruikt om te zeggen hoe je je voelt.
besser
„besser” betekent hier „beter” en geeft aan dat de toestand van de spreker verbeterd is. In „Ich fühle mich besser” gebruik je het om te zeggen dat je je beter voelt, bijvoorbeeld wanneer je herstelt van ziekte.
bin
„bin” betekent hier „ben” in zinnen over de toestand van de spreker, zoals „Ich bin sehr beschäftigt” en „Ich bin jetzt bereit.” De vorm „bin” hoort bij „sein”. Je gebruikt „Ich bin” gevolgd door een beschrijving van jezelf of je toestand.
sehr
„sehr” betekent „erg” of „zeer” en versterkt hier de betekenis van „beschäftigt” in „Ich bin sehr beschäftigt.” Je gebruikt „sehr” vóór een bijvoeglijke beschrijving om die sterker te maken, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld „Das ist sehr wichtig”.
beschäftigt
„beschäftigt” betekent hier „druk” of „bezig”: de spreker heeft op dit moment weinig vrije tijd. In „Ich bin sehr beschäftigt” staat het na „Ich bin sehr” om de toestand van de spreker te beschrijven. Je gebruikt deze zin wanneer iemand je iets vraagt terwijl je bezig bent.
jetzt
„jetzt” betekent „nu” en verwijst in „Ich bin jetzt bereit” naar het huidige moment. Je kunt „jetzt” gebruiken om aan te geven dat een toestand op dit moment geldt, zoals in „Ich bin jetzt bereit” wanneer je klaar bent om te beginnen.
bereit
„bereit” betekent „klaar” of „bereid” in „Ich bin jetzt bereit.” Met „Ich bin bereit” geef je aan dat je klaar bent om iets te doen of dat iets kan beginnen. Dezelfde beschrijving verschijnt ontkennend in „Ich bin nicht bereit”.
nicht
„nicht” maakt de beschrijving in „Ich bin nicht bereit” ontkennend: de spreker is niet klaar. In deze zin staat „nicht” vóór „bereit” om de toestand te ontkennen. Je gebruikt dit bijvoorbeeld wanneer je meer voorbereidingstijd nodig hebt.
brauche
„brauche” betekent hier „heb nodig” in „Ich brauche mehr Zeit.” De vorm „brauche” is de ik-vorm van „brauchen”. Je gebruikt de constructie „Ich brauche” gevolgd door wat je nodig hebt, bijvoorbeeld wanneer je om extra tijd vraagt.
mehr
„mehr” betekent „meer” en geeft in „Ich brauche mehr Zeit” aan dat de spreker extra tijd nodig heeft. Je gebruikt „mehr” vóór wat je in een grotere hoeveelheid nodig hebt, zoals in „mehr Zeit”. Dit past bij een situatie waarin de beschikbare tijd niet voldoende is.
Zeit
„Zeit” betekent „tijd” in „Ich brauche mehr Zeit” en „Hast du Zeit?” Het woord benoemt de tijd die iemand nodig heeft of beschikbaar heeft. Je gebruikt het bijvoorbeeld om extra tijd te vragen of om naar iemands beschikbaarheid te vragen.
Hast
„Hast” betekent hier „heb je” in de vraag „Hast du Zeit?” De vorm „Hast” hoort bij „haben” en staat aan het begin omdat dit een vraag is. Je gebruikt „Hast du” om iemand te vragen of die persoon iets heeft of beschikbaar heeft, zoals tijd.
du
„du” betekent „je” of „jij” en verwijst in „Hast du Zeit?” naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld. Het is het onderwerp van de vraag. Je gebruikt „du” wanneer je één persoon rechtstreeks aanspreekt, bijvoorbeeld in „Hast du Zeit?”.