Ich
«Ich» betekent hier «ik» en is de persoon die iets heeft of kan. Het is de persoonlijke vorm voor de spreker. Een veelgebruikt patroon is «Ich habe ...» of «Ich kann ...», bijvoorbeeld om bezit of mogelijkheid uit te drukken.
habe
«habe» betekent hier «heb» en drukt bezit uit in «Ich habe dieses hier» en «Ich habe es nicht». «habe» is de vorm van «haben» die bij «Ich» hoort. Gebruik het bijvoorbeeld in het patroon «Ich habe» gevolgd door wat je bezit.
dieses
«dieses» verwijst in «dieses hier» naar een specifiek voorwerp en betekent hier «dit/deze». Samen met «hier» wijst de spreker het bedoelde voorwerp aan. Het vaste patroon «dieses hier» is bruikbaar wanneer je één bepaald voorwerp kiest.
hier
«hier» betekent «hier» en maakt in «dieses hier» duidelijk welk voorwerp de spreker bedoelt. Het staat achter de aanwijzing in deze uitdrukking. Je kunt «dieses hier» gebruiken wanneer je iets aanwijst dat zich hier bevindt.
es
«es» verwijst hier naar het bedoelde ding of de bedoelde handeling en betekent «het». In «Ich habe es nicht» is het iets dat iemand niet heeft; in «Ich kann es» is het iets dat iemand kan doen. Een bruikbaar patroon is «Ich habe es» of «Ich kann es» wanneer de context al duidelijk maakt waarnaar «es» verwijst.
nicht
«nicht» betekent «niet» en ontkent in deze dialoog wat iemand heeft of kan. In «Ich habe es nicht» staat de ontkenning bij het niet hebben, en in «Ich kann es nicht» bij het niet kunnen. Gebruik «nicht» om een hele mededeling of mogelijkheid te ontkennen.
kann
«kann» betekent hier «kan» en drukt uit dat de spreker iets wel of niet kan doen. «kann» is de vorm van «können» die bij «Ich» hoort. Het patroon «Ich kann es» is bruikbaar om een mogelijkheid of vaardigheid aan te geven.
Kannst
«Kannst» betekent hier «kun je» en opent een vraag aan één persoon over diens mogelijkheid om iets te doen. «Kannst» is de vorm van «können» die bij «du» hoort. Gebruik het patroon «Kannst du ...?» om iemand om hulp of om een handeling te vragen.
du
«du» betekent «jij» of «je» en verwijst in «Kannst du mir helfen?» en «Kannst du das machen?» naar de aangesproken persoon. Het wordt hier gebruikt voor één persoon in een directe, informele vraag. Een bruikbaar patroon is «Kannst du ...?» wanneer je iets aan die persoon vraagt.
mir
«mir» betekent hier «mij» of «aan mij» en geeft aan wie hulp ontvangt in «Kannst du mir helfen?». Het hoort bij de uitdrukking «mir helfen». Gebruik het patroon «Kannst du mir helfen?» wanneer je iemand vraagt jou te helpen.
helfen
«helfen» betekent «helpen» en benoemt in «Kannst du mir helfen?» de gevraagde ondersteuning. «helfen» staat hier als handeling na «Kannst». Gebruik de volledige vraag «Kannst du mir helfen?» wanneer je hulp nodig hebt, bijvoorbeeld bij een taak of probleem.
das
«das» verwijst in «Kannst du das machen?» naar een bepaalde taak of handeling en betekent hier «dat» of «dit». De context bepaalt welke taak bedoeld wordt. Gebruik «Kannst du das machen?» wanneer je iemand vraagt of die persoon die specifieke taak kan uitvoeren.
machen
«machen» betekent hier «doen» en benoemt de handeling in «Kannst du das machen?». Het staat na «Kannst» om te vragen of iemand een bepaalde taak kan uitvoeren. Gebruik de volledige vraag wanneer je iemand rechtstreeks vraagt een concrete taak te doen.