Basisvragen om toestemming | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic permission questions..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Basisvragen om toestemming oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Kann ich das benutzen?

kan iesj das benóetsen? Kan ik dit gebruiken?
B

Kann ich hier sitzen?

kan iesj hie-uh zítsen? Kan ik hier zitten?
A

Kann ich reinkommen?

kan iesj raainkómmen? Kan ik binnenkomen?
B

Kann ich es sehen?

kan iesj es zéé-ən? Kan ik het zien?
A

Kann ich es ausprobieren?

kan iesj es áoutsprobíeren? Kan ik het proberen?
B

Kann ich das haben?

kan iesj das haaben? Kan ik dit hebben?

Woord voor woord

Kann „Kann“ betekent hier „kan“ en vraagt of iemand toestemming krijgt. Het is de vervoegde vorm van „können“ die in deze vraag aan het begin staat. Je gebruikt „Kann“ bijvoorbeeld in „Kann ich das benutzen?“ wanneer je beleefd wilt vragen of je iets mag gebruiken.
ich „ich“ betekent „ik“ en verwijst naar de persoon die toestemming vraagt. In deze vragen staat „ich“ direct na „Kann“: „Kann ich …?“. Je gebruikt dit patroon wanneer je zelf iets wilt vragen of doen.
das „das“ verwijst hier naar iets dat de spreker aanwijst of al kent, en betekent in deze context „dit“ of „dat“. Het staat als voornaamwoord in „Kann ich das benutzen?“ en „Kann ich das haben?“. Je gebruikt „das“ wanneer duidelijk is over welk voorwerp of welke zaak je spreekt.
benutzen „benutzen“ betekent „gebruiken“ en staat hier in de vorm „benutzen“ na „Kann ich“. Na „Kann“ blijft het werkwoord in deze vraag in deze vorm staan: „Kann ich das benutzen?“. Je gebruikt deze vraag bijvoorbeeld wanneer je toestemming wilt vragen om een apparaat of voorwerp te gebruiken.
hier „hier“ betekent „hier“ en geeft de plaats aan waar iemand wil zitten. In „Kann ich hier sitzen?“ staat het vóór het werkwoord „sitzen“. Je gebruikt deze vraag bijvoorbeeld wanneer je wilt weten of je op een bepaalde plek mag plaatsnemen.
sitzen „sitzen“ betekent „zitten“ en beschrijft hier de handeling waarvoor iemand toestemming vraagt. Het staat na „Kann ich hier“ in „Kann ich hier sitzen?“. Je gebruikt deze vorm om te vragen of je op een bepaalde plaats mag blijven zitten.
reinkommen „reinkommen“ betekent „binnenkomen“ en wordt hier gebruikt om toestemming te vragen om naar binnen te gaan. In „Kann ich reinkommen?“ staat het werkwoord na „Kann ich“ in deze vorm. Je gebruikt deze vraag bijvoorbeeld bij een deur of ingang wanneer je naar binnen wilt.
es „es“ verwijst hier naar iets dat de spreker wil bekijken of uitproberen, en betekent „het“. Het staat als voornaamwoord in „Kann ich es sehen?“ en „Kann ich es ausprobieren?“. Je gebruikt „es“ wanneer het bedoelde voorwerp of onderwerp al bekend is.
sehen „sehen“ betekent „zien“ en beschrijft hier wat de spreker wil doen als daarvoor toestemming wordt gevraagd. Het staat na „Kann ich es“ in „Kann ich es sehen?“. Je gebruikt deze vraag bijvoorbeeld wanneer je iets wilt bekijken dat iemand anders vasthoudt of laat zien.
ausprobieren „ausprobieren“ betekent „uitproberen“ en geeft hier aan dat de spreker iets zelf wil testen. Het staat na „Kann ich es“ in „Kann ich es ausprobieren?“. Je gebruikt deze vraag bijvoorbeeld wanneer je toestemming wilt vragen om een apparaat, hulpmiddel of activiteit te testen.
haben „haben“ betekent „hebben“ en wordt hier gebruikt om te vragen of de spreker iets mag krijgen of nemen. Het staat na „Kann ich das“ in „Kann ich das haben?“. Je gebruikt deze vraag bijvoorbeeld wanneer je belangstelling hebt voor een voorwerp en wilt vragen of je het mag hebben.

Grammatica

trennbares Verb: reinkommen → komme ... rein

Ich komme hier rein.

iesj kómme hie-uh raain.

Ik kom hier binnen.

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel in een gewone hoofdzin achteraan: komme ... rein.

das als aanwijzend voornaamwoord

Ich benutze das hier.

iesj benóetse das hie-uh.

Ik gebruik dit hier.

das verwijst naar iets en betekent hier ‘dit’; het staat vóór het bijwoord hier.

Duits woordenschat

ausprobieren werkwoord
áoutsprobíeren uitproberen
benutzen werkwoord
benóetsen gebruiken
das voornaamwoord
das dit
es voornaamwoord
es het
haben werkwoord
haaben hebben
hier bijwoord
hie-uh hier
ich voornaamwoord
iesj ik
reinkommen werkwoord
ráainkommen binnenkomen
sehen werkwoord
zéé-ən zien
sitzen werkwoord
zítsen zitten

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Kan ik dit gebruiken?

Antwoord tonenKann ich das benutzen?

Kan ik hier zitten?

Antwoord tonenKann ich hier sitzen?

Kan ik binnenkomen?

Antwoord tonenKann ich reinkommen?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

hier

Antwoord tonenhier

gebruiken

Antwoord tonenbenutzen

zien

Antwoord tonensehen

binnenkomen

Antwoord tonenreinkommen