Controleren en naar de status vragen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic checking and asking about status..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Controleren en naar de status vragen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ist das okay?

ist das oo-kee? Is dit oké?
B

Ist das deine Tasche?

ist das daai-nuh tasjuh? Is dit jouw tas?
A

Sitzt hier jemand?

zitst hier jee-mant? Zit hier iemand?
B

Bist du jetzt beschäftigt?

bist doe jetst buh-sjefticht? Ben je nu druk?
A

Bist du jetzt bereit?

bist doe noet buh-raait? Ben je nu klaar?
B

Brauchst du Hilfe?

braauchst doe hil-fuh? Heb je hulp nodig?

Uitleg van de zinnen

  1. Ist das okay?

    Is dit oké?

    Ist das
    Is dit …?
    okay
    oké
    Uitgebreide uitleg

    Ist das vormt hier een ja-neevraag. ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”): sein – ist. In een gewone mededelende zin staat het werkwoord niet op deze vraagpositie, maar in deze vraag staat ist vooraan. das is hier een aanwijzend voornaamwoord met de betekenis “dit”; de precieze zaak of situatie waarnaar het verwijst, wordt in deze zin niet genoemd. okay is een onveranderlijk leenwoord dat hier betekent dat iets aanvaardbaar, geschikt of in orde is. Het beschrijft de toestand van de bedoelde zaak of situatie. Een vergelijkbare, meer Duitse vorm is in Ordnung, maar die vervangt het woord in de bron niet. Samen betekent Ist das okay? letterlijk ongeveer “Is dit in orde?” en natuurlijk: “Is dit oké?” De vorm is een herbruikbaar patroon: Ist das + bijvoeglijke bepaling? Bijvoorbeeld: Ist das richtig? — “Is dat juist?”

  2. Ist das deine Tasche?

    Is dit jouw tas?

    Ist das
    Is dit
    deine
    jouw
    Tasche
    tas
    Uitgebreide uitleg

    Ist das vormt hier de ja-neevraag: ist is de vorm van sein voor de derde persoon enkelvoud, en das betekent in deze context “dit”. In een Duitse ja-neevraag staat de vervoegde werkwoordsvorm vooraan: Ist das ...? betekent “Is dit ...?”. Vergelijk als voorbeeld: Ist das neu? — “Is dit nieuw?” deine hoort bij het bezittelijke grondwoord dein (“jouw”). De uitgang -e past hier bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud: die Tasche, dus deine Tasche. Het bezittelijke woord verandert mee met de grammaticale vorm van het zelfstandig naamwoord; dein Bruder is bijvoorbeeld “jouw broer”, terwijl deine Tasche “jouw tas” is. Tasche betekent hier “tas”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Tasche; het meervoud is die Taschen. Voorbeeld: Meine Tasche ist hier. — “Mijn tas is hier.” Samen is Ist das deine Tasche? letterlijk opgebouwd als “Is dit jouw tas?”. De vraag gebruikt de woordvolgorde van een Duitse ja-neevraag en vraagt of de genoemde tas aan de aangesprokene toebehoort.

  3. Sitzt hier jemand?

    Zit hier iemand?

    Sitzt
    zit
    hier
    hier
    jemand
    iemand
    Uitgebreide uitleg

    Sitzt komt van sitzen en betekent hier “zitten”. De vorm sitzt is de tegenwoordige tijd voor de derde persoon enkelvoud; het onderwerp staat verderop in de vraag. In een Duitse ja-neevraag staat de persoonsvorm vaak vooraan: Sitzt jemand ...? betekent “Zit iemand ...?”. Een korte voorbeeldzin: Er sitzt hier. — “Hij zit hier.” hier betekent “op deze plaats” of eenvoudig “hier”. Het is een bijwoord en verandert niet naar persoon of aantal. Voorbeeld: Wartest du hier? — “Wacht je hier?” jemand betekent “iemand”: een onbepaalde persoon, zonder dat die persoon nader wordt genoemd. Het woord verwijst dus naar een persoon, maar identificeert die persoon niet. Het staat hier als onderwerp na de persoonsvorm. Een bruikbaar contrast is niemand — “niemand”, dus geen enkele persoon. Samen vormen de delen de vraag Sitzt hier jemand?: sitzt geeft de handeling en de tegenwoordige tijd aan, hier geeft de plaats aan, en jemand is de onbepaalde persoon die mogelijk zit. De Duitse vraagvolgorde met de persoonsvorm vooraan maakt er een ja-neevraag van: “Zit hier iemand?”

  4. Bist du jetzt beschäftigt?

    Ben je nu druk?

    Bist du
    ben je
    jetzt
    nu
    beschäftigt
    druk
    Uitgebreide uitleg

    Bist du is hier de vraagvorm van sein (zijn) met du (jij). De vorm bist hoort bij du; in een gewone mededelende zin staat het werkwoord meestal op de tweede positie: Du bist beschäftigt. In deze ja/nee-vraag staat het werkwoord vooraan: Bist du beschäftigt? Voorbeeld: Bist du bereit? — Ben je klaar? jetzt betekent hier nu en plaatst de toestand in het huidige moment. Het kan ook in andere zinnen staan, bijvoorbeeld: Ich arbeite jetzt. — Ik werk nu. beschäftigt beschrijft hier de toestand van de aangesproken persoon: druk of bezig. Het is een bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord; in de combinatie beschäftigt sein betekent het bezig/druk zijn. Voorbeeld: Sie ist beschäftigt. — Zij is bezig/druk. Het tegengestelde idee is frei in de betekenis vrij of niet bezig, bijvoorbeeld: Bist du frei? — Ben je vrij? Samen vormen de delen de ja/nee-vraag Bist du jetzt beschäftigt?: Ben je nu druk? De vraag gaat dus over de huidige toestand van de aangesproken persoon.

  5. Bist du jetzt bereit?

    Ben je nu klaar?

    Bist du
    ben je …?
    jetzt
    nu
    bereit
    klaar; bereid
    Uitgebreide uitleg

    Bist du is een vraagspatroon met het werkwoord sein (“zijn”) voorop en het persoonlijk voornaamwoord du (“je/jij”) erna. De vorm bist hoort bij du; andere vormen zijn bijvoorbeeld bin bij ich en ist bij er/sie/es. Voorbeeld: Bist du müde? — “Ben je moe?” jetzt betekent hier “nu” en plaatst de toestand in het huidige moment. Het kan ook in andere vragen en mededelingen staan, bijvoorbeeld: Ich arbeite jetzt. — “Ik werk nu.” bereit betekent “klaar” of “bereid” in de zin dat iemand gereed is om iets te doen. Het is hier een beschrijvend woord na sein; het krijgt in deze constructie geen extra uitgang. Voorbeeld: Wir sind bereit. — “Wij zijn klaar.” Het woord fertig kan in sommige contexten ook “klaar” betekenen, maar bereit benadrukt vooral gereedheid of bereidheid om verder te gaan. Samen vormen de delen Bist du jetzt bereit? de vraag “Ben je nu klaar?” De vraag gaat over de gereedheid van de aangesprokene op dit moment.

  6. Brauchst du Hilfe?

    Heb je hulp nodig?

    Brauchst
    hebt nodig
    du
    jij
    Hilfe
    hulp
    Uitgebreide uitleg

    Brauchst komt van het werkwoord brauchen: iets nodig hebben. In deze zin is brauchst de tegenwoordige tijd voor du (jij): du brauchst. Het werkwoord staat hier vóór het onderwerp omdat dit een ja/nee-vraag is. Voorbeeld: Du brauchst Hilfe. — Jij hebt hulp nodig. du is de informele tweede-persoonsvorm voor één aangesproken persoon. Het bijbehorende werkwoord krijgt hier de vorm brauchst. In een vraag staat du na het werkwoord: Brauchst du ...? Voorbeeld: Brauchst du Zeit? — Heb je tijd nodig? Hilfe betekent hulp. Het is een zelfstandig naamwoord en wordt in het Duits met een hoofdletter geschreven. In deze zin staat het zonder lidwoord, omdat het gaat om hulp in het algemeen en niet om een specifiek genoemde hulpbron. Voorbeeld: Ich brauche Hilfe. — Ik heb hulp nodig. Samen vormen de delen het patroon Brauchst du + zelfstandig naamwoord?: “Heb je ... nodig?” Daarom betekent Brauchst du Hilfe? precies: “Heb je hulp nodig?”

Grammatica

Werkwoord + hier + iemand?

Sitzt hier jemand?

zitst hier jee-mant?

Zit hier iemand?

In een Duitse ja/nee-vraag staat het werkwoord vooraan, vóór het onderwerp.

deine + zelfstandig naamwoord

deine Tasche

daai-nuh tasjuh

jouw tas

De bezittelijke vorm deine staat vóór het zelfstandig naamwoord en past bij het vrouwelijke woord Tasche.

Duits woordenschat

bereit bijvoeglijk naamwoord
buh-raait klaar

Bist du jetzt bereit?

beschäftigt bijvoeglijk naamwoord
buh-sjefticht druk

Bist du jetzt beschäftigt?

Brauchst werkwoord
braauchst heb je nodig

Brauchst du Hilfe?

das voornaamwoord
das dit

Ist das okay?

deine bepaler
daai-nuh jouw

Ist das deine Tasche?

hier bijwoord
hie-uh hier

Sitzt hier jemand?

Hilfe zelfstandig naamwoord
hil-fuh hulp

Brauchst du Hilfe?

jemand voornaamwoord
jee-mant iemand

Sitzt hier jemand?

jetzt bijwoord
jetst nu

Bist du jetzt beschäftigt?

okay bijvoeglijk naamwoord
oo-kee oké

Ist das okay?

Sitzt werkwoord
zitst zit

Sitzt hier jemand?

Tasche zelfstandig naamwoord
tasjuh tas

Ist das deine Tasche?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Is dit oké?

Antwoord tonenIst das okay?

Is dit jouw tas?

Antwoord tonenIst das deine Tasche?

Zit hier iemand?

Antwoord tonenSitzt hier jemand?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

tas

Antwoord tonenTasche

hier

Antwoord tonenhier

druk

Antwoord tonenbeschäftigt

zit

Antwoord tonenSitzt