Ist
„Ist“ betekent hier „is“ en staat aan het begin van de vragen „Ist das okay?“ en „Ist das deine Tasche?“. Het is de vorm van „sein“ die in deze vragen wordt gebruikt. Een bruikbaar patroon is: „Ist das ...?“ wanneer je naar iets vraagt.
das
„Das“ verwijst hier naar iets waarover je vraagt of het oké is of van iemand is: „Ist das okay?“ en „Ist das deine Tasche?“. Het betekent in deze zinnen „dit“ of „dat“. Je kunt „das“ bijvoorbeeld gebruiken in het patroon „Das ist ...“ om iets aan te wijzen of te benoemen.
okay
„Okay“ betekent hier „oké“ en vraagt of iets aanvaardbaar of in orde is. Het blijft in het Duits dezelfde vorm als in het Nederlands. Je gebruikt het bijvoorbeeld in de vraag „Ist das okay?“ wanneer je toestemming of bevestiging wilt vragen.
deine
„Deine“ betekent hier „jouw“ en hoort bij „Tasche“ in „deine Tasche“. Samen geeft „deine Tasche“ aan dat de tas van de aangesproken persoon is. Een bruikbaar patroon is „deine“ gevolgd door iets waarvan je zegt dat het van de ander is.
Tasche
„Tasche“ betekent hier „tas“, in de vraag „Ist das deine Tasche?“. Het benoemt het voorwerp waarvan je wilt weten of het van de ander is. Je kunt het gebruiken in combinaties zoals „deine Tasche“.
Sitzt
„Sitzt“ betekent hier „zit“ in „Sitzt hier jemand?“. De vorm staat vooraan omdat dit een vraag is over iemand die op deze plek zit; de bijbehorende vorm in de woordenlijst is „sitzen“. Een bruikbaar vraagpatroon is „Sitzt hier ...?“ wanneer je wilt weten of iemand ergens zit.
hier
„Hier“ betekent „hier“ en verwijst in „Sitzt hier jemand?“ naar de plek waar de spreker zich bevindt. Het helpt om de plaats van de handeling aan te geven. Je kunt het ook gebruiken in een patroon zoals „... ist hier“ om naar deze plek te verwijzen.
jemand
„Jemand“ betekent hier „iemand“ in de vraag „Sitzt hier jemand?“. Het vraagt of er een niet nader genoemde persoon op deze plek zit. Je gebruikt „jemand“ wanneer je naar een persoon vraagt zonder die persoon te benoemen.
Bist
„Bist“ betekent hier „bent“ in de vragen „Bist du jetzt beschäftigt?“ en „Bist du jetzt bereit?“. Het is de vorm van „sein“ die samen met „du“ wordt gebruikt. Een bruikbaar patroon is „Bist du ...?“ om naar iemands toestand of situatie te vragen.
du
„Du“ betekent hier „je“ of „jij“ en verwijst naar de persoon tegen wie wordt gesproken. In „Bist du jetzt beschäftigt?“ en „Bist du jetzt bereit?“ is „du“ degene naar wiens toestand wordt gevraagd. Je gebruikt „du“ voor één persoon die je rechtstreeks aanspreekt.
jetzt
„Jetzt“ betekent „nu“ en maakt in „Bist du jetzt beschäftigt?“ en „Bist du jetzt bereit?“ duidelijk dat het om het huidige moment gaat. Het geeft het tijdstip van de toestand aan. Je kunt „jetzt“ gebruiken vóór een toestand, zoals in „jetzt bereit“.
beschäftigt
„Beschäftigt“ betekent hier „bezig“ in „Bist du jetzt beschäftigt?“. Het beschrijft de toestand van de persoon op dit moment. Je gebruikt het bijvoorbeeld na „Bist du“ om te vragen of iemand op dat moment bezig is.
bereit
„Bereit“ betekent hier „klaar“ of „gereed“ in „Bist du jetzt bereit?“. Het beschrijft of iemand op dat moment klaar is om iets te doen. Een bruikbaar patroon is „Bist du bereit?“ wanneer je wilt weten of iemand kan beginnen.
Brauchst
„Brauchst“ betekent hier „hebt nodig“ in „Brauchst du Hilfe?“. De vorm vraagt rechtstreeks of de aangesproken persoon iets nodig heeft. Een bruikbaar patroon is „Brauchst du ...?“ gevolgd door wat iemand nodig kan hebben.
Hilfe
„Hilfe“ betekent hier „hulp“ in „Brauchst du Hilfe?“. Het is datgene waarnaar gevraagd wordt als mogelijke behoefte van de ander. Je kunt het gebruiken in het patroon „Brauchst du Hilfe?“ wanneer je wilt aanbieden of nagaan of iemand hulp nodig heeft.