Bewegen, thuis en in de buurt | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic movement, home, and neighborhood..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Bewegen, thuis en in de buurt oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich komme jetzt.

ich kom-me jetst Ik kom nu.
B

Ich gehe nach Hause.

ich gee-uh naach hau-ze Ik ga naar huis.
A

Ich bin zu Hause.

ich bin tsoe hau-ze Ik ben thuis.
B

Ich bin jetzt draußen.

ich bin jetst drau-sn Ik ben nu buiten.
A

Ich komme zurück.

ich kom-me tsoe-ruk Ik kom terug.
B

Ich wohne hier in der Nähe.

ich voo-nuh hie-uh in dee-uh nee-uh Ik woon hier vlakbij.

Woord voor woord

Ich „Ich“ betekent hier „ik“ en verwijst naar de persoon die spreekt. Het staat als onderwerp vooraan in „Ich komme jetzt“, „Ich gehe nach Hause“ en de andere zinnen met „Ich“. Gebruik deze vorm wanneer je over jezelf vertelt.
komme „komme“ betekent hier „kom“ of „ik kom eraan“: de spreker zegt dat hij of zij nu komt. In „Ich komme jetzt“ staat de vorm na „Ich“ en vóór de tijdsbepaling „jetzt“. Je gebruikt dit wanneer je meldt dat je onderweg bent of eraan komt.
jetzt „jetzt“ betekent „nu“, dus op het moment waarop de spreker spreekt. In „Ich komme jetzt“ geeft het aan wanneer het komen plaatsvindt. Gebruik het om een handeling duidelijk aan het huidige moment te koppelen.
gehe „gehe“ betekent hier „ga“: de spreker verplaatst zich naar huis. In „Ich gehe nach Hause“ staat het na „Ich“ en wordt de bestemming gevolgd door „nach Hause“. Je gebruikt deze vorm wanneer je zegt dat je naar huis gaat.
nach Hause „nach Hause“ betekent als geheel „naar huis“ en geeft de richting of bestemming aan in „Ich gehe nach Hause“. „nach“ draagt de richting naar een bestemming bij, terwijl „Hause“ onderdeel is van deze vaste uitdrukking voor huis. Gebruik de hele uitdrukking na een werkwoord van beweging wanneer je zegt dat iemand naar huis gaat.
bin „bin“ betekent hier „ben“ en geeft aan dat de spreker zich op een bepaalde plaats bevindt. In „Ich bin zu Hause“ staat het na „Ich“ en vóór de plaatsaanduiding „zu Hause“. Je gebruikt het om je huidige locatie of toestand te beschrijven.
zu Hause „zu Hause“ betekent als geheel „thuis“ en beschrijft in „Ich bin zu Hause“ de plaats waar de spreker is. „zu“ draagt bij aan de plaatsrelatie, en „Hause“ maakt deel uit van deze vaste uitdrukking. Gebruik de hele uitdrukking om te zeggen dat je thuis bent.
draußen „draußen“ betekent „buiten“ en geeft in „Ich bin jetzt draußen“ aan dat de spreker zich buiten bevindt. Het staat hier na „bin“ en na de tijdsbepaling „jetzt“. Je gebruikt het wanneer je iemand laat weten dat je buiten bent.
zurück „zurück“ betekent „terug“ en geeft in „Ich komme zurück“ aan dat de spreker terugkomt. Het staat na „komme“ en voegt de teruggaande richting aan de beweging toe. Je gebruikt het wanneer je meldt dat je naar een eerdere plaats of situatie terugkomt.
wohne „wohne“ betekent hier „woon“ en beschrijft waar de spreker woont. In „Ich wohne hier in der Nähe“ staat het na „Ich“, gevolgd door de plaatsaanduidingen „hier“ en „in der Nähe“. Je gebruikt deze vorm wanneer je je woonplaats of woonomgeving beschrijft.
hier „hier“ betekent „hier“ en verwijst naar de plaats waar de spreker zich bevindt of waarover hij of zij spreekt. In „Ich wohne hier in der Nähe“ bepaalt het de plaats van het wonen. Gebruik het om naar de huidige of aangewezen plaats te verwijzen.
in „in“ draagt in „in der Nähe“ bij aan de plaatsaanduiding; de hele uitdrukking betekent „in de buurt“ of „vlakbij“. Het staat vóór „der Nähe“ en vormt daarmee deze locatie-uitdrukking. Je gebruikt deze combinatie om de nabijheid van een plaats of persoon aan te geven.
der „der“ is hier het lidwoord bij „Nähe“ binnen de uitdrukking „in der Nähe“. Het staat direct vóór „Nähe“ en krijgt zijn betekenis in deze vaste plaatsaanduiding. Gebruik de combinatie „in der Nähe“ wanneer je zegt dat iets of iemand dichtbij is.
Nähe „Nähe“ betekent hier „nabijheid“ of „buurt“ en verwijst in „in der Nähe“ naar een plaats die dichtbij is. Samen met „in der“ vormt het de uitdrukking „in der Nähe“, die je gebruikt voor een locatie in de buurt. Je gebruikt deze uitdrukking bijvoorbeeld wanneer je vertelt waar je woont ten opzichte van een andere plaats.

Grammatica

nach Hause / zu Hause

Ich gehe nach Hause. Ich bin zu Hause.

ich gee-uh naach hau-ze. ich bin tsoe hau-ze.

Ik ga naar huis. Ik ben thuis.

Gebruik nach Hause bij beweging naar huis en zu Hause voor een plaats waar je bent.

Duits woordenschat

draußen bijwoord
drau-sn buiten
gehen werkwoord
gee-en gaan gehe
hier bijwoord
hie-uh hier
Ich voornaamwoord
ich ik
in der Nähe uitdrukking
in dee-uh nee-uh in de buurt

Ich wohne hier in der Nähe.

jetzt bijwoord
jetst nu
kommen werkwoord
kom-men komen komme
nach Hause uitdrukking
naach hau-ze naar huis

Ich gehe nach Hause.

sein werkwoord
zain zijn bin
wohnen werkwoord
voo-nen wonen wohne
zu Hause uitdrukking
tsoe hau-ze thuis

Ich bin zu Hause.

zurück bijwoord
tsoe-ruk terug

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik kom nu.

Antwoord tonenIch komme jetzt.

Ik ga naar huis.

Antwoord tonenIch gehe nach Hause.

Ik ben thuis.

Antwoord tonenIch bin zu Hause.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

terug

Antwoord tonenzurück

buiten

Antwoord tonendraußen

gaan

Antwoord tonengehe

nu

Antwoord tonenjetzt