Basisroutines en familie | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic routines and family..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Basisroutines en familie oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich gehe ins Bett.

iesj gee-uh ins bet Ik ga naar bed.
B

Ich wache früh auf.

iesj vakhe fruu auf Ik word vroeg wakker.
A

Ich gehe zur Arbeit.

iesj gee-uh tsoer ar-bait Ik ga naar mijn werk.
B

Ich gehe zur Schule.

iesj gee-uh tsoer sjoe-luh Ik ga naar school.
A

Ich bin bei meiner Familie.

iesj bin bai mai-ner fa-mee-lee-uh Ik ben bij mijn familie.
B

Das ist mein Freund.

das ist main froint Dit is mijn vriend.

Uitleg van de zinnen

  1. Ich gehe ins Bett.

    Ik ga naar bed.

    Ich
    ik
    gehe
    ga
    ins
    in het
    Bett
    bed
    Uitgebreide uitleg

    Ich is de eerste persoon enkelvoud: “ik”. Het is hier het onderwerp en staat daarom in de nominatief. De vorm verandert niet volgens het geslacht van de spreker. Voorbeeld: Ich lerne. — “Ik leer.” gehe is de vorm van het werkwoord gehen voor ich in de tegenwoordige tijd: ich gehe. In deze zin betekent het “ga”; de tegenwoordige tijd kan in het Duits ook een nabije toekomstige handeling uitdrukken. Voorbeeld: Ich gehe nach Hause. — “Ik ga naar huis.” ins is de vaste samentrekking van in das: in + het lidwoord das. Bij beweging naar binnen of naar een bestemming gebruikt het Duits hier de accusatief, vandaar das en niet dem. Voorbeeld: Sie geht ins Büro. — “Zij gaat naar kantoor.” Bett betekent “bed”. Het zelfstandig naamwoord is onzijdig: das Bett; na de samentrekking met in verschijnt het als ins Bett. De combinatie ins Bett gehen is de gewone manier om “naar bed gaan” uit te drukken. Samen vormen de delen Ich gehe ins Bett.: “Ik ga naar bed.” Ich geeft aan wie handelt, gehe drukt het gaan uit, en ins Bett geeft de bestemming aan.

  2. Ich wache früh auf.

    Ik word vroeg wakker.

    Ich
    ik
    wache … auf
    word wakker
    früh
    vroeg
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik” en is het onderwerp in de eerste persoon enkelvoud. De vorm Ich hoort bij de nominatief; mich is de accusatiefvorm van dezelfde persoon, bijvoorbeeld in Er sieht mich — “Hij ziet mij”. De tweede persoon enkelvoud is du. wache ... auf komt van het scheidbare werkwoord aufwachen (“wakker worden”). In deze zin staat de vervoegde vorm wache bij ich, terwijl het voorvoegsel auf naar het einde van de hoofdzin gaat. Het patroon is dus: Ich wache auf. In een bijzin kan het werkwoord bij elkaar blijven: ..., weil ich aufwache. — “... omdat ik wakker word.” früh betekent hier “vroeg”. Het is een bijwoord dat aangeeft wanneer het wakker worden gebeurt. Het tegenovergestelde is spät (“laat”): Ich wache spät auf. — “Ik word laat wakker.” Samen vormen de delen Ich + wache ... auf + früh de betekenis: “Ik word vroeg wakker.” De mededeling staat in de tegenwoordige tijd; het Duits gebruikt die vorm hier voor een gewoonte of een gebeurtenis in het heden, zonder dat de zin op zichzelf zegt hoe vaak het gebeurt.

  3. Ich gehe zur Arbeit.

    Ik ga naar mijn werk.

    Ich
    ik
    gehe
    ga
    zur
    naar de
    Arbeit
    werk
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik”: het is de eerste persoon enkelvoud. In het Duits blijft deze vorm gelijk als onderwerp, ongeacht het geslacht van de persoon die spreekt. gehe komt van gehen (“gaan”). gehe is de tegenwoordige tijd voor ich: ich gehe. Voorbeelden: Ich gehe nach Hause. — “Ik ga naar huis.” Du gehst betekent “jij gaat”; de werkwoordsvorm verandert dus met de persoon. zur is de vaste samentrekking van zu der. Hier geeft zu samen met het lidwoord de bestemming aan: naar de werkplek. zu wordt vaak gebruikt bij een bestemming of persoon, terwijl bijvoorbeeld in een andere ruimtelijke relatie kan uitdrukken. Het vrouwelijke lidwoord der in deze samentrekking hoort bij de naamval die door zu wordt gevraagd. Arbeit is een zelfstandig naamwoord en betekent hier “werk” of “werkplek” in de betekenis van waar iemand naartoe gaat. Het basislidwoord is die Arbeit; na zu verschijnt de vorm der, waardoor zu der samentrekt tot zur. Een bruikbare combinatie is zur Arbeit gehen — “naar het werk gaan”. Samen vormen Ich gehe zur Arbeit de betekenis: “Ik ga naar mijn werk.” Het onderwerp is Ich, gehe zegt dat de spreker gaat, en zur Arbeit geeft de bestemming aan. De hele zin staat in de tegenwoordige tijd en beschrijft dat de spreker naar het werk gaat.

  4. Ich gehe zur Schule.

    Ik ga naar school.

    Ich
    ik
    gehe
    ga
    zur
    naar de/het
    Schule
    school
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier ik: de spreker is het onderwerp. In het Duits hoort bij de eerste persoon enkelvoud de vorm ich; vergelijk bijvoorbeeld du voor één aangesprokene. gehe is de tegenwoordige tijd van gehen bij ich: ich gehe = ik ga. De infinitief is gehen, terwijl de uitgang in gehe laat zien dat het om de eerste persoon enkelvoud gaat. Voorbeeld: Ich gehe nach Hause. — Ik ga naar huis. zur is de samentrekking van zu der. zu geeft hier de bestemming aan, en der is de datiefvorm van het vrouwelijke bepaalde lidwoord. De vaste combinatie zur Schule betekent naar school; zur is dus niet zelf een zelfstandig woord voor naar de/het, maar een samengevoegde vorm. Schule betekent school. Het zelfstandig naamwoord is vrouwelijk: die Schule. Na zu staat de datief, waardoor die verandert in der; samen met zu ontstaat zur Schule. Voorbeeld: Die Schule ist groß. — De school is groot. Samen vormen Ich gehe zur Schule de betekenis Ik ga naar school: Ich is degene die gaat, gehe drukt de handeling in de tegenwoordige tijd uit, en zur Schule geeft de bestemming aan.

  5. Ich bin bei meiner Familie.

    Ik ben bij mijn familie.

    Ich
    ik
    bin
    ben
    bei
    bij
    meiner
    mijn
    Familie
    familie
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik”: het is het persoonlijke voornaamwoord voor de eerste persoon enkelvoud. In de standaardvolgorde staat het als onderwerp vóór het werkwoord. Voorbeeld: Ich lerne Deutsch. = “Ik leer Duits.” bin is de vorm van sein (“zijn”) in de tegenwoordige tijd bij ich: ich bin. Andere vormen zijn bijvoorbeeld du bist en er/sie ist. De vorm bin drukt hier een huidige toestand of locatie uit, niet een handeling van verplaatsing. bei betekent hier “bij” en neemt in deze plaatsbepaling de datief. Het kan aangeven dat iemand zich bij een persoon of groep bevindt. Voorbeeld: Sie ist bei ihrem Bruder. = “Zij is bij haar broer.” meiner is de verbogen vorm van het bezittelijke woord mein (“mijn”). Het verwijst hier naar de bezitter van de familie vanuit het perspectief van ich en staat in de vrouwelijke enkelvoudsvorm datief, omdat bei datief vereist. Vergelijk: meine Familie (vrouwelijk enkelvoud, nominatief of accusatief) en bei meiner Familie (vrouwelijk enkelvoud, datief). De vorm drukt bezit uit; zij beweert op zichzelf geen aantal familieleden. Familie betekent “familie”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Familie. In deze zin staat het na bei in de datief; bij dit vrouwelijke zelfstandig naamwoord verandert de vorm van het zelfstandig naamwoord zelf niet zichtbaar: die Familie → der Familie. Het bezittelijke woord draagt hier de zichtbare datiefuitgang: meiner Familie. Samen vormen de delen Ich bin + bei meiner Familie de betekenis “Ik ben bij mijn familie.” Het onderwerp is ich, bin geeft de huidige toestand aan, en bei meiner Familie geeft aan waar of in wiens nabijheid de spreker zich bevindt. De zin zegt niet dat de spreker naar de familie gaat; voor beweging gebruikt het Duits doorgaans een ander werkwoord, zoals in het voorbeeld Ich gehe zur Schule..

  6. Das ist mein Freund.

    Dit is mijn vriend.

    Das
    dit
    ist
    is
    mein
    mijn
    Freund
    vriend
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dit” en staat zelfstandig als aanwijzend voornaamwoord aan het begin van de zin. Het wijst naar iets of iemand zonder dat de zin zelf het precieze referent benoemt. Het is dus niet het lidwoord bij Freund; er staat geen zelfstandig naamwoord direct achter. Een bruikbaar patroon is Das ist ... voor “Dit is ...”. ist is de vorm van sein (“zijn”) in de tegenwoordige tijd voor de derde persoon enkelvoud: sein → ist. Het verbindt hier het aangewezene met de identificatie die volgt. Bijvoorbeeld: Das ist Anna. — “Dit is Anna.” mein betekent hier “mijn” en is een bezittelijk bepalend woord bij Freund. Het verwijst naar de eerste persoon enkelvoud, dus naar de spreker als bezitter. In deze combinatie staat het in de vorm mein, omdat Freund mannelijk en enkelvoudig is en deze naamwoordgroep hier als naamwoordelijk deel na ist staat. Het woord drukt bezit of relatie uit, niet automatisch een aantal. Freund betekent hier “vriend”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord en wordt in het Duits met een hoofdletter geschreven. De meervoudsvorm is Freunde; voor een vrouwelijke vriend(in) is Freundin een afzonderlijk woord. In deze zin kan Freund volgens de vaste vertaling gewoon “vriend” betekenen; de zin specificeert op zichzelf niet meer over die relatie. Samen vormen de delen Das ist mein Freund. de herbruikbare structuur Das ist + [naamwoordgroep]: “Dit is mijn vriend.” Das verwijst aan, ist legt een identificatieverbinding, en mein Freund benoemt de persoon in de betekenis die de vaste vertaling geeft.

Grammatica

aufwachen: wache ... auf

Ich wache früh auf.

iesj vakhe fruu auf

Ik word vroeg wakker.

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel aan het einde van de hoofdzin.

bei + Dativ: bei meiner Familie

Ich bin bei meiner Familie.

iesj bin bai mai-ner fa-mee-lee-uh

Ik ben bij mijn familie.

Na bei staat de derde naamval; mein wordt bij het vrouwelijke woord Familie: meiner.

Duits woordenschat

Arbeit zelfstandig naamwoord
ar-bait werk

zur Arbeit

aufwachen werkwoord
auf-vakh-uhn wakker worden wache ... auf

Ich wache früh auf.

bei voorzetsel
bai bij

bei meiner Familie

Bett zelfstandig naamwoord
bet bed

ins Bett

Familie zelfstandig naamwoord
fa-mee-lee-uh familie

meiner Familie

Freund zelfstandig naamwoord
froint vriend

mein Freund

früh bijwoord
fruu vroeg

Ich wache früh auf.

gehen werkwoord
gee-uhn gaan gehe

Ich gehe ins Bett.

Ich voornaamwoord
iesj ik

Ich gehe zur Schule.

mein bepaler
main mijn meiner

bei meiner Familie

Schule zelfstandig naamwoord
sjoe-luh school

zur Schule

sein werkwoord
zain zijn bin

Ich bin bei meiner Familie.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik ga naar bed.

Antwoord tonenIch gehe ins Bett.

Ik word vroeg wakker.

Antwoord tonenIch wache früh auf.

Ik ga naar mijn werk.

Antwoord tonenIch gehe zur Arbeit.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

werk

Antwoord tonenArbeit

vroeg

Antwoord tonenfrüh

bed

Antwoord tonenBett

familie

Antwoord tonenFamilie