Basisroutines en familie | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic routines and family..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Basisroutines en familie oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich gehe ins Bett.

iesj gee-uh ins bet Ik ga naar bed.
B

Ich wache früh auf.

iesj vakhe fruu auf Ik word vroeg wakker.
A

Ich gehe zur Arbeit.

iesj gee-uh tsoer ar-bait Ik ga naar mijn werk.
B

Ich gehe zur Schule.

iesj gee-uh tsoer sjoe-luh Ik ga naar school.
A

Ich bin bei meiner Familie.

iesj bin bai mai-ner fa-mee-lee-uh Ik ben bij mijn familie.
B

Das ist mein Freund.

das ist main froint Dit is mijn vriend.

Woord voor woord

Ich Ich betekent hier “ik” en is het onderwerp in “Ich gehe ins Bett” en andere zinnen uit de dialoog. Gebruik Ich aan het begin van een zin om over jezelf te spreken, bijvoorbeeld in Ich bin bei meiner Familie. Je gebruikt deze vorm wanneer je je eigen handeling, toestand of bezit beschrijft.
gehe gehe betekent hier “ga” in “Ich gehe”. De woordenboekvorm is gehen; gehe is de vorm die hier bij Ich staat. Gebruik het patroon Ich gehe zu ... om te zeggen waar je naartoe gaat, zoals in Ich gehe zur Arbeit.
ins ins betekent hier “naar het” in “ins Bett” en geeft een richting naar binnen of naar een bestemming aan. Het is de vaste samentrekking van in das. Gebruik ins samen met een zelfstandig naamwoord, zoals in het nieuwe voorbeeld Ich gehe ins Büro, wanneer je zegt dat je ergens naartoe gaat.
Bett Bett betekent hier “bed” in de uitdrukking “ins Bett”. Het woord staat na ins in een veelgebruikte uitdrukking voor naar bed gaan. Je gebruikt ins Bett bijvoorbeeld wanneer je tegen iemand zegt dat je gaat slapen of naar bed gaat.
wache wache betekent hier “word wakker” in “Ich wache früh auf”. De vorm wache hoort bij het werkwoord aufwachen; auf staat verderop in de zin en maakt de uitdrukking compleet. Gebruik Ich wache ... auf om te vertellen wanneer je wakker wordt, bijvoorbeeld Ich wache um sieben Uhr auf in een nieuw voorbeeld.
früh früh betekent hier “vroeg” en zegt wanneer iemand wakker wordt in “Ich wache früh auf”. Het staat vóór het afgesplitste auf en geeft informatie over het tijdstip. Gebruik früh bij dagelijkse gewoonten wanneer iets vroeg gebeurt.
auf auf is hier het afgesplitste deel van “Ich wache früh auf” en draagt samen met wache de betekenis “wakker worden”. Bij aufwachen staat dit deel in deze zin aan het einde. Gebruik bij een vergelijkbare zin hetzelfde patroon Ich wache ... auf, met de tijd of andere informatie in het midden.
zur zur betekent hier “naar de” in “zur Arbeit” en “zur Schule”. Het is de samentrekking van zu der en staat vóór Arbeit of Schule in deze bestemmingsuitdrukkingen. Gebruik Ich gehe zur ... om te zeggen dat je naar een plaats of instelling gaat.
Arbeit Arbeit betekent hier “werk” in de vaste uitdrukking “zur Arbeit”. Samen met Ich gehe geeft dit aan dat de spreker naar het werk gaat. Je gebruikt zur Arbeit bijvoorbeeld wanneer je je dagelijkse vertrek naar je werk beschrijft.
Schule Schule betekent hier “school” in “Ich gehe zur Schule”. Het woord volgt op zur in de gebruikelijke uitdrukking voor naar school gaan. Je gebruikt zur Schule wanneer je vertelt dat iemand naar school gaat.
bin bin betekent hier “ben” in “Ich bin bei meiner Familie”. De woordenboekvorm is sein; bin is de vorm die hier bij Ich staat. Gebruik Ich bin om je eigen toestand, locatie of aanwezigheid te beschrijven, zoals in Ich bin bei meiner Familie.
bei bei betekent hier “bij” en geeft aan dat de spreker zich bij zijn familie bevindt in “bei meiner Familie”. Na bei staat in deze zin de groep meiner Familie. Gebruik Ich bin bei ... om te zeggen bij wie of waar je bent, bijvoorbeeld Ich bin bei meiner Freundin in een nieuw voorbeeld.
meiner meiner betekent hier “mijn” in “bei meiner Familie” en verwijst naar de familie van de spreker. De basisvorm is mein; meiner is de vorm die in deze woordgroep bij Familie wordt gebruikt. Gebruik de volledige groep bij meiner Familie wanneer je zegt dat je bij je eigen familie bent.
Familie Familie betekent hier “familie” in “meiner Familie”. Het woord benoemt de mensen bij wie de spreker is, en staat na bei meiner. Je gebruikt Familie wanneer je over je eigen familie of over een andere familie spreekt.
Das Das betekent hier “dit” in “Das ist mein Freund” en wordt gebruikt om iemand aan te wijzen of te introduceren. Samen met ist vormt het het patroon Das ist ... . Gebruik dit patroon wanneer je iemand aan een ander voorstelt, bijvoorbeeld Das ist meine Schwester in een nieuw voorbeeld.
ist ist betekent hier “is” in “Das ist mein Freund”. De woordenboekvorm is sein; ist is de vorm die hier bij Das staat. Gebruik Das ist ... om een persoon of zaak te identificeren of voor te stellen.
mein mein betekent hier “mijn” in “mein Freund” en laat zien dat de vriend bij de spreker hoort of met de spreker verbonden is. Het staat direct vóór Freund in deze woordgroep. Gebruik mein vóór een passend zelfstandig naamwoord wanneer je iets of iemand als van jou beschrijft.
Freund Freund betekent hier “vriend” in “Das ist mein Freund”. Het woord staat na mein in de introductie van de persoon. Je gebruikt Das ist mein Freund wanneer je een mannelijke vriend aan iemand voorstelt.

Grammatica

aufwachen: wache ... auf

Ich wache früh auf.

iesj vakhe fruu auf

Ik word vroeg wakker.

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel aan het einde van de hoofdzin.

bei + Dativ: bei meiner Familie

Ich bin bei meiner Familie.

iesj bin bai mai-ner fa-mee-lee-uh

Ik ben bij mijn familie.

Na bei staat de derde naamval; mein wordt bij het vrouwelijke woord Familie: meiner.

Duits woordenschat

Arbeit zelfstandig naamwoord
ar-bait werk

zur Arbeit

aufwachen werkwoord
auf-vakh-uhn wakker worden wache ... auf

Ich wache früh auf.

bei voorzetsel
bai bij

bei meiner Familie

Bett zelfstandig naamwoord
bet bed

ins Bett

Familie zelfstandig naamwoord
fa-mee-lee-uh familie

meiner Familie

Freund zelfstandig naamwoord
froint vriend

mein Freund

früh bijwoord
fruu vroeg

Ich wache früh auf.

gehen werkwoord
gee-uhn gaan gehe

Ich gehe ins Bett.

Ich voornaamwoord
iesj ik

Ich gehe zur Schule.

mein bepaler
main mijn meiner

bei meiner Familie

Schule zelfstandig naamwoord
sjoe-luh school

zur Schule

sein werkwoord
zain zijn bin

Ich bin bei meiner Familie.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik ga naar bed.

Antwoord tonenIch gehe ins Bett.

Ik word vroeg wakker.

Antwoord tonenIch wache früh auf.

Ik ga naar mijn werk.

Antwoord tonenIch gehe zur Arbeit.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

werk

Antwoord tonenArbeit

vroeg

Antwoord tonenfrüh

bed

Antwoord tonenBett

familie

Antwoord tonenFamilie