Prijs, weer en ontdekkingen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic price, weather, and discoveries..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Prijs, weer en ontdekkingen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Wie viel kostet das?

vie viel kostut das? Hoeveel kost dit?
B

Wo wohnst du?

voo voohnst doe? Waar woon je?
A

Das Wetter ist schön.

das vettuh ist sjeun. Het weer is mooi.
B

Es regnet jetzt.

es reegnuht jetst. Het regent nu.
A

Ich habe mein Handy vergessen.

isj haabuh main hendi fehrgeh-sun. Ik ben mijn telefoon vergeten.
B

Ich habe es gefunden.

isj haabuh es guh-foen-dun. Ik heb hem gevonden.

Uitleg van de zinnen

  1. Wie viel kostet das?

    Hoeveel kost dit?

    Wie viel
    hoeveel
    kostet
    kost
    das
    dit
    Uitgebreide uitleg

    Wie viel vraagt naar een hoeveelheid of, bij een prijs, naar het bedrag: “hoeveel?”. Het is een vaste vraagcombinatie. Voorbeelden: Wie viel kostet das Buch? — “Hoeveel kost het boek?” en Wie viele Bücher? — “Hoeveel boeken?” In het tweede voorbeeld wordt viel viele omdat het om meerdere telbare dingen gaat. kostet is de vorm van kosten in de tegenwoordige tijd voor één derde persoon. Hier is das het onderwerp, dus de betekenis is “kost”. De vormen zijn bijvoorbeeld ich koste en du kostest, maar in een normale prijs vraag je vaak naar de prijs van iets: Was kostet das? — “Wat kost dat?” das is hier een zelfstandig gebruikt aanwijzend voornaamwoord met de betekenis “dit” volgens de vaste vertaling. De vorm hoort bij een enkelvoudig onzijdig referent; bij een mannelijk of vrouwelijk zelfstandig naamwoord verschijnen andere vormen, zoals der of die, afhankelijk van de grammaticale functie. Uit de zin zelf blijkt niet welk concreet voorwerp met das wordt bedoeld. Samen vormt Wie viel kostet das? de vraag “Hoeveel kost dit?”. De volgorde is vraagwoordgroep Wie viel, daarna het vervoegde werkwoord kostet, en vervolgens het onderwerp das. De zin is een neutrale, alledaagse manier om naar de prijs van het bedoelde voorwerp te vragen.

  2. Wo wohnst du?

    Waar woon je?

    Wo
    waar
    wohnst
    woont
    du
    je
    Uitgebreide uitleg

    Wo vraagt naar een plaats: “waar”. Het is een vraagwoord voor locatie. Vergelijk Wie viel in de vorige zin: dat vraagt naar een hoeveelheid, niet naar een plaats. Voorbeeld: Wo arbeitest du? — Waar werk je? wohnst komt van wohnen (“wonen”). Dit is de tegenwoordige tijd met du: ich wohne, du wohnst, er/sie/es wohnt. De uitgang -st markeert hier de tweede persoon enkelvoud. Voorbeeld: Du wohnst in Berlin. — Je woont in Berlijn. du is het informele persoonlijke voornaamwoord voor één aangesproken persoon: “je/jij”. Het werkwoord past daarbij aan als wohnst; bij ich zou het wohne zijn. Samen vormen Wo + wohnst + du een vraag met de volgorde vraagwoord + werkwoord + onderwerp. De volledige betekenis is: “Waar woon je?”

  3. Das Wetter ist schön.

    Het weer is mooi.

    Das
    het
    Wetter
    weer
    ist
    is
    schön
    mooi
    Uitgebreide uitleg

    Das is hier het bepaald lidwoord bij Wetter. Het markeert in deze zin een enkelvoudig zelfstandig naamwoord in de nominatief; de vorm das hoort bij het onzijdige grammaticale geslacht van Wetter. Het betekent hier niet op zichzelf “deze”. Wetter betekent “weer”. Het is een zelfstandig naamwoord en wordt in het Duits met een hoofdletter geschreven. Het heeft als basisvorm dezelfde vorm in het enkelvoud; het meervoud is Wetter, maar het lidwoord en de context maken het verschil duidelijk. Voorbeeld: Das Wetter ist kalt. — “Het weer is koud.” ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”) in de tegenwoordige tijd. De vorm hoort bij het onderwerp Das Wetter. De relevante reeks is: ich bin, du bist, er/sie/es ist. Voorbeeld: Das Wetter ist warm. — “Het weer is warm.” schön betekent hier “mooi” en beschrijft het weer. Het staat na ist als naamwoordelijk deel van het gezegde en krijgt daarom hier geen adjectiefuitgang. Vergelijk: ein schöner Tag — “een mooie dag”; vóór een zelfstandig naamwoord krijgt het bijvoeglijk naamwoord daar wel een uitgang. Samen vormen de delen Das Wetter (“het weer”), ist (“is”) en schön (“mooi”): Das Wetter ist schön. betekent “Het weer is mooi.”

  4. Es regnet jetzt.

    Het regent nu.

    Es regnet
    het regent
    jetzt
    nu
    Uitgebreide uitleg

    Es regnet betekent hier “het regent”. regnet is de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd van regnen (“regenen”): regnen → es regnet. In deze weeruitdrukking staat es als onpersoonlijk onderwerp; het verwijst niet naar een concreet genoemde zaak. Het patroon is Es + werkwoord voor weerstoestanden, bijvoorbeeld: Es schneit. — “Het sneeuwt.” jetzt betekent “nu” en plaatst de regen in het huidige moment. Het is een bijwoord en verandert niet naar persoon of getal. Vergelijk: Es regnet heute. — “Het regent vandaag.” Samen vormen de delen Es regnet jetzt. de neutrale mededeling “Het regent nu.”

  5. Ich habe mein Handy vergessen.

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

    Ich habe
    ik heb
    mein
    mijn
    Handy
    mobiele telefoon
    vergessen
    vergeten
    Uitgebreide uitleg

    Ich habe vormt hier samen met vergessen de voltooide tijd (Perfekt): haben staat in de tegenwoordige tijd en draagt de persoonsvorm voor ich; het voltooid deelwoord komt verderop in de zin. haben betekent op zichzelf vaak “hebben”, maar in deze combinatie helpt het een gebeurtenis uit het verleden uit te drukken. Voorbeeld: Ich habe gelernt. — “Ik heb geleerd.” mein betekent hier “mijn” en hoort bij Handy. Het is de bezittelijke vorm bij de spreker: het geeft aan dat de telefoon van de spreker is. De vorm kan veranderen afhankelijk van het grammaticale geslacht, getal en de naamval van het bezeten zelfstandig naamwoord; bij het onzijdige Handy staat hier in de accusatief de vorm mein. Handy is in het Duits het gewone woord voor een mobiele telefoon. Het is een zelfstandig naamwoord en wordt daarom met een hoofdletter geschreven. Het meervoud is Handys. Voorbeeld: Mein Handy ist neu. — “Mijn mobiele telefoon is nieuw.” vergessen is hier het voltooid deelwoord van het werkwoord vergessen (“vergeten”). Het voltooid deelwoord heeft in deze vorm dezelfde vorm als het infinitief. De eenvoudige verleden tijd heeft de vorm vergaß, terwijl het Perfekt hat vergessen gebruikt. In deze zin staat vergessen achteraan, zoals het voltooid deelwoord vaak doet in een hoofdzin met haben. Samen betekent Ich habe mein Handy vergessen.: “Ik ben mijn telefoon vergeten.” Ich is de spreker en is het onderwerp; mein Handy is wat de spreker vergeten is. Ich habe markeert samen met vergessen het Perfekt, en vergessen benoemt de handeling. Deze formulering is neutraal en alledaags.

  6. Ich habe es gefunden.

    Ik heb hem gevonden.

    Ich habe
    ik heb
    es
    hem
    gefunden
    gevonden
    Uitgebreide uitleg

    Ich habe: ich betekent “ik” en habe is de eerste persoon enkelvoud van haben (“hebben”). Samen vormen ze hier het begin van het Duitse Perfekt: ich habe + een voltooid deelwoord. Het hulpwerkwoord past dus bij de spreker. Voorbeeld: Ich habe gelernt. — “Ik heb geleerd.” es: dit is het Duitse persoonlijke voornaamwoord in de vierde naamval (accusatief), enkelvoud onzijdig. In deze vaste zin geeft de Nederlandse vertaling de bedoelde betekenis als “hem”; de Duitse vorm es laat op zichzelf niet dezelfde Nederlandse verwijzingsvorm zien. De vorm staat hier als lijdend voorwerp bij “gevonden”. gefunden: dit is het voltooid deelwoord van finden (“vinden”): finden — gefunden. In combinatie met habe drukt het uit dat het vinden als afgeronde gebeurtenis wordt voorgesteld. Voorbeeld: Sie hat den Schlüssel gefunden. — “Zij heeft de sleutel gevonden.” Samen betekent Ich habe es gefunden.: “Ik heb hem gevonden.” De volgorde is letterlijk: onderwerp Ich, het hulpwerkwoord habe, het lijdend voorwerp es, en ten slotte het voltooid deelwoord gefunden. In een Duitse hoofdzin staat het vervoegde hulpwerkwoord vooraan in het werkwoordelijk geheel en het voltooid deelwoord aan het einde.

Grammatica

Fragewort + Verb + Subjekt

Wo wohnst du?

voo voohnst doe?

Waar woon je?

Bij Duitse vragen met wo staat het werkwoord vóór het onderwerp: wo + wohnst + du.

Wie viel + Verb + Subjekt

Wie viel kostet das?

vie viel kostut das?

Hoeveel kost dit/dat?

Na wie viel komt direct het werkwoord; das staat daarna als onderwerp.

Duits woordenschat

das voornaamwoord
das dit/dat

Wie viel kostet das?

du voornaamwoord
doe je

Wo wohnst du?

ich voornaamwoord
isj ik

Ich habe mein Handy vergessen.

jetzt bijwoord
jetst nu

Es regnet jetzt.

kosten werkwoord
kostun kosten kostet

Wie viel kostet das?

regnen werkwoord
reegnun regenen regnet

Es regnet jetzt.

schön bijvoeglijk naamwoord
sjeun mooi

Das Wetter ist schön.

vergessen werkwoord
fehrgeh-sun vergeten

Ich habe mein Handy vergessen.

Wetter zelfstandig naamwoord
vettuh weer

Das Wetter ist schön.

wie viel uitdrukking
vie viel hoeveel

Wie viel kostet das?

wo bijwoord
voo waar

Wo wohnst du?

wohnen werkwoord
voonun wonen wohnst

Wo wohnst du?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Hoeveel kost dit?

Antwoord tonenWie viel kostet das?

Waar woon je?

Antwoord tonenWo wohnst du?

Het weer is mooi.

Antwoord tonenDas Wetter ist schön.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

weer

Antwoord tonenWetter

regenen

Antwoord tonenregnet

wonen

Antwoord tonenwohnst

kosten

Antwoord tonenkostet