Schön
Schön betekent hier ‘leuk’ of ‘aangenaam’ en maakt deel uit van de begroeting Schön, dich kennenzulernen. Je gebruikt het wanneer je iemand ontmoet en wilt zeggen dat je blij bent die persoon te leren kennen.
dich
dich betekent hier ‘jou’ en verwijst in Schön, dich kennenzulernen naar de persoon die je leert kennen. Het staat in deze vaste begroeting na Schön. Je gebruikt de uitdrukking wanneer je iemand rechtstreeks aanspreekt.
kennenzulernen
kennenzulernen betekent hier ‘leren kennen’ of ‘ontmoeten’ in Schön, dich kennenzulernen. Het is de vorm die in deze begroeting gebruikt wordt voor het kennismaken met iemand. Je gebruikt de uitdrukking bij een eerste ontmoeting.
Ist
Ist betekent ‘is’ en staat aan het begin van de vraag Ist das deine erste Stunde hier? Het is een vorm van sein. Je gebruikt Ist das ...? om te vragen of iets het geval is.
das
das verwijst hier naar de les of de situatie waarover de vraag gaat in Ist das deine erste Stunde hier? Samen met Ist vormt het het begin van een ja-neevraag. Je kunt hetzelfde nieuwe patroon gebruiken in Ist das dein Buch? als je vraagt of iets iemands boek is; dat is een nieuw voorbeeld.
deine
deine betekent hier ‘jouw’ en geeft aan dat de eerste les bij de aangesproken persoon hoort in deine erste Stunde. Het staat vóór Stunde in de woordgroep deine erste Stunde. Je gebruikt deze vorm wanneer je naar iets van de persoon tegenover je vraagt.
erste
erste betekent ‘eerste’ in deine erste Stunde en geeft aan dat het om de eerste les gaat. Het staat vóór Stunde om de volgorde aan te geven. Je gebruikt dit woord bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld Das ist meine erste Stunde.
Stunde
Stunde betekent hier ‘les’ in Ist das deine erste Stunde hier? en niet een losse tijdsaanduiding. In deze context verwijst het naar een taalles. Je gebruikt het in de woordgroep erste Stunde wanneer je over de eerste les spreekt.
hier
hier betekent ‘hier’ en verwijst naar de plaats waar de gesprekspartners de les volgen. In Ist das deine erste Stunde hier? staat het achter de woordgroep deine erste Stunde. Je gebruikt hier om naar de huidige plaats te verwijzen.
Ich
Ich betekent ‘ik’ en verwijst naar de spreker in Ich war schon einmal hier. Het staat aan het begin van een zin waarin de spreker informatie over zichzelf geeft. Je gebruikt Ich wanneer je over jezelf spreekt.
war
war betekent hier ‘was’ of ‘ben geweest’ in Ich war schon einmal hier en verwijst naar een eerdere aanwezigheid. Het is een verleden vorm van sein. Je gebruikt Ich war ... om te vertellen dat je eerder ergens was.
schon
schon betekent hier ‘al’ in Ich war schon einmal hier en geeft aan dat de gebeurtenis eerder heeft plaatsgevonden. Samen met einmal helpt het om naar een eerdere gelegenheid te verwijzen. Je gebruikt schon hier om aan te geven dat iets al eerder het geval was.
einmal
einmal betekent hier ‘een keer’ in Ich war schon einmal hier. Samen met schon verwijst het naar één eerdere gelegenheid; de hele uitdrukking betekent dat de spreker hier eerder is geweest. Je gebruikt schon einmal wanneer je vertelt dat je iets al een keer hebt gedaan.
bin
bin betekent ‘ben’ in Ich bin schon eine Weile hier en beschrijft de huidige aanwezigheid van de spreker. Het is de ik-vorm van sein. Je gebruikt Ich bin ... om een huidige toestand of aanwezigheid te beschrijven.
eine
eine betekent hier ‘een’ in eine Weile en introduceert een niet precies bepaalde periode. Het hoort bij Weile in de uitdrukking eine Weile. Je gebruikt deze combinatie wanneer je zegt dat iets een tijdje duurt of al een tijdje zo is.
Weile
Weile betekent hier ‘tijdje’ in Ich bin schon eine Weile hier en verwijst naar een bepaalde maar niet precies genoemde tijdsduur. Samen met eine vormt het de uitdrukking eine Weile. Je gebruikt die uitdrukking wanneer je de duur bewust globaal houdt.
Wie
Wie vraagt in Wie ist der Lehrer? naar de eigenschappen of het karakter van de leraar: ‘Hoe is de leraar?’ De hele vraag vraagt dus wat voor persoon de leraar is. Een bruikbaar nieuw patroon is Wie ist [iemand]?, waarbij de naam van de persoon wordt ingevuld.
der
der is hier het lidwoord voor Lehrer in der Lehrer en betekent ‘de’. Aan het begin van de volgende zin verschijnt dezelfde vorm als Der in Der Lehrer ist sehr nett, omdat het eerste woord van een zin met een hoofdletter begint. Je gebruikt de woordgroep der Lehrer om naar de leraar te verwijzen.
Lehrer
Lehrer betekent ‘leraar’ en verwijst in deze dialoog naar de persoon die de les geeft. Het staat in der Lehrer en Der Lehrer. Je gebruikt dit woord wanneer je over een mannelijke leraar spreekt of naar hem vraagt.
sehr
sehr betekent ‘erg’ of ‘zeer’ in Der Lehrer ist sehr nett en versterkt de positieve beschrijving nett. Het staat direct vóór het bijvoeglijke woord nett. Je gebruikt sehr vóór een beschrijving wanneer je die sterker wilt maken.
nett
nett betekent hier ‘aardig’ of ‘vriendelijk’ en beschrijft de leraar in Der Lehrer ist sehr nett. Het staat na sehr als positieve eigenschap van de leraar. Je gebruikt nett om een persoon op een vriendelijke manier te karakteriseren.