Een notitieboekje gebruiken in de les | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, one person forgets a notebook, uses paper, writes new words, and checks them after class..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Een notitieboekje gebruiken in de les oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich habe vergessen, mein Notizbuch mitzubringen.

iesj haa-buh fer-GES-suhn, main no-TIETS-boegh mit-tsoe-BRING-uhn. Ik ben vergeten mijn notitieboek mee te nemen.
B

Du kannst dieses Papier benutzen.

doe kanst DIE-zuhs pa-PIER be-NOET-suhn. Je kunt dit papier gebruiken.
A

Danke. Ich will die neuen Wörter aufschreiben.

DAN-kuh. iesj vil die NOY-uhn VEUR-tuh auf-SJRAAI-buhn. Dank je. Ik wil de nieuwe woorden opschrijven.
B

Gute Idee. Ich schreibe sie auch auf.

GOE-tuh ie-DEE. iesj SJRAAI-buh zie auch auf. Goed idee. Ik schrijf ze ook op.
A

Können wir sie nach dem Unterricht überprüfen?

KEUN-uhn vier zie naach deem OEN-tuh-rieçt uu-buh-PRUU-fuhn? Kunnen we ze na de les controleren?
B

Wir können sie zusammen lesen.

Vier KEUN-uhn zie tsoe-ZAM-uhn LEE-zuhn. We kunnen ze samen lezen.

Woord voor woord

Ich Ich betekent hier ik en is het woord waarmee de spreker zichzelf als onderwerp aanwijst. Je gebruikt Ich bijvoorbeeld aan het begin van een zin over jezelf, vaak gevolgd door een werkwoord. In deze situatie vertelt de spreker wat hij of zij vergeten is.
habe habe betekent hier heb en helpt samen met vergessen om een voltooide gebeurtenis uit te drukken. Dit is de vorm die bij Ich hoort in Ich habe vergessen. Je gebruikt dezelfde structuur om te zeggen dat je iets hebt gedaan of nagelaten; hier meldt de spreker dat het notitieboek niet is meegenomen.
vergessen vergessen betekent hier vergeten; het is de vorm die na habe staat in Ich habe vergessen. In deze zin hoort het bij mein Notizbuch mitzubringen: de spreker is vergeten het notitieboek mee te brengen. Je kunt vergessen ook gebruiken met iets dat je niet meer weet of met een handeling die je niet hebt uitgevoerd.
mein mein betekent hier mijn en geeft aan dat het Notizbuch van de spreker is. Het staat direct voor het zelfstandig naamwoord in mein Notizbuch. Je gebruikt mein + een zelfstandig naamwoord wanneer je naar iets van jezelf verwijst, bijvoorbeeld wanneer je een eigen voorwerp meeneemt.
Notizbuch Notizbuch betekent hier notitieboek en is het voorwerp dat de spreker had moeten meebrengen. Het staat in mein Notizbuch als het concrete ding waarover de zin gaat. In een klas kun je Notizbuch gebruiken voor het boekje waarin je aantekeningen maakt.
mitzubringen mitzubringen betekent hier mee te brengen en vormt samen met mein Notizbuch de handeling die de spreker vergeten is. Het is de vorm van mitbringen met zu na mit in de constructie na vergessen. Je gebruikt iets mitbringen wanneer je een voorwerp naar een plaats of afspraak meeneemt; hier gaat het om het notitieboek naar de les brengen.
Du Du betekent hier jij en spreekt de andere persoon rechtstreeks aan. Het is het onderwerp van Du kannst dieses Papier benutzen. Je gebruikt Du in een informele aanspreekvorm, bijvoorbeeld tussen klasgenoten die elkaar rechtstreeks iets aanbieden.
kannst kannst betekent hier kunt en drukt uit dat de aangesprokene iets mag of kan doen. De vorm staat bij Du en wordt gevolgd door het infinitief benutzen in Du kannst dieses Papier benutzen. Je gebruikt Du kannst + een handeling om een mogelijkheid of aanbod te geven; hier biedt B aan dat A het papier kan gebruiken.
dieses dieses betekent hier dit en wijst naar een bepaald stuk papier dat beschikbaar is. Het staat direct voor Papier in dieses Papier. Je gebruikt dieses + een zelfstandig naamwoord om iets aan te wijzen of aan te bieden dat in de situatie aanwezig is.
Papier Papier betekent hier papier, het materiaal dat B aan A aanbiedt. In dieses Papier benutzen is het het voorwerp dat gebruikt kan worden. Je gebruikt Papier bijvoorbeeld voor materiaal waarop je in de les kunt schrijven.
benutzen benutzen betekent hier gebruiken en staat als infinitief na kannst. Het beschrijft wat A met het papier kan doen, zonder dat het hele aanbod alleen door benutzen wordt uitgedrukt. Je gebruikt etwas benutzen wanneer je zegt dat iemand een concreet voorwerp of middel gebruikt; hier gaat het om papier in de les.
Danke Danke betekent hier dank je en is een korte manier om iemand voor hulp of een aanbod te bedanken. Het staat als zelfstandige reactie voordat de spreker verdergaat. In deze situatie gebruikt A Danke nadat B papier heeft aangeboden.
will will betekent hier wil en drukt de bedoeling van de spreker uit. In Ich will die neuen Wörter aufzuschreiben? Nee, in de dialoog staat Ich will die neuen Wörter aufschreiben: will staat daar voor de infinitief op te schrijven. Je gebruikt Ich will + een infinitief om een voornemen te noemen; hier wil A de nieuwe woorden opschrijven.
die die betekent hier de en introduceert samen met neuen Wörter de specifieke woorden waarover de sprekers het hebben. Het hoort bij die neuen Wörter, niet los bij de hele handeling. Je gebruikt die voor iets dat in de context herkenbaar of al bepaald is; hier zijn het de nieuwe woorden uit de les.
neuen neuen betekent hier nieuwe en beschrijft de woorden als woorden die de cursisten pas leren. De vorm staat vóór Wörter in die neuen Wörter. Je gebruikt een vorm van neu vóór een zelfstandig naamwoord om aan te geven dat iets nieuw is; hier gaat het om nieuwe woorden die de spreker wil noteren.
Wörter Wörter betekent hier woorden en verwijst naar de nieuwe woorden uit de les. Het is de meervoudsvorm van Wort en staat in die neuen Wörter. Je gebruikt Wörter bijvoorbeeld voor afzonderlijke taalelementen die je opschrijft, leest of controleert.
aufzuschreiben aufzuschreiben betekent hier op te schrijven en vormt samen met die neuen Wörter de handeling die A wil uitvoeren. Het is de vorm van aufschreiben met zu na will. Je gebruikt etwas aufschreiben wanneer je informatie of woorden noteert om ze later te kunnen bekijken; hier schrijft A nieuwe woorden op.
Gute Gute betekent hier goed(e) in de reactie Gute Idee. Het geeft een positieve beoordeling van het voorstel om de woorden op te schrijven. Je gebruikt Gute Idee als korte, natuurlijke reactie wanneer je instemt met of enthousiast bent over een voorstel.
Idee Idee betekent hier idee en verwijst naar het voorstel dat A de nieuwe woorden wil opschrijven. Samen met Gute vormt het de positieve reactie Gute Idee. In deze situatie gebruikt B Idee om het plan van A goed te keuren.
schreibe schreibe betekent hier schrijf en staat in Ich schreibe sie auch auf. Het is de vorm van schreiben die bij Ich hoort en vormt samen met auf de handeling iets opschrijven. Je gebruikt Ich schreibe + een voorwerp om te zeggen wat je noteert; hier schrijft B dezelfde woorden op als A.
sie sie betekent hier ze en verwijst terug naar die neuen Wörter. Het is het voorwerp van schreibe ... auf, zodat de woorden niet opnieuw genoemd hoeven te worden. Je gebruikt sie voor eerder genoemde meervoudige personen of zaken; hier bedoelt B de woorden die A wil opschrijven.
auch auch betekent hier ook en laat zien dat B dezelfde handeling als A zal uitvoeren. In Ich schreibe sie auch auf voegt het de betekenis toe dat B de woorden eveneens opschrijft. Je gebruikt auch wanneer je een persoon, handeling of eigenschap aan iets eerder genoemds toevoegt; hier doet B mee met het opschrijven.
auf auf is hier het scheidbare deel van aufschreiben en betekent in deze zin niet zelfstandig op. Het hoort bij schreibe in Ich schreibe sie auch auf en staat aan het einde van de hoofdzin. Je gebruikt bij een vervoegde vorm van aufschreiben een patroon waarin het voorwerp tussen het werkwoord en auf kan staan; hier zijn sie de woorden die worden opgeschreven.
Können Können betekent hier kunnen en staat aan het begin van een vraag over een gezamenlijke mogelijkheid. In Können wir sie nach dem Unterricht überprüfen? hoort het bij wir en bij het infinitief überprüfen. Je gebruikt Können wir + een infinitief om te vragen of jij en de ander iets samen kunnen doen; hier vraagt A of de woorden na de les gecontroleerd kunnen worden.
wir wir betekent hier wij en omvat de spreker en de aangesprokene samen. Het is het onderwerp van Können wir ... en later van Wir können ... . Je gebruikt wir wanneer jij en minstens één andere persoon samen handelen; hier gaat het om samen controleren en lezen.
nach nach betekent hier na en geeft aan wanneer het controleren plaatsvindt. Samen met dem Unterricht vormt het de tijdsbepaling nach dem Unterricht. Je gebruikt nach + een tijdstip of gebeurtenis om iets daarna te plaatsen; hier willen de cursisten de woorden na de les controleren.
dem dem is hier het bepaalde lidwoord in nach dem Unterricht en hoort bij Unterricht. Samen met nach dem Unterricht geeft het aan dat de handeling plaatsvindt nadat de specifieke les voorbij is. Je gebruikt deze combinatie om naar een bepaalde gebeurtenis of periode te verwijzen die als tijdsreferentie dient.
Unterricht Unterricht betekent hier les of onderwijs en verwijst naar de taalles waarin de woorden zijn geleerd. In nach dem Unterricht maakt het duidelijk wanneer de controle plaatsvindt. Je gebruikt Unterricht bijvoorbeeld in een context waarin leerlingen en een docent samen leren.
überprüfen überprüfen betekent hier controleren of nakijken en staat als infinitief na Können. Het gaat om de nieuwe woorden die de cursisten na de les samen willen bekijken. Je gebruikt etwas überprüfen wanneer je nagaat of informatie, werk of antwoorden correct zijn; hier controleren ze hun genoteerde woorden.
zusammen zusammen betekent hier samen en maakt duidelijk dat de sprekers de woorden gezamenlijk lezen. Het staat bij lesen in Wir können sie zusammen lesen. Je gebruikt zusammen + een handeling wanneer meerdere mensen die handeling gezamenlijk uitvoeren; hier studeren de cursisten samen na de les.
lesen lesen betekent hier lezen en staat als infinitief na können. Het verwijst naar het gezamenlijk bekijken van de eerder genoemde woorden. Je gebruikt etwas lesen voor geschreven tekst of woorden; hier lezen de twee cursisten de woorden samen.

Grammatica

mitzubringen

mitzubringen

mit-tsoe-BRING-uhn

meenemen

Bij een scheidbaar werkwoord komt ‘zu’ tussen het voorvoegsel en het werkwoord: mitzubringen.

Duits woordenschat

auch bijwoord
auch ook
aufschreiben werkwoord
auf-SJRAAI-buhn opschrijven
benutzen werkwoord
be-NOET-suhn gebruiken
gut bijvoeglijk naamwoord
goet goed Gute
Idee zelfstandig naamwoord
ie-DEE idee
mitbringen werkwoord
mit-BRING-uhn meenemen mitzubringen
neu bijvoeglijk naamwoord
NOY nieuw neuen
Notizbuch zelfstandig naamwoord
no-TIETS-boegh notitieboek
Papier zelfstandig naamwoord
pa-PIER papier
schreiben werkwoord
SJRAAI-buhn schrijven schreibe
vergessen werkwoord
fer-GES-suhn vergeten
Wort zelfstandig naamwoord
vort woord Wörter

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik ben vergeten mijn notitieboek mee te nemen.

Antwoord tonenIch habe vergessen, mein Notizbuch mitzubringen.

Je kunt dit papier gebruiken.

Antwoord tonenDu kannst dieses Papier benutzen.

We kunnen ze samen lezen.

Antwoord tonenWir können sie zusammen lesen.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

woord

Antwoord tonenWörter

vergeten

Antwoord tonenvergessen

papier

Antwoord tonenPapier

nieuw

Antwoord tonenneuen