De pauze en het toilet vinden | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: During a language lesson break, two adults talk about the break and how to find the restroom..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met De pauze en het toilet vinden oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Wie lange dauert die Pause?

Wie lange dau-ert die Pau-ze? Hoe lang duurt de pauze?
B

Die Pause dauert zehn Minuten.

Die Pau-ze dau-ert tseen mie-noe-ten. De pauze duurt tien minuten.
A

Wo ist die Toilette?

Voo ist die Toa-let-tuh? Waar is het toilet?
B

Geh aus dem Raum und dann nach rechts.

Gee aus dehm Raom oent dan nagh rechtsj. Ga de kamer uit en ga naar rechts.
A

Ich glaube, ich kann sie finden.

Ich glau-buh, ich kan zie fin-den. Ik denk dat ik het kan vinden.
B

Ich warte hier, bevor der Unterricht wieder beginnt.

Ich var-tuh hier, be-foor dehr oen-ter-richt wie-dah be-gint. Ik wacht hier voordat de les weer begint.

Woord voor woord

Wie In „Wie lange dauert die Pause?“ betekent „Wie“ ‘hoe’ en vraagt het samen met „lange“ naar de duur. De vaste vraagvorm „Wie lange dauert ...?“ gebruik je om te vragen hoe lang iets duurt. Je kunt dit bijvoorbeeld gebruiken tijdens een pauze, een reis of een afspraak.
lange In „Wie lange dauert die Pause?“ betekent „lange“ ‘lang’ in de tijd. Samen met „Wie“ vormt het de vraag „Wie lange“ naar een tijdsduur. Gebruik „Wie lange dauert ...?“ gevolgd door datgene waarvan je de duur wilt weten.
dauert „dauert“ betekent hier ‘duurt’ en zegt hoe lang de pauze duurt. Het staat in „Wie lange dauert die Pause?“ en „Die Pause dauert zehn Minuten.“ Een bruikbaar patroon is „[iets] dauert [een tijdsduur]“, bijvoorbeeld in een gesprek over lessen of afspraken.
die In „die Pause“ is „die“ het bepaalde lidwoord bij „Pause“, dus ‘de’. Hetzelfde woord staat in „Die Pause dauert zehn Minuten.“ aan het begin van de zin en krijgt daar een hoofdletter. Gebruik het samen met „Pause“ wanneer je naar deze specifieke pauze verwijst.
Pause „Pause“ betekent ‘pauze’, de onderbreking van de les in deze dialoog. In „die Pause“ staat het als onderwerp van „dauert“. Je kunt „Pause“ gebruiken in gesprekken over werk, school of een andere activiteit met een onderbreking.
zehn „zehn“ betekent ‘tien’ en geeft in „zehn Minuten“ het aantal minuten aan. Het staat direct voor de tijdseenheid „Minuten“. Gebruik „zehn“ met een zelfstandig naamwoord wanneer je een hoeveelheid van tien noemt.
Minuten „Minuten“ betekent ‘minuten’ en noemt in „zehn Minuten“ de duur van de pauze. Het woord staat na het getal „zehn“ in de uitdrukking „dauert zehn Minuten“. Je gebruikt het bijvoorbeeld om de duur van een les, wachttijd of pauze te beschrijven.
Wo „Wo“ betekent ‘waar’ en vraagt in „Wo ist die Toilette?“ naar een plaats. Het staat aan het begin van een vraag met „ist“ en de plaats waarnaar je vraagt. Gebruik „Wo ist ...?“ wanneer je iets of iemand wilt lokaliseren.
ist „ist“ betekent hier ‘is’ en verbindt in „Wo ist die Toilette?“ de vraag naar de plaats met „die Toilette“. Het kan ook in een mededeling staan, zoals „Die Toilette ist ...“. Gebruik „ist“ om met „Wo“ naar de locatie van iets te vragen.
Toilette „Toilette“ betekent ‘toilet’ en is in „die Toilette“ de plaats waarnaar gevraagd wordt. Het woord staat na het lidwoord „die“ in „Wo ist die Toilette?“. Je kunt „Toilette“ gebruiken wanneer je in een gebouw de sanitaire ruimte zoekt.
Geh „Geh“ betekent ‘ga’ en is in „Geh aus dem Raum“ een directe aanwijzing aan één persoon. Het hoort bij de route-instructie om de kamer te verlaten. Gebruik „Geh ...“ wanneer je iemand informeel mondeling een eenvoudige richting of opdracht geeft.
aus „aus“ betekent hier ‘uit’ en geeft in „Geh aus dem Raum“ aan dat iemand de ruimte naar buiten moet verlaten. In deze constructie staat het samen met „dem Raum“. Een bruikbaar patroon is „aus [een plaats] gehen“ wanneer je zegt dat iemand ergens uit gaat.
dem „dem“ is in „aus dem Raum“ het bepaalde lidwoord bij „Raum“ na „aus“. Het hoort dus bij de volledige uitdrukking „aus dem Raum“ en betekent daar ‘uit de kamer/ruimte’. Gebruik het niet los, maar leer de combinatie met de plaats en de voorzetseluitdrukking samen.
Raum „Raum“ betekent hier ‘ruimte’ of ‘kamer’ en verwijst in „aus dem Raum“ naar de lesruimte. Samen met „aus“ beschrijft het waar iemand vandaan naar buiten gaat. Je kunt „Raum“ gebruiken om een kamer of andere afgebakende ruimte aan te duiden.
und „und“ betekent ‘en’ en verbindt in „Geh aus dem Raum und dann nach rechts“ twee stappen in de route. Na het verlaten van de ruimte volgt de volgende aanwijzing. Gebruik „und“ om twee handelingen of aanwijzingen met elkaar te verbinden.
dann „dann“ betekent ‘dan’ en geeft in „und dann nach rechts“ de volgorde van de route aan. Eerst ga je uit de ruimte; daarna ga je naar rechts. Gebruik „dann“ om een volgende stap in een uitleg of instructie aan te wijzen.
nach „nach“ betekent hier ‘naar’ in de richtingsuitdrukking „nach rechts“. Samen met een richtingswoord geeft het aan in welke richting iemand moet gaan. Gebruik „nach“ in route-instructies zoals „nach rechts“ wanneer je een richting aanwijst.
rechts „rechts“ betekent ‘rechts’ en geeft in „nach rechts“ de gevraagde richting aan. De volledige uitdrukking „nach rechts“ betekent ‘naar rechts’. Je gebruikt dit bijvoorbeeld wanneer je iemand door een gebouw of op straat de weg wijst.
Ich „Ich“ betekent ‘ik’ en is in „Ich glaube“ degene die een inschatting geeft. Aan het begin van de zin wordt het met een hoofdletter geschreven; dezelfde vorm verschijnt verderop als „ich“. Gebruik „Ich glaube, ...“ om een mening of voorzichtige inschatting te geven.
glaube „glaube“ betekent hier ‘denk’ of ‘geloof’ in „Ich glaube, ich kann sie finden.“ De spreker geeft daarmee aan dat hij of zij verwacht de toilet te kunnen vinden. Een bruikbaar patroon is „Ich glaube, ...“ gevolgd door een volledige gedachte.
kann „kann“ betekent ‘kan’ en drukt in „ich kann sie finden“ de mogelijkheid uit om de toilet te vinden. Het staat samen met „finden“, terwijl „finden“ aan het einde van dit zinsdeel staat. Gebruik „ich kann ...“ om te zeggen dat je iets kunt doen.
sie „sie“ verwijst in „Ich glaube, ich kann sie finden“ naar „die Toilette“ en betekent daar ‘haar’ of natuurlijker ‘die’. Het is het object bij „finden“, zodat de spreker niet „die Toilette“ hoeft te herhalen. Gebruik „sie“ om opnieuw naar een vrouwelijk zelfstandig naamwoord te verwijzen.
finden „finden“ betekent ‘vinden’ en staat in „ich kann sie finden“ na „kann“. De volledige constructie „Ich kann sie finden“ betekent ‘ik kan haar/de toilet vinden’. Gebruik na „kann“ een handeling, bijvoorbeeld in een nieuwe zin: „Ich kann den Raum finden.“
warte „warte“ betekent ‘wacht’ in „Ich warte hier“ en beschrijft wat de spreker op dit moment doet. Het staat samen met „hier“ om aan te geven dat de spreker op deze plek blijft wachten. Gebruik „Ich warte ...“ wanneer je iemand vertelt dat je op hem of haar blijft wachten.
hier „hier“ betekent ‘hier’ en geeft in „Ich warte hier“ de plaats van het wachten aan. Het staat na „warte“ en maakt duidelijk dat de spreker niet meegaat. Gebruik „hier“ om naar de huidige plaats van de spreker of een aangewezen plek te verwijzen.
bevor „bevor“ betekent ‘voordat’ en leidt in „bevor der Unterricht wieder beginnt“ een gebeurtenis in de tijd in. De volledige bijzin zegt dat het wachten plaatsvindt vóór het opnieuw beginnen van de les. Gebruik „bevor“ om twee gebeurtenissen in tijd te ordenen; in de bijzin staat het werkwoord hier aan het einde.
der In „der Unterricht“ is „der“ het bepaalde lidwoord bij „Unterricht“, dus ‘de’. Deze woordgroep is het onderwerp van „beginnt“ in de bijzin „bevor der Unterricht wieder beginnt“. Gebruik „der Unterricht“ wanneer je naar de les of het onderwijs verwijst.
Unterricht „Unterricht“ betekent ‘les’ of ‘onderwijs’ en verwijst hier naar de taalonderwijsactiviteit die opnieuw begint. In „der Unterricht“ staat het als onderwerp van „beginnt“. Je kunt „Unterricht“ gebruiken in gesprekken over lessen, bijvoorbeeld wanneer je zegt dat een les begint of eindigt.
wieder „wieder“ betekent ‘weer’ of ‘opnieuw’ en geeft in „der Unterricht wieder beginnt“ aan dat de les na de pauze opnieuw begint. Het voegt dus het idee van herhaling toe aan „beginnt“. Gebruik „wieder“ wanneer een handeling of gebeurtenis opnieuw plaatsvindt.
beginnt „beginnt“ betekent ‘begint’ en beschrijft in „der Unterricht wieder beginnt“ het opnieuw starten van de les. Het staat aan het einde van de bijzin na „bevor“. Gebruik „[iets] beginnt“ om te zeggen dat een les, activiteit of gebeurtenis start.

Grammatica

bevor + bijzin: het werkwoord staat achteraan

Bevor der Unterricht wieder beginnt.

Be-foor dehr oen-ter-richt wie-dah be-gint.

Voordat de les opnieuw begint.

Na bevor staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin: bevor ... beginnt.

Duits woordenschat

dann bijwoord
dan dan
dauern werkwoord
dau-ern duren dauert
finden werkwoord
fin-den vinden
gehen werkwoord
gee-en gaan Geh
glauben werkwoord
glau-ben denken; geloven glaube
Minute zelfstandig naamwoord
mie-noe-tuh minuut Minuten
Pause zelfstandig naamwoord
Pau-ze pauze die Pause
Raum zelfstandig naamwoord
Raom kamer dem Raum
rechts bijwoord
rechtsj naar rechts
Toilette zelfstandig naamwoord
Toa-let-tuh toilet die Toilette
warten werkwoord
var-ten wachten warte
zehn telwoord
tseen tien

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Hoe lang duurt de pauze?

Antwoord tonenWie lange dauert die Pause?

De pauze duurt tien minuten.

Antwoord tonenDie Pause dauert zehn Minuten.

Waar is het toilet?

Antwoord tonenWo ist die Toilette?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

duren

Antwoord tonendauert

tien

Antwoord tonenzehn

minuut

Antwoord tonenMinuten

naar rechts

Antwoord tonenrechts