Familie en een huisdier | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, two adults talk about living with a child and having a pet at home..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Familie en een huisdier oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Lebst du mit deiner Familie?

leeps doe mit dai-nuh fa-mie-lie? Woon je met familie?
B

Ich lebe mit meinem Kind.

iesj lee-buh mit mai-num kint. Ik woon met mijn kind.
A

Gibt es zu Hause auch ein Haustier?

gipt es tsoe hau-zuh auch ain haustie-uh? Is er thuis ook een huisdier?
B

Wir haben einen kleinen Hund.

vie-uh haa-bun ai-nun klai-nun hoent. We hebben een kleine hond.
A

Wie kommen sie miteinander aus?

vie kom-un zie mit-ain-anduh aus? Hoe kunnen ze het samen vinden?
B

Sie spielen jeden Tag zusammen.

zie sjpie-lun jee-dun taak tsoe-zamun. Ze spelen elke dag samen.

Woord voor woord

Lebst „Lebst“ betekent hier „woon je“ en is de vorm die in „Lebst du mit deiner Familie?“ wordt gebruikt. Met „mit“ kun je aangeven met wie iemand woont: „mit deiner Familie“. In een nieuwe vraag kun je dezelfde vorm gebruiken om te vragen of iemand ergens woont.
du „du“ verwijst hier naar de persoon die wordt aangesproken: „woon jij“. In de vraag „Lebst du mit deiner Familie?“ staat „du“ bij de handeling „Lebst“. Je gebruikt „du“ wanneer je één persoon informeel aanspreekt.
mit „mit“ betekent hier „met“ of „samen met“ en verbindt de woonplaats of leefsituatie met de personen daarbij: „mit deiner Familie“. Je kunt „mit“ ook gebruiken voor andere personen of zaken die samen aanwezig zijn. In deze zin hoort het bij „Lebst du“ en niet bij één afzonderlijk zelfstandig naamwoord.
deiner „deiner“ geeft aan dat de familie van de aangesproken persoon is: „jouw familie“. In de combinatie „mit deiner Familie“ betekent het „met jouw familie“. Gebruik een bezitsvorm zoals „deiner“ voor iets dat bij de aangesproken persoon hoort.
Familie „Familie“ betekent „familie“ en verwijst hier naar de familie waarmee iemand woont: „mit deiner Familie“. Het woord wordt gebruikt na „mit“ om aan te geven met wie iemand samenleeft. Je kunt „Familie“ gebruiken wanneer je over familieleden als groep spreekt.
Ich „Ich“ betekent „ik“ en verwijst naar de persoon die spreekt: „Ich lebe mit meinem Kind.“ Het staat hier als onderwerp van de mededeling. Gebruik „Ich“ om jezelf als handelende of levende persoon aan te wijzen.
lebe „lebe“ betekent hier „woon“ of „leef“ en beschrijft waar de spreker samenleeft: „Ich lebe mit meinem Kind“. De combinatie „Ich lebe mit ...“ geeft aan met wie iemand woont. Je kunt deze vorm gebruiken om je eigen woonsituatie te beschrijven.
meinem „meinem“ geeft aan dat het kind bij de sprekende persoon hoort: „mijn kind“. In „mit meinem Kind“ betekent het „met mijn kind“. Gebruik een bezitsvorm zoals „meinem“ om iets aan jezelf als spreker te verbinden.
Kind „Kind“ betekent „kind“ en verwijst hier naar het kind waarmee de spreker woont: „mit meinem Kind“. Na „mit“ vormt het samen met „meinem“ de uitdrukking „met mijn kind“. Je kunt „Kind“ gebruiken om over een jong persoon in een gezin te spreken.
Gibt „Gibt“ betekent hier niet „geeft“, maar drukt uit dat iets aanwezig is: „is er“. In „Gibt es zu Hause auch ein Haustier?“ begint het een vraag naar het bestaan of de aanwezigheid van iets. Gebruik de constructie „Gibt es ...?“ om te vragen of iets bestaat of aanwezig is.
es „es“ hoort hier bij de constructie „Gibt es ...?“ en verwijst niet naar een specifiek eerder genoemd voorwerp. Samen betekent „Gibt es“ hier „is er“. Gebruik „es“ in deze vaste vraagconstructie wanneer je naar de aanwezigheid van iets vraagt.
zu Hause „zu Hause“ betekent „thuis“ of „op de eigen woonplek“ en geeft hier aan waar het huisdier aanwezig kan zijn: „Gibt es zu Hause auch ein Haustier?“ De volledige uitdrukking bestaat uit „zu“ en „Hause“ en moet als geheel worden geleerd. Gebruik „zu Hause“ wanneer je over aanwezigheid of activiteiten thuis spreekt.
auch „auch“ betekent hier „ook“ en voegt een huisdier toe aan de eerder genoemde gezinssituatie: „ook een huisdier“. In „Gibt es zu Hause auch ein Haustier?“ staat het bij datgene waarvan gevraagd wordt of het aanwezig is. Gebruik „auch“ om extra informatie toe te voegen.
ein „ein“ betekent hier „een“ en introduceert een niet nader bepaald huisdier: „ein Haustier“. Samen vormen ze „een huisdier“ in de vraag „Gibt es zu Hause auch ein Haustier?“. Gebruik „ein“ vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je één niet-specifiek exemplaar bedoelt.
Haustier „Haustier“ betekent „huisdier“ en verwijst hier naar een dier dat thuis wordt gehouden. In „ein Haustier“ wordt gevraagd of er zo’n dier aanwezig is. Je kunt „Haustier“ gebruiken wanneer je over een huisdier spreekt zonder de diersoort te noemen.
Wir „Wir“ betekent „wij“ en verwijst hier naar de spreker samen met een of meer anderen: „Wir haben einen kleinen Hund.“ Het staat als onderwerp van de mededeling. Gebruik „Wir“ wanneer jij en anderen samen iets hebben of doen.
haben „haben“ betekent hier „hebben“ en drukt uit dat de spreker en anderen een hond bezitten of bij zich hebben: „Wir haben einen kleinen Hund.“ De constructie „Wir haben einen ...“ kun je gebruiken om te zeggen dat je samen iets hebt. Het woord staat hier na „Wir“.
einen „einen“ introduceert hier één niet nader bepaalde hond in „einen kleinen Hund“. Samen met „kleinen Hund“ betekent de hele groep „een kleine hond“. Gebruik „einen“ in een patroon zoals „Wir haben einen ...“ wanneer het volgende zelfstandige naamwoord in deze vorm staat.
kleinen „kleinen“ beschrijft de hond als klein: „einen kleinen Hund“. De vorm staat tussen „einen“ en „Hund“ en hoort bij deze volledige woordgroep. Je kunt dezelfde volgorde gebruiken met „einen“ plus een beschrijving en daarna het zelfstandig naamwoord.
Hund „Hund“ betekent „hond“ en verwijst hier naar het huisdier dat de spreker en anderen hebben: „einen kleinen Hund“. Het woord staat aan het einde van deze woordgroep. Gebruik „Hund“ wanneer je specifiek over een hond spreekt.
Wie „Wie“ betekent hier „hoe“ en vraagt naar de manier waarop de twee met elkaar omgaan: „Wie kommen sie miteinander aus?“ Het hoort bij de volledige vraag naar hun onderlinge relatie. Gebruik „Wie ...?“ om naar de manier of kwaliteit van iets te vragen.
kommen „kommen“ draagt in „kommen ... aus“ niet de betekenis „komen“ alleen, maar hoort bij de uitdrukking „miteinander auskommen“: met elkaar overweg kunnen. In „Wie kommen sie miteinander aus?“ vraagt het dus hoe de twee met elkaar kunnen opschieten. Leer „auskommen“ hier als geheel en gebruik het met „mit jemandem“ of „miteinander“.
sie „sie“ verwijst hier naar meerdere personen of dieren, namelijk de mensen of dieren waarover wordt gevraagd: „Wie kommen sie miteinander aus?“ Het is dus niet de beleefde aanspreekvorm „Sie“; de kleine letter in deze dialoog is relevant. Gebruik „sie“ voor meerdere genoemde personen of levende wezens.
miteinander „miteinander“ betekent hier „met elkaar“ en benadrukt de onderlinge relatie in „Wie kommen sie miteinander aus?“ Samen met „kommen ... aus“ vormt het de betekenis „met elkaar overweg kunnen“. Gebruik „miteinander“ wanneer twee of meer personen of dieren iets gezamenlijk of onderling doen.
aus „aus“ is hier een vast onderdeel van „miteinander auskommen“ en draagt samen met „kommen“ de betekenis „met elkaar overweg kunnen“. In „Wie kommen sie miteinander aus?“ mag je deze betekenis niet los van de volledige uitdrukking lezen. Gebruik „auskommen“ met „miteinander“ of met een uitdrukking voor de persoon met wie iemand overweg kan.
spielen „spielen“ betekent „spelen“ en beschrijft wat de twee samen doen: „Sie spielen jeden Tag zusammen.“ Het staat hier na „Sie“ en wordt aangevuld met „zusammen“ om hun gezamenlijke activiteit te beschrijven. Je kunt „spielen“ gebruiken voor een spel of voor spelende kinderen en dieren.
Jeden „Jeden“ betekent hier „elke“ en verwijst naar alle afzonderlijke dagen in „Jeden Tag“. Samen met „Tag“ betekent de uitdrukking „elke dag“. Gebruik „Jeden Tag“ om aan te geven dat iets dagelijks gebeurt.
Tag „Tag“ betekent „dag“ en vormt samen met „Jeden“ de tijdsaanduiding „Jeden Tag“. In „Sie spielen jeden Tag zusammen“ zegt deze groep wanneer ze spelen. Gebruik „Tag“ in een tijdsaanduiding wanneer je naar een dag of dagelijkse herhaling verwijst.
zusammen „zusammen“ betekent hier „samen“ of „gezamenlijk“ en zegt dat zij met elkaar spelen: „Sie spielen jeden Tag zusammen.“ Het staat bij „spielen“ en beschrijft de manier waarop de activiteit gebeurt. Gebruik „zusammen“ om aan te geven dat meerdere personen of dieren iets gezamenlijk doen.

Grammatica

mit + Dativ: mit deiner Familie

mit deiner Familie

mit dai-nuh fa-mie-lie

met jouw familie

Na mit staat de derde naamval. dein wordt daarom deiner voor het vrouwelijke woord Familie.

jeden Tag

jeden Tag

jee-dun taak

elke dag

Een tijdsduur of herhaling met Tag gebruikt vaak de vierde naamval: jeder wordt jeden.

Duits woordenschat

auch bijwoord
auch ook
dein bepaler
dain jouw deiner
es gibt uitdrukking
es gipt er is Gibt es
Familie zelfstandig naamwoord
fa-mie-lie familie
haben werkwoord
haa-bun hebben
Haustier zelfstandig naamwoord
haustie-uh huisdier
Hund zelfstandig naamwoord
hoent hond
Kind zelfstandig naamwoord
kint kind
klein bijvoeglijk naamwoord
klain klein kleinen
leben werkwoord
lee-bun wonen Lebst
mit voorzetsel
mit met
zu Hause bijwoord
tsoe hau-zuh thuis

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Woon je met familie?

Antwoord tonenLebst du mit deiner Familie?

Ik woon met mijn kind.

Antwoord tonenIch lebe mit meinem Kind.

We hebben een kleine hond.

Antwoord tonenWir haben einen kleinen Hund.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

kind

Antwoord tonenKind

ook

Antwoord tonenauch

wonen

Antwoord tonenLebst

familie

Antwoord tonenFamilie