Familie en een huisdier | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, two adults talk about living with a child and having a pet at home..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Familie en een huisdier oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Lebst du mit deiner Familie?

leeps doe mit dai-nuh fa-mie-lie? Woon je met familie?
B

Ich lebe mit meinem Kind.

iesj lee-buh mit mai-num kint. Ik woon met mijn kind.
A

Gibt es zu Hause auch ein Haustier?

gipt es tsoe hau-zuh auch ain haustie-uh? Is er thuis ook een huisdier?
B

Wir haben einen kleinen Hund.

vie-uh haa-bun ai-nun klai-nun hoent. We hebben een kleine hond.
A

Wie kommen sie miteinander aus?

vie kom-un zie mit-ain-anduh aus? Hoe kunnen ze het samen vinden?
B

Sie spielen jeden Tag zusammen.

zie sjpie-lun jee-dun taak tsoe-zamun. Ze spelen elke dag samen.

Uitleg van de zinnen

  1. Lebst du mit deiner Familie?

    Woon je met familie?

    Lebst
    woont
    du
    jij
    mit
    met
    deiner
    jouw
    Familie
    familie
    Uitgebreide uitleg

    Lebst is de 2e persoon enkelvoud van leben in de tegenwoordige tijd: ich lebe, du lebst. Hier betekent het, door de combinatie met mit deiner Familie, “wonen”. Voor “wonen” bestaat ook wohnen; leben kan algemener “leven” of “wonen” betekenen. Voorbeeld: Du lebst in Berlin. — “Je woont in Berlijn.” du is het persoonlijk voornaamwoord voor één aangesproken persoon en staat hier als onderwerp. In een gewone mededelende zin staat het werkwoord vaak na het onderwerp (Du lebst ...), maar in deze ja/nee-vraag staat Lebst vóór du: Lebst du ...? mit betekent “met” en regeert in het Duits de datief. Dat zie je aan het volgende bezittelijke woord. deiner komt van het bezittelijk woord dein (“jouw”) en staat hier in de datief enkelvoud vrouwelijk, omdat Familie vrouwelijk is: die Familie. Het is dus niet deiner omdat de aangesproken persoon vrouwelijk zou zijn; de vorm wordt hier bepaald door de grammaticale eigenschappen van Familie en door mit. Vergelijk: deine Familie zonder datiefvoorzetsel, maar mit deiner Familie na mit. Voorbeeld: Ich spreche mit deiner Schwester. — “Ik praat met je zus.” Familie is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent “familie”. Het meervoud is Familien; in deze zin gaat het om familie als enkelvoudige groep. Samen vormt mit deiner Familie de woordgroep “met je familie”. De vraagvolgorde Lebst du ...? maakt er “Woon je met je familie?” van.

  2. Ich lebe mit meinem Kind.

    Ik woon met mijn kind.

    Ich
    ik
    lebe
    woon
    mit
    met
    meinem
    mijn
    Kind
    kind
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik”. Het is de persoonlijke vorm voor de eerste persoon enkelvoud; de vorm zelf geeft geen grammaticaal geslacht aan. Voorbeeld: Ich lerne. = “Ik leer.” lebe is de vorm van leben bij ich in de tegenwoordige tijd: ich lebe. In deze zin betekent leben volgens de vaste vertaling “wonen”; afhankelijk van de context kan het ook “leven” betekenen. Voorbeeld: Ich lebe in Berlin. = “Ik woon in Berlijn.” mit betekent “met” en wordt in het Duits gevolgd door de datief. Het drukt hier samen-zijn of samenwonen met iemand uit. Voorbeeld: Sie lebt mit ihrem Bruder. = “Zij woont met haar broer.” meinem is de verbogen vorm van het bezittelijke woord mein (“mijn”). Omdat mit de datief vereist en Kind onzijdig enkelvoud is (das Kind), staat hier meinem: mein Kind in andere naamvalposities, maar mit meinem Kind in de datief. Bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord is de vorm bijvoorbeeld mit meiner Schwester = “met mijn zus”. Kind betekent “kind”. Het zelfstandig naamwoord is onzijdig: das Kind; het meervoud is die Kinder. In deze zin staat het na meinem en verwijst het, volgens de vaste vertaling, naar “mijn kind”. Samen vormen de delen Ich lebe + mit meinem Kind de betekenis: “Ik woon met mijn kind.” De eerste persoon Ich is degene die woont; mit meinem Kind noemt de persoon met wie dat gebeurt. De volledige zin is een eenvoudige tegenwoordige-tijdzin.

  3. Gibt es zu Hause auch ein Haustier?

    Is er thuis ook een huisdier?

    Gibt es
    is er
    zu Hause
    thuis
    auch
    ook
    Haustier
    huisdier
    Uitgebreide uitleg

    Gibt es is een vaste Duitse constructie om te vragen of iets bestaat of ergens aanwezig is: “is er …?” Het werkwoord gibt is de derde persoon enkelvoud van geben in de tegenwoordige tijd. In deze constructie heeft es geen zelfstandig concreet referent; samen vormt Gibt es de onpersoonlijke vraag “is er?”. Bijvoorbeeld: Gibt es hier ein Café? — “Is hier een café?” zu Hause betekent “thuis”. Dit is een vaste uitdrukking voor de plaats waar iemand woont of zich thuis bevindt. Hause is hier de traditionele vorm in deze uitdrukking; in andere samenstellingen en contexten zie je het zelfstandig naamwoord meestal als Haus, bijvoorbeeld mein Haus — “mijn huis”. auch betekent “ook”. Het voegt iets toe aan wat al als mogelijkheid of onderwerp aanwezig is. In deze zin vraagt het dus of er naast andere genoemde mogelijkheden eveneens een huisdier is. De precieze nadruk van auch hangt in het Duits mede af van de plaats ervan; hier staat het tussen de plaatsbepaling en het onbepaalde naamwoordelijk deel. Haustier betekent “huisdier”. Het is een samenstelling van Haus (“huis”) en Tier (“dier”); het geheel moet je als één zelfstandig naamwoord leren. Het meervoud is Haustiere. Bijvoorbeeld: Ein Haustier braucht Pflege. — “Een huisdier heeft verzorging nodig.” De vraag begint met het vervoegde werkwoord: Gibt es, gevolgd door de plaatsbepaling zu Hause, het toevoegende auch en het gevraagde ein Haustier. ein is hier het onbepaalde lidwoord bij het onzijdige enkelvoudige Haustier; het drukt op zichzelf niet noodzakelijk een geteld aantal uit. Samen betekent de volledige zin: “Is er thuis ook een huisdier?”

  4. Wir haben einen kleinen Hund.

    We hebben een kleine hond.

    Wir
    wij
    haben
    hebben
    kleinen
    kleine
    Hund
    hond
    Uitgebreide uitleg

    Wir betekent hier “wij” en is de eerste persoon meervoud: de spreker spreekt namens zichzelf en minstens één andere persoon. Het is de onderwerpsvorm (nominatief). Vergelijk in een ander voorbeeld: Wir lernen Deutsch. — “Wij leren Duits.” haben is de tegenwoordige tijd van haben (“hebben”) bij wir: wir haben. De vorm staat dus bij een meervoudig onderwerp; bij één persoon is het bijvoorbeeld ich habe. In deze zin drukt haben bezit of het hebben van een dier uit. kleinen betekent hier “kleine”. Het bijvoeglijk naamwoord is klein; de vorm kleinen krijgt in deze naamwoordgroep een uitgang omdat het een mannelijk zelfstandig naamwoord in de accusatief nader bepaalt. De accusatief wordt hier veroorzaakt door haben: wat men heeft, is het lijdend voorwerp. Vergelijk: Wir haben einen großen Hund. — “Wij hebben een grote hond.” Hund betekent “hond”. Het zelfstandig naamwoord is mannelijk: der Hund. In deze zin staat het in de accusatief na haben; daarom staat het onbepaalde lidwoord als einen, niet als ein. Het meervoud is Hunde (“honden”). De woordgroep einen kleinen Hund betekent “een kleine hond”. einen markeert hier het mannelijke lijdend voorwerp, en kleinen stemt daarmee overeen in de vorm van zijn uitgang. Samen met Wir haben ontstaat Wir haben einen kleinen Hund.: “Wij hebben een kleine hond.”

  5. Wie kommen sie miteinander aus?

    Hoe kunnen ze het samen vinden?

    Wie
    hoe
    sie
    ze
    kommen … miteinander … aus
    het samen vinden
    Uitgebreide uitleg

    Wie betekent hier ‘hoe’ en vraagt naar de manier waarop iets gebeurt. Het is een vraagwoord; vergelijk bijvoorbeeld Wie geht es dir? — ‘Hoe gaat het met je?’. sie is hier een meervoudig persoonlijk voornaamwoord als onderwerp: ‘ze’. De vorm is in deze positie klein geschreven en de persoonsvorm kommen staat daarom in het meervoud. Dat zegt dat het om meer dan één persoon of zaak gaat, maar de aangeleverde zin bepaalt niet wie precies met sie wordt bedoeld. Het is hier niet het beleefde enkelvoudige of meervoudige Sie, want dat wordt met een hoofdletter geschreven. kommen ... aus hoort bij het scheidbare werkwoord auskommen. De basisvorm is auskommen; in een hoofdzin staat kommen op de gewone werkwoordplaats en komt het voorvoegsel aus aan het einde: sie kommen ... aus. Auskommen mit jemandem betekent ‘met iemand kunnen opschieten’ of ‘met iemand overweg kunnen’. In deze zin staat miteinander ertussen: miteinander auskommen betekent ‘met elkaar kunnen opschieten’. Het werkwoord kommen is hier dus niet de losse betekenis ‘komen’. miteinander betekent ‘met elkaar’ of ‘samen’, met nadruk op de wederzijdse relatie. Een bruikbaar voorbeeld is Die beiden kommen gut miteinander aus. — ‘Die twee kunnen goed met elkaar opschieten.’ Samen vormen de delen de vraag Wie kommen sie miteinander aus?: ‘Hoe kunnen ze met elkaar opschieten?’ of, natuurlijker in het Nederlands, ‘Hoe kunnen ze het samen vinden?’ De vraag gaat over hun onderlinge omgang, niet over ergens fysiek aankomen.

  6. Sie spielen jeden Tag zusammen.

    Ze spelen elke dag samen.

    Sie
    ze
    spielen
    spelen
    jeden
    elke
    Tag
    dag
    zusammen
    samen
    Uitgebreide uitleg

    Sie betekent hier “ze” en verwijst volgens de vertaling naar meerdere personen. Het Duitse sie kan ook “zij” betekenen; aan het begin van een zin wordt het altijd met een hoofdletter geschreven. Het formele aanspreekwoord Sie heeft eveneens een hoofdletter, maar dat is hier niet de bedoelde lezing. spielen is de tegenwoordige tijd van spielen (“spelen”). In deze zin past de vorm bij sie als meervoudig onderwerp: sie spielen. Voorbeelden: Wir spielen. — “Wij spelen.” Das Kind spielt. — “Het kind speelt.” De vervoeging is bijvoorbeeld ich spiele, du spielst, sie spielen. jeden hoort bij het zelfstandig naamwoord Tag. De basisvorm van deze bepaler is jeder; vóór het mannelijke enkelvoud Tag krijgt hij in deze accusatiefconstructie de vorm jeden: jeden Tag betekent “elke dag”. Dit drukt geen afzonderlijk aantal uit, maar een herhaalde tijdsaanduiding. Vergelijk: jede Woche — “elke week”; bij het vrouwelijke Woche staat jede, niet jeden. Tag betekent “dag”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Tag. In jeden Tag staat het in de accusatief enkelvoud. Duits gebruikt hier de accusatief voor een tijdsaanduiding die aangeeft hoe vaak of binnen welke terugkerende tijdsperiode iets gebeurt. De hoofdletter is normaal voor Duitse zelfstandige naamwoorden. zusammen betekent “samen”. Het is een bijwoord en blijft in deze zin onveranderd. Het kan een gezamenlijke uitvoering aangeven, zoals in Wir arbeiten zusammen. — “Wij werken samen.” Samen vormen de delen Sie spielen + jeden Tag + zusammen: “Ze spelen elke dag samen.” Het onderwerp is Sie, de handeling is spielen, jeden Tag geeft de regelmatige tijd aan en zusammen zegt dat ze die handeling gezamenlijk uitvoeren. De zin staat in de gewone Duitse hoofdzinvolgorde: onderwerp, werkwoord en daarna de overige informatie.

Grammatica

mit + Dativ: mit deiner Familie

mit deiner Familie

mit dai-nuh fa-mie-lie

met jouw familie

Na mit staat de derde naamval. dein wordt daarom deiner voor het vrouwelijke woord Familie.

jeden Tag

jeden Tag

jee-dun taak

elke dag

Een tijdsduur of herhaling met Tag gebruikt vaak de vierde naamval: jeder wordt jeden.

Duits woordenschat

auch bijwoord
auch ook
dein bepaler
dain jouw deiner
es gibt uitdrukking
es gipt er is Gibt es
Familie zelfstandig naamwoord
fa-mie-lie familie
haben werkwoord
haa-bun hebben
Haustier zelfstandig naamwoord
haustie-uh huisdier
Hund zelfstandig naamwoord
hoent hond
Kind zelfstandig naamwoord
kint kind
klein bijvoeglijk naamwoord
klain klein kleinen
leben werkwoord
lee-bun wonen Lebst
mit voorzetsel
mit met
zu Hause bijwoord
tsoe hau-zuh thuis

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Woon je met familie?

Antwoord tonenLebst du mit deiner Familie?

Ik woon met mijn kind.

Antwoord tonenIch lebe mit meinem Kind.

We hebben een kleine hond.

Antwoord tonenWir haben einen kleinen Hund.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

kind

Antwoord tonenKind

ook

Antwoord tonenauch

wonen

Antwoord tonenLebst

familie

Antwoord tonenFamilie