Ontbijt voor morgen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a grocery shop, two adults decide which breakfast items to buy for tomorrow..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Ontbijt voor morgen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Was sollen wir heute kaufen?

vas zollen vie-uh hoy-tuh kau-fen Wat zullen we vandaag kopen?
B

Wir brauchen Sachen für das Frühstück morgen.

vie-uh brau-gen za-gen fuu-uh das fruu-sjtuk mor-ghen We hebben dingen nodig voor het ontbijt van morgen.
A

Dann brauchen wir Brot und Butter.

dan brauchen vie-uh broot oent boe-tuh Dan hebben we brood en boter nodig.
B

Brauchen wir auch Joghurt?

brauchen vie-uh au-gh yoo-goert Hebben we ook yoghurt nodig?
A

Ich möchte Joghurt mit Erdbeermarmelade essen.

iesj meuch-tuh yoo-goert mit eert-beer-mar-me-laa-duh essen Ik wil yoghurt met aardbeienjam eten.
B

Dann holen wir Joghurt und Marmelade.

dan hoo-len vie-uh yoo-goert oent mar-me-laa-duh Dan kopen we yoghurt en jam.

Woord voor woord

Was “Was” betekent hier “wat” en vraagt naar het product dat ze moeten kopen. In “Was sollen wir heute kaufen?” staat het aan het begin van een vraag over een keuze. Je gebruikt het wanneer je in een gesprek wilt vragen welke zaak of handeling bedoeld wordt.
sollen “sollen” drukt hier uit wat volgens de gesprekspartners verstandig of gewenst is: wat ze vandaag zouden moeten kopen. In “Was sollen wir heute kaufen?” staat het bij “wir” en samen met het werkwoord “kaufen”. Je gebruikt deze vorm bijvoorbeeld wanneer je samen een plan of beslissing bespreekt.
wir “wir” betekent “wij” en verwijst hier naar de twee personen die samen boodschappen doen. In “Was sollen wir heute kaufen?” staat het na “sollen”; aan het begin van “Wir brauchen Sachen...” wordt het als “Wir” geschreven. Je gebruikt het voor een handeling die jij samen met anderen uitvoert.
heute “heute” betekent hier “vandaag” en geeft aan op welke dag ze moeten kopen. In “Was sollen wir heute kaufen?” hoort het bij “kaufen”. Je gebruikt het wanneer je een plan of activiteit aan de huidige dag koppelt.
kaufen “kaufen” betekent hier “kopen”, namelijk de boodschappen aanschaffen. In “Was sollen wir heute kaufen?” staat het aan het einde na “sollen”. Je gebruikt deze vorm wanneer je bespreekt welke producten je wilt aanschaffen.
brauchen “brauchen” betekent hier “nodig hebben”: de gesprekspartners hebben bepaalde producten nodig voor het ontbijt. Het staat in “Wir brauchen Sachen für das Frühstück morgen.” en in “Dann brauchen wir Brot und Butter.” Je gebruikt het met datgene wat iemand nodig heeft, zoals “Sachen”, “Brot und Butter” of “auch Joghurt” in deze dialoog.
Sachen “Sachen” verwijst hier naar verschillende dingen of boodschappen die nodig zijn voor het ontbijt. In “Wir brauchen Sachen für das Frühstück morgen.” wordt met “für” het doel van die dingen aangegeven. Je gebruikt het voor een algemene opsomming wanneer je nog niet alle afzonderlijke producten noemt.
für “für” betekent hier “voor” en geeft aan waarvoor de dingen bedoeld zijn: “für das Frühstück morgen”. Het verbindt “Sachen” met het geplande ontbijt. Je gebruikt deze combinatie wanneer je boodschappen of andere zaken aan een doel of gelegenheid koppelt.
das “das” is hier het bepaalde lidwoord bij “Frühstück” in “für das Frühstück morgen”. Het verwijst naar het specifieke ontbijt waarover de gesprekspartners plannen maken. Je gebruikt deze vorm in de exacte combinatie “für das Frühstück morgen” wanneer je naar die maaltijd verwijst.
Frühstück “Frühstück” betekent “ontbijt” en verwijst hier naar de maaltijd van de volgende dag. In “für das Frühstück morgen” is het de gelegenheid waarvoor ze boodschappen nodig hebben. Je gebruikt het wanneer je over de eerste maaltijd van de dag of de voorbereiding daarvan spreekt.
morgen “morgen” betekent hier “morgen”, dus de dag na vandaag. In “das Frühstück morgen” bepaalt het wanneer het ontbijt plaatsvindt. Je gebruikt het om een plan of gebeurtenis naar de volgende dag te plaatsen.
Dann “Dann” betekent hier “dan” en leidt een volgende stap of gevolg uit de vorige informatie in. In “Dann brauchen wir Brot und Butter.” en “Dann holen wir Joghurt und Marmelade.” volgt het op een beslissing of conclusie. Je gebruikt het wanneer je na een eerdere uitspraak aangeeft wat er vervolgens gebeurt of nodig is.
Brot “Brot” betekent “brood” en is hier een van de producten die ze voor het ontbijt nodig hebben. In “Dann brauchen wir Brot und Butter.” staat het als een concreet item na “brauchen”. Je gebruikt het wanneer je brood op een boodschappenlijst of bij een maaltijd noemt.
und “und” betekent “en” en verbindt hier twee boodschappen met elkaar. In “Brot und Butter” en “Joghurt und Marmelade” maakt het van twee producten één opsomming. Je gebruikt het om gelijkwaardige woorden of zaken samen te noemen.
Butter “Butter” betekent “boter” en is hier, samen met brood, een benodigd ontbijtproduct. In “Dann brauchen wir Brot und Butter.” staat het als tweede item in de opsomming. Je gebruikt het wanneer je boter als product of onderdeel van een maaltijd noemt.
auch “auch” betekent hier “ook” en voegt yoghurt toe aan de producten die mogelijk nodig zijn. In “Brauchen wir auch Joghurt?” maakt het duidelijk dat yoghurt naast andere boodschappen wordt overwogen. Je gebruikt het wanneer je extra informatie of een extra optie toevoegt.
Joghurt “Joghurt” betekent “yoghurt” en is hier eerst het product waarnaar gevraagd wordt en daarna het product dat ze willen halen. Het komt voor in “Brauchen wir auch Joghurt?”, “Ich möchte Joghurt mit Erdbeermarmelade essen.” en “Dann holen wir Joghurt und Marmelade.” Je gebruikt het wanneer je yoghurt als voedingsmiddel of boodschappenproduct noemt.
Ich “Ich” betekent “ik” en geeft hier aan dat de spreker haar of zijn eigen wens uitdrukt. In “Ich möchte Joghurt mit Erdbeermarmelade essen.” staat het aan het begin van de zin. Je gebruikt het wanneer je in een gesprek je eigen voorkeur, plan of behoefte noemt.
möchte “möchte” drukt hier een wens uit: de spreker wil graag yoghurt met aardbeienjam eten. In “Ich möchte Joghurt mit Erdbeermarmelade essen.” staat het bij “Ich” en wordt de gewenste handeling door “essen” uitgedrukt. Je gebruikt deze vorm om in een gesprek een wens of voorkeur beleefd te formuleren.
mit “mit” betekent hier “met” en verbindt de yoghurt met de aardbeienjam waarmee de spreker die wil eten. In “Joghurt mit Erdbeermarmelade” geeft het aan welke combinatie bedoeld is. Je gebruikt het wanneer je zegt waarmee je iets eet of welke toevoeging erbij hoort.
Erdbeermarmelade “Erdbeermarmelade” betekent “aardbeienjam” en is hier de toevoeging die de spreker bij de yoghurt wil eten. In “Ich möchte Joghurt mit Erdbeermarmelade essen.” staat het na “mit”. Je gebruikt het wanneer je specifiek naar jam van aardbeien verwijst, bijvoorbeeld bij het beschrijven van een ontbijtkeuze.
essen “essen” betekent hier “eten” en benoemt wat de spreker met yoghurt en aardbeienjam wil doen. In “Ich möchte Joghurt mit Erdbeermarmelade essen.” staat het aan het einde na “möchte”. Je gebruikt deze vorm wanneer je een gewenste of geplande eetactiviteit beschrijft.
holen “holen” betekent hier “halen” of “gaan halen”: de gesprekspartners gaan yoghurt en jam verkrijgen in de winkel. In “Dann holen wir Joghurt und Marmelade.” staat het bij “wir” als de volgende stap in hun boodschappenplan. Je gebruikt het wanneer je aangeeft dat je iets gaat halen of ophalen.
Marmelade “Marmelade” betekent hier “jam” en verwijst in “Joghurt und Marmelade” naar het smeerbare product dat ze willen halen. De eerdere, specifieke keuze wordt genoemd als “Erdbeermarmelade”, terwijl hier de algemene aanduiding “Marmelade” staat. Je gebruikt het wanneer je jam als boodschappenproduct of onderdeel van een ontbijt noemt.

Grammatica

möchte + Infinitiv

Ich möchte Brot und Butter essen.

iesj meuch-tuh broot oent boe-tuh essen

Ik wil graag brood en boter eten.

Na möchte staat het tweede werkwoord als infinitief aan het einde van de zin.

Dann + Verb + Subjekt

Dann holen wir Brot und Butter.

dan hoo-len vie-uh broot oent boe-tuh

Dan halen wij brood en boter.

Na Dann komt in het Duits eerst het werkwoord en daarna het onderwerp.

Duits woordenschat

brauchen werkwoord
brau-gen nodig hebben

Wir brauchen Sachen für das Frühstück morgen.

Brot zelfstandig naamwoord
broot brood

Dann brauchen wir Brot und Butter.

Butter zelfstandig naamwoord
boe-tuh boter

Dann brauchen wir Brot und Butter.

Dann bijwoord
dan dan

Dann brauchen wir Brot und Butter.

das bepaler
das het

das Frühstück

Frühstück zelfstandig naamwoord
fruu-sjtuk ontbijt

Wir brauchen Sachen für das Frühstück morgen.

für voorzetsel
fuu-uh voor

Wir brauchen Sachen für das Frühstück morgen.

heute bijwoord
hoy-tuh vandaag

Was sollen wir heute kaufen?

kaufen werkwoord
kau-fen kopen

Was sollen wir heute kaufen?

morgen bijwoord
mor-ghen morgen

Wir brauchen Sachen für das Frühstück morgen.

Sachen zelfstandig naamwoord
za-gen dingen

Wir brauchen Sachen für das Frühstück morgen.

Was voornaamwoord
vas wat

Was sollen wir heute kaufen?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wat zullen we vandaag kopen?

Antwoord tonenWas sollen wir heute kaufen?

Dan hebben we brood en boter nodig.

Antwoord tonenDann brauchen wir Brot und Butter.

Hebben we ook yoghurt nodig?

Antwoord tonenBrauchen wir auch Joghurt?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

dingen

Antwoord tonenSachen

nodig hebben

Antwoord tonenbrauchen

kopen

Antwoord tonenkaufen

ontbijt

Antwoord tonenFrühstück