Brood en sinaasappelsap zoeken | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a grocery shop, two adults choose bread for breakfast and look for orange juice..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Brood en sinaasappelsap zoeken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Wie viele Scheiben Brot sollen wir kaufen?

Vie fie-luh sjai-bun broot zol-lun vie kau-fun? Hoeveel sneetjes brood zullen we kopen?
B

Insgesamt vier Scheiben.

In-guh-zamt fie-uh sjai-bun. Vier sneetjes in totaal.
B

Zwei für mich und zwei für dich.

Tsvai fu-uh misj oent tsvai fu-uh disj. Twee voor mij en twee voor jou.
A

Das sollte reichen. Wir brauchen noch Orangensaft.

Das zol-tuh rai-sjun. Vie-uh brau-gun nog oo-rang-un-zaft. Dat zou genoeg moeten zijn. We hebben nog sinaasappelsap nodig.
B

Kannst du den Orangensaft finden?

Kanst doe deen oo-rang-un-zaft fin-dun? Kun jij het sinaasappelsap vinden?
A

Noch nicht. Schauen wir im nächsten Regal nach.

Nog niesjt. Sjau-un vie-uh im neech-stun ree-gaal naach. Nog niet. Laten we naar het volgende schap kijken.
B

Fragen wir jemanden, der hier arbeitet.

Fraa-gun vie-uh jee-man-dun, dee-uh hie-uh ar-bai-tut. Laten we het aan iemand vragen die hier werkt.

Uitleg van de zinnen

  1. Wie viele Scheiben Brot sollen wir kaufen?

    Hoeveel sneetjes brood zullen we kopen?

    Wie viele
    hoeveel
    Scheiben
    sneetjes
    Brot
    brood
    sollen wir
    zullen we
    kaufen
    kopen
    Uitgebreide uitleg

    Wie viele betekent hier “hoeveel” en vraagt naar een aantal. Viele wordt bij een meervoudig zelfstandig naamwoord gebruikt; wie viele Scheiben betekent dus letterlijk “hoeveel sneetjes”. Voorbeeld: Wie viele Äpfel? = “Hoeveel appels?” Scheiben is het meervoud van Scheibe, dat onder andere “plakje” of “schijf” betekent. Hier verwijst het, volgens de vertaling en de context, naar sneetjes. De meervoudsvorm past bij het gevraagde aantal; het antwoord in de context is vier. Voorbeeld: Ich kaufe zwei Scheiben Brot. = “Ik koop twee sneetjes brood.” Brot betekent hier “brood”. In Scheiben Brot wordt Brot als stof- of massanaamwoord gebruikt: Scheiben geeft aan hoeveel sneetjes van het brood bedoeld zijn. Eine Scheibe Brot betekent “een sneetje brood” en zwei Scheiben Brot “twee sneetjes brood”. In andere contexten kan Brot ook naar een heel brood als afzonderlijk product verwijzen. Sollen wir bevat het modale werkwoord sollen en het onderwerp wir (“wij”). Hier drukt sollen wir ...? een voorstel uit: “zullen we ...?” In andere contexten kan sollen bijvoorbeeld “moeten” of “geacht worden te” betekenen. Voorbeeld: Sollen wir anfangen? = “Zullen we beginnen?” Kaufen is de infinitief van kaufen (“kopen”). Na het modale werkwoord sollen blijft het hoofdwerkwoord in de infinitief staan en staat het hier aan het einde. Sollen is in deze vraag de vervoegde vorm voor wir in de tegenwoordige tijd; die vorm ziet er hetzelfde uit als het infinitief sollen. Voorbeeld: Wir sollen Brot kaufen. = “Wij moeten brood kopen.” De vraag is opgebouwd als Wie viele + Scheiben Brot + sollen wir + kaufen. Het vraagstuk staat vooraan, daarna volgen het vervoegde modale werkwoord en het onderwerp, en ten slotte de infinitief. Samen betekent de zin: “Hoeveel sneetjes brood zullen we kopen?” Verzameld als herbruikbaar patroon: Wie viele + meervoudig zelfstandig naamwoord + sollen wir + infinitief?

  2. Insgesamt vier Scheiben.

    Vier sneetjes in totaal.

    Insgesamt
    in totaal
    vier
    vier
    Scheiben
    sneetjes
    Uitgebreide uitleg

    Insgesamt betekent hier “in totaal”. Het is een bijwoord dat het eindtotaal aangeeft. Het kan ook elders in de zin staan, bijvoorbeeld: Insgesamt sind es vier. — “In totaal zijn het er vier.” vier is het hoofdtelwoord voor 4. Deze vorm verandert in het Duits niet naar grammaticaal geslacht; het zelfstandig naamwoord dat ermee wordt geteld staat hier in het meervoud. Vergelijk: eine Scheibe — “één sneetje” en vier Scheiben — “vier sneetjes”. Scheiben is hier het meervoud van Scheibe, in deze context “sneetje”. Afhankelijk van de context kan Scheibe ook “schijf” of “plak” betekenen. Na een hoofdtelwoord staat zo’n meervoud gewoonlijk zonder lidwoord, omdat het hoofdtelwoord de hoeveelheid aangeeft. Voorbeeld: Drei Scheiben Brot, bitte. — “Drie sneetjes brood, alstublieft.” Samen vormt Insgesamt vier Scheiben. een verkort antwoord met de betekenis “Vier sneetjes in totaal.” In een volledige zin kan dezelfde informatie bijvoorbeeld worden uitgedrukt als Wir kaufen insgesamt vier Scheiben. — “We kopen in totaal vier sneetjes.”

  3. Zwei für mich und zwei für dich.

    Twee voor mij en twee voor jou.

    Zwei
    twee
    für mich
    voor mij
    und
    en
    zwei
    twee
    für dich
    voor jou
    Uitgebreide uitleg

    Zwei betekent hier “twee”. Het is een hoofdtelwoord en kan zelfstandig staan wanneer het genoemde zelfstandig naamwoord uit de context duidelijk is of wordt weggelaten. In deze context gaat het om twee van de eerder genoemde vier sneetjes, maar Zwei zelf noemt het soort voorwerp niet. für mich betekent “voor mij”. für is een voorzetsel dat hier een ontvanger of bestemde persoon aanduidt en de accusatief regeert. Het persoonlijk voornaamwoord is mich, de accusatiefvorm van ich (“ik”): ich als onderwerp, mich na für in deze betekenis. Voorbeeld: Das ist für mich. — “Dat is voor mij.” und verbindt twee gelijksoortige delen: “en”. Hier verbindt het twee toewijzingen. Het tweede zwei betekent opnieuw “twee”. De herhaling maakt duidelijk dat dezelfde hoeveelheid aan een andere persoon wordt toegewezen; het woord verandert niet omdat het op een andere plaats staat. für dich betekent “voor jou”. dich is de accusatiefvorm van du (“jij”) na für: du als onderwerp, dich na dit voorzetsel in deze functie. Voorbeeld: Das ist für dich. — “Dat is voor jou.” Samen bestaat de zin uit twee parallelle delen: Zwei für mich (“twee voor mij”) en zwei für dich (“twee voor jou”). De volledige betekenis is: “Twee voor mij en twee voor jou.” De zin laat het verdeelde voorwerp weg; de context maakt de verdeling van de vier sneetjes begrijpelijk.

  4. Das sollte reichen. Wir brauchen noch Orangensaft.

    Dat zou genoeg moeten zijn. We hebben nog sinaasappelsap nodig.

    Das
    dat
    sollte
    zou moeten
    reichen
    genoeg zijn; volstaan
    Wir
    wij
    brauchen
    nodig hebben
    noch
    nog
    Orangensaft
    sinaasappelsap
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dat” en staat als onderwerp voor wat volgens de spreker voldoende zal zijn; de precieze zaak waarnaar het verwijst wordt in deze zin niet benoemd. Als aanwijzend voornaamwoord kan het zelfstandig staan: Das ist gut. = “Dat is goed.” Sollte is de vorm van sollen in de verleden tijd (Präteritum), bij ich, er, sie en es; in deze zin staat het bij das. Samen met een infinitief drukt sollen uit wat hoort te gebeuren of wat naar verwachting zo is. Hier geeft sollte reichen volgens de vaste vertaling weer: “zou genoeg moeten zijn”. Vergelijk: Das sollte genügen. = “Dat zou voldoende moeten zijn.” Reichen is de infinitief. In deze betekenis betekent het niet “iets aan iemand overhandigen”, maar “voldoende zijn” of “volstaan”. De combinatie etwas reicht is een herbruikbaar patroon voor “iets is genoeg”: Zehn Minuten reichen. = “Tien minuten zijn genoeg.” Wir betekent “wij” en is de vorm voor de eerste persoon meervoud. Het is hier het onderwerp van de tweede zin. Vergelijk Ich brauche ... = “Ik heb ... nodig” met Wir brauchen ... = “Wij hebben ... nodig”. Brauchen betekent hier “nodig hebben”. Het is de infinitief en ook de vorm bij wir; de verleden tijd is bijvoorbeeld Wir brauchten ... = “Wij hadden ... nodig.” Een bruikbaar patroon is jemanden/etwas brauchen: Wir brauchen Wasser. = “Wij hebben water nodig.” Noch betekent hier “nog”: er is volgens de zin extra sinaasappelsap nodig. Het kan ook “nog steeds” betekenen, maar die betekenis past hier niet bij de vaste vertaling. Ich brauche noch Zeit. = “Ik heb nog tijd nodig.” Orangensaft is het zelfstandig naamwoord voor “sinaasappelsap”. Het is een samenstelling van Orange en Saft; het grammaticale geslacht van het hele woord is mannelijk: der Orangensaft. Als stofnaam staat het vaak zonder meervoud. Der Orangensaft ist kalt. = “Het sinaasappelsap is koud.” Samen vormen de eerste woorden Das sollte reichen: “Dat zou genoeg moeten zijn.” Daarna volgt Wir brauchen noch Orangensaft: “Wij hebben nog sinaasappelsap nodig.” De twee zinnen zeggen dus eerst dat iets voldoende zou moeten zijn en voegen daarna toe dat er nog sinaasappelsap nodig is.

  5. Kannst du den Orangensaft finden?

    Kun jij het sinaasappelsap vinden?

    Kannst du
    kun jij …?
    Orangensaft
    sinaasappelsap
    finden
    vinden
    Uitgebreide uitleg

    Kannst du bevat kannst, de tegenwoordige tijd van können bij du, plus het onderwerp du. Hier vormt het samen een vraag naar iemands mogelijkheid of bereidheid: “kun jij …?”. Bij können staat het andere werkwoord als infinitief aan het einde van de zin. Voorbeeld: Kannst du helfen? — “Kun jij helpen?” Orangensaft betekent hier “sinaasappelsap”. Het is een samenstelling van Orange en Saft; het hele woord is een zelfstandig naamwoord: der Orangensaft. In deze zin staat het na den, omdat het het directe voorwerp is van finden; den markeert hier de accusatief van het mannelijke zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: Ich kaufe den Orangensaft. — “Ik koop het sinaasappelsap.” finden is de infinitief “vinden”. De vorm blijft hier een infinitief omdat hij na het modale werkwoord können staat. In een gewone mededelende zin krijgt het werkwoord een persoonsvorm, bijvoorbeeld: Ich finde den Orangensaft. — “Ik vind het sinaasappelsap.” Samen staat de vraagvolgorde als volgt: Kannst du + het directe voorwerp den Orangensaft + de infinitief finden. Daardoor betekent de volledige uiting: “Kun jij het sinaasappelsap vinden?” De vraag gaat over de mogelijkheid of bereidheid van de aangesprokene om het sap te vinden.

  6. Noch nicht. Schauen wir im nächsten Regal nach.

    Nog niet. Laten we naar het volgende schap kijken.

    Noch nicht
    nog niet
    Schauen … nach
    nakijken
    im
    in het
    nächsten
    volgende
    Regal
    schap
    Uitgebreide uitleg

    Noch nicht betekent hier “nog niet”: iets is op dit moment nog niet het geval. noch betekent “nog” en nicht ontkent hier de relevante toestand of handeling. Voorbeeld: Noch nicht fertig. — “Nog niet klaar.” Schauen ... nach hoort bij het scheidbare werkwoord nachschauen: ergens kijken of iets controleren, bijvoorbeeld om iets te vinden. In deze zin staat schauen vooraan en het partikel nach achteraan. Schauen wir ... nach gebruikt de eerste persoon meervoud en is hier een voorstel: “laten we ... nakijken”. Voorbeeld: Schauen wir im Schrank nach. — “Laten we in de kast kijken.” im is de samentrekking van in dem. Hier vormt het een plaatsbepaling. in krijgt in deze betekenis de datief, dus dem Regal wordt im Regal. nächsten is de verbogen vorm van nächste in de betekenis “volgende”. Het bijvoeglijk naamwoord staat bij het onzijdige zelfstandig naamwoord Regal in de datief enkelvoud, na het bepaalde lidwoord dem: dem nächsten Regal. De vormenreeks van het bijvoeglijk naamwoord is nah — näher — am nächsten; nächste is de attributieve vorm die in dit gebruik “volgende” betekent. Voorbeeld: Wir nehmen den nächsten Zug. — “We nemen de volgende trein.” Regal betekent hier “schap” of “stelling”. Het is onzijdig: das Regal. In de datief enkelvoud blijft het zelfstandig naamwoord zelf Regal: in dem Regal of im Regal. Voorbeeld: Das Buch steht im Regal. — “Het boek staat in het schap.” Samen betekent Noch nicht. Schauen wir im nächsten Regal nach.: “Nog niet. Laten we in het volgende schap kijken.” De eerste zin zegt dat het gevraagde nog niet is gevonden; daarna stelt de spreker voor om in het volgende schap te kijken.

  7. Fragen wir jemanden, der hier arbeitet.

    Laten we het aan iemand vragen die hier werkt.

    Fragen wir
    Laten we vragen
    jemanden
    iemand
    hier
    hier
    arbeitet
    werkt
    Uitgebreide uitleg

    Fragen wir is een Duitse werkwoord-eerstconstructie om een gezamenlijke aansporing of een voorstel uit te drukken: “laten we vragen”. Het werkwoord fragen staat vooraan en wir is het onderwerp. Dit verschilt van een gewone mededeling, waarin de volgorde “wij vragen” wordt gebruikt. Voorbeeld: Gehen wir nach Hause. — “Laten we naar huis gaan.” jemanden betekent hier “iemand” als degene die men iets vraagt. Het is de accusatiefvorm van jemand; die vorm wordt hier gebruikt als lijdend voorwerp van fragen. Vergelijk: jemand als onderwerp (“iemand”) en jemanden als lijdend voorwerp (“iemand”). Het onbepaalde voornaamwoord stelt geen bepaald aantal vast. hier betekent “hier”, dus op de plaats waar de spreker zich bevindt of waarnaar de context verwijst. Het is een bijwoord en verandert niet van vorm. Voorbeeld: Ich arbeite hier. — “Ik werk hier.” arbeitet is de derde persoon enkelvoud van arbeiten (“werken”) in de tegenwoordige tijd: arbeiten → er/sie arbeitet. De uitgang -t hoort hier bij de vorm voor een onderwerp in de derde persoon enkelvoud. In het betrekkelijke deel der hier arbeitet is der het onderwerp van arbeitet en verwijst het naar de genoemde persoon; samen betekent dit “die hier werkt”. Voorbeeld: Sie arbeitet in Berlin. — “Zij werkt in Berlijn.” Samen bestaat de zin uit de aansporing Fragen wir plus het lijdend voorwerp jemanden, nader omschreven door der hier arbeitet: “Laten we iemand vragen die hier werkt.” De voorafgaande context gebruikt dezelfde Fragen wir ...-constructie om een gezamenlijke volgende handeling voor te stellen.

Grammatica

Wie viele + meervoud

Wie viele Scheiben?

Vie fie-luh sjai-bun?

Hoeveel sneetjes?

Wie viele staat voor een meervoudig zelfstandig naamwoord. Het Duitse wie betekent hier niet wie als persoon, maar hoeveel.

für + accusatief voornaamwoord

Zwei für mich.

Tsvai fu-uh misj.

Twee voor mij.

Na für komt een accusatief voornaamwoord: mich en dich, niet de Nederlandse vormen mij en jou als onderwerp.

Duits woordenschat

Brot zelfstandig naamwoord
broot brood
Das voornaamwoord
das dat
dich voornaamwoord
disj jou
für voorzetsel
fu-uh voor
Insgesamt bijwoord
in-guh-zamt in totaal
kaufen werkwoord
kau-fun kopen
mich voornaamwoord
misj mij
reichen werkwoord
rai-sjun genoeg zijn
Scheiben zelfstandig naamwoord
sjai-bun sneetjes
vier telwoord
fie-uh vier
Wie viele bepaler
vie fie-luh hoeveel
Zwei telwoord
tsvai twee

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Vier sneetjes in totaal.

Antwoord tonenInsgesamt vier Scheiben.

Kun jij het sinaasappelsap vinden?

Antwoord tonenKannst du den Orangensaft finden?

Laten we het aan iemand vragen die hier werkt.

Antwoord tonenFragen wir jemanden, der hier arbeitet.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

mij

Antwoord tonenmich

twee

Antwoord tonenZwei

in totaal

Antwoord tonenInsgesamt

sneetjes

Antwoord tonenScheiben