Een kortere rij bij de kassa kiezen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At a shop checkout area, two adults confirm they have everything and choose the shorter line..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Een kortere rij bij de kassa kiezen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Brauchen wir noch etwas?

Brau-chen wie-uh noch et-vas? Hebben we nog iets nodig?
B

Ich glaube, das ist alles.

Ich glau-buh, das ist al-les. Ik denk dat dat alles is.
A

Dann gehen wir zur Kasse.

Dan gee-un wie-uh tsoe-uh kas-uh. Dan gaan we naar de kassa.
B

Die Schlange ist lang.

Dii sjlang-uh ist lang. De rij is lang.
A

An der Kasse dort ist die Schlange kürzer.

An dee-uh kas-uh dort ist dii sjlang-uh kur-tsuh. Bij de kassa daar is de rij korter.
B

Stellen wir uns dort an.

Sjte-lun wie-uh oens dort an. Laten we daar in de rij gaan staan.

Woord voor woord

Brauchen “Brauchen” betekent hier “nodig hebben” in de vraag “Brauchen wir noch etwas?”. Dit is de werkwoordsvorm bij “wir”; de woordenboekvorm is brauchen. Je kunt het patroon “Brauchen wir ...?” gebruiken om te vragen of iets nog nodig is.
wir “Wir” betekent hier “we” en verwijst naar de twee mensen die samen boodschappen doen. Het staat als onderwerp bij “Brauchen” en “gehen”. Gebruik “wir” wanneer je over jezelf en minstens één andere persoon spreekt.
noch “Noch” betekent hier “nog” in de vraag of er nog iets nodig is. Samen met “etwas” maakt het duidelijk dat het om extra of resterende benodigdheden gaat. Het patroon “noch etwas brauchen” is bruikbaar wanneer je controleert of er nog iets ontbreekt.
etwas “Etwas” betekent hier “iets” en wordt in deze vraag in het Nederlands natuurlijk vertaald als “iets” in “nog iets nodig hebben”. Het verwijst naar een niet nader genoemd voorwerp of een niet nader genoemde hoeveelheid. Gebruik “etwas” wanneer je bewust geen specifiek ding noemt.
Ich “Ich” betekent “ik” en verwijst naar de spreker in “Ich glaube, das ist alles.” Het staat aan het begin van de zin als onderwerp. Gebruik “Ich glaube ...” om een persoonlijke inschatting of mening in te leiden.
glaube “Glaube” betekent hier “denk” of “geloof” in “Ich glaube, das ist alles.” Het is de werkwoordsvorm bij “Ich”; de woordenboekvorm is glauben. Het patroon “Ich glaube, ...” is bruikbaar om voorzichtig een mening of inschatting te geven.
das “Das” verwijst hier naar de situatie of de spullen waarover de gesprekspartners het hebben en betekent in “das ist alles” ongeveer “dat” of “het”. Het staat vóór “ist” en vormt samen met “alles” de mededeling dat er niets meer nodig is. Gebruik “das ist ...” om naar iets aanwijsbaars of eerder genoemde informatie te verwijzen.
ist “Ist” betekent hier “is” in “das ist alles”. Het verbindt “das” met “alles” en geeft aan dat die twee naar dezelfde volledige hoeveelheid verwijzen; de woordenboekvorm is sein. Je gebruikt “ist” bijvoorbeeld om iets te beschrijven of te identificeren.
alles “Alles” betekent hier “alles” of “alle benodigdheden” in “das ist alles”. Het vat de spullen waarover het gesprek gaat als één geheel samen. Gebruik “alles” wanneer je naar de volledige hoeveelheid of alle onderdelen samen verwijst.
Dann “Dann” betekent hier “dan” en geeft aan wat er na de voorafgaande conclusie gebeurt: naar de kassa gaan. Het staat vooraan in “Dann gehen wir zur Kasse.” Gebruik “Dann ...” om een volgende stap of gevolg aan te kondigen.
gehen “Gehen” betekent hier “gaan” in “Dann gehen wir zur Kasse.” Het is de werkwoordsvorm die bij “wir” hoort. Het patroon “Wir gehen zu ...” is bruikbaar om te zeggen waar jullie samen naartoe gaan.
zur “Zur” betekent hier “naar de” in “zur Kasse”. Het is de vaste samentrekking van zu der. Gebruik “zur” vóór een vrouwelijk zelfstandig naamwoord wanneer je een bestemming met “naar de” uitdrukt, zoals in “zur Kasse”.
Kasse “Kasse” betekent hier “kassa” of “kassabalie” en is de plaats waar de boodschappen worden afgerekend. In “zur Kasse” is het de bestemming van “gehen”. Gebruik “zur Kasse gehen” wanneer je naar de kassa gaat om af te rekenen.
Die “Die” betekent hier “de” in “Die Schlange ist lang”. Het staat vóór “Schlange” en maakt duidelijk dat het om de rij gaat die in deze situatie wordt bedoeld. Gebruik “die” hier als bepaald lidwoord bij “Schlange”.
Schlange “Schlange” betekent hier “rij” of “wachtrij” bij de kassa, niet een dier. In “Die Schlange ist lang” wordt de lengte van de rij beschreven. Gebruik “in der Schlange” wanneer je zegt dat je in een wachtrij staat.
lang “Lang” betekent hier “lang” en beschrijft de rij in “Die Schlange ist lang”. Het geeft aan dat de rij veel wachtende mensen of een lange wachttijd heeft. Je kunt “lang” gebruiken om de lengte van een voorwerp of wachtrij te beschrijven.
An “An” betekent hier “bij” in “An der Kasse dort” en verwijst naar de locatie van de kassa. Het hoort samen met “der Kasse” en niet bij de betekenis van “aanrijgen” in de laatste zin. Gebruik “an der Kasse” om te zeggen dat iets zich bij de kassa bevindt.
der “Der” is hier het lidwoord in de plaatsaanduiding “an der Kasse” en betekent in het Nederlands “de”. Het staat direct vóór “Kasse” binnen deze vaste locatie-uitdrukking. Gebruik “an der Kasse” wanneer je naar de plek bij de kassa verwijst.
dort “Dort” betekent hier “daar” of “daar ginds” en wijst naar de kassa die niet direct bij de gesprekspartners is. In “An der Kasse dort” bepaalt het welke kassa wordt bedoeld. Gebruik “dort” om naar een plaats op enige afstand te verwijzen.
kürzer “Kürzer” betekent hier “korter” en vergelijkt de rij bij deze kassa met de eerder genoemde lange rij. Het is de vergelijkende vorm van kurz. Gebruik “kürzer” wanneer je twee lengtes of wachtrijen met elkaar vergelijkt.
Stellen “Stellen” betekent in “Stellen wir uns dort an” niet letterlijk alleen “plaatsen”, maar draagt in deze voorstelzin bij aan de betekenis “laten we ons daar opstellen”. De woordenboekvorm is stellen; samen met het afgescheiden “an” vormt het de uitdrukking om in de rij te gaan staan. Gebruik “Stellen wir uns ... an” om voor te stellen dat jullie ergens aansluiten.
uns “Uns” verwijst hier naar de twee gesprekspartners zelf: “ons” in “Stellen wir uns dort an”. Het hoort bij “wir” en geeft aan wie zich in de rij opstelt. In een voorstel om samen iets te doen kan “uns” zo naar de groep van spreker en luisteraar verwijzen.

Grammatica

sich anstellen – scheidbaar werkwoord

Stellen wir uns dort an.

Sjte-lun wie-uh oens dort an.

Gaan we daar in de rij staan?

Bij dit werkwoord staat het voorvoegsel an achteraan; het wederkerend voornaamwoord komt vóór het voorvoegsel.

Duits woordenschat

alles voornaamwoord
al-les alles

Ich glaube, das ist alles.

brauchen werkwoord
brau-chen nodig hebben Brauchen

Brauchen wir noch etwas?

dann bijwoord
dan dan

Dann gehen wir zur Kasse.

dort bijwoord
dort daar

An der Kasse dort ist die Schlange kürzer.

etwas voornaamwoord
et-vas iets

Brauchen wir noch etwas?

gehen werkwoord
gee-un gaan

Dann gehen wir zur Kasse.

glauben werkwoord
glau-bun geloven glaube

Ich glaube, das ist alles.

Kasse zelfstandig naamwoord
kas-uh kassa

Dann gehen wir zur Kasse.

kürzer bijvoeglijk naamwoord
kur-tsuh korter

An der Kasse dort ist die Schlange kürzer.

lang bijvoeglijk naamwoord
lang lang

Die Schlange ist lang.

noch bijwoord
noch nog

Brauchen wir noch etwas?

Schlange zelfstandig naamwoord
sjlang-uh rij

Die Schlange ist lang.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Hebben we nog iets nodig?

Antwoord tonenBrauchen wir noch etwas?

Ik denk dat dat alles is.

Antwoord tonenIch glaube, das ist alles.

Dan gaan we naar de kassa.

Antwoord tonenDann gehen wir zur Kasse.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

nog

Antwoord tonennoch

gaan

Antwoord tonengehen

geloven

Antwoord tonenglaube

kassa

Antwoord tonenKasse