De juiste bus bevestigen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At a bus stop, two passengers ask the driver whether the bus goes to the station before boarding..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met De juiste bus bevestigen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Der Bus ist da.

Dea boes ist daa. De bus is er.
B

Glaubst du, dass das der richtige Bus ist?

Glaupst doe, das das dea rích-tige boes ist? Denk je dat dit de juiste bus is?
A

Fragen wir den Fahrer, bevor wir einsteigen.

Fraa-gen viea deen faa-rea, be-foa viea ain-sjtai-gen. Laten we de chauffeur vragen voordat we instappen.
A

Entschuldigung, fährt dieser Bus zum Bahnhof?

Ent-sjoel-di-goeng, feeat die-za boes tsoem baan-hoof? Pardon, gaat deze bus naar het station?
C

Der Bahnhof ist die letzte Haltestelle.

Dea baan-hoof ist die letste hal-te-sjtelle. Het station is de laatste halte.
B

Dann ist das der richtige Bus.

Dan ist das dea rích-tige boes. Dan is dit de juiste bus.
A

Steigen wir ein und gehen weiter nach hinten.

Sjtai-gen viea ain oent gee-en vai-ta naach hint'n. Laten we instappen en verder naar binnen gaan.
B

Ich stehe ungefähr in der Mitte.

Ich sjtee-ə oeng-ge-fee-a in dea mitte. Ik ga ongeveer in het midden staan.

Woord voor woord

Der In „Der Bus“ betekent „Der“: de, en in „der richtige Bus“ verwijst het naar dezelfde bus. Het is hier het bepaalde lidwoord bij „Bus“; een vergelijkbaar patroon is „der Zug“ voor „de trein“.
Bus „Bus“ betekent hier bus, het voertuig waarin de reizigers willen instappen. Je gebruikt het bijvoorbeeld in „mit dem Bus“ wanneer je zegt dat je met de bus reist.
ist „ist“ betekent hier „is“ en verbindt de bus met zijn plaats: „Der Bus ist da“. Het is de vorm van „sein“ die je gebruikt bij „er“, „sie“ of „es“, bijvoorbeeld „Der Zug ist da“.
da „da“ betekent hier „hier“ of „er“ en geeft aan dat de bus aanwezig en aangekomen is. „Der Bus ist da“ is een veelgebruikte manier om te zeggen dat iemand of iets er is, bijvoorbeeld „Ich bin da“.
Glaubst „Glaubst“ betekent hier „denk je“ in de vraag „Glaubst du, dass ...?“. Het is de vorm van „glauben“ bij „du“; je gebruikt dit patroon om iemand naar zijn mening te vragen, bijvoorbeeld „Glaubst du, dass der Zug kommt?“ als nieuwe voorbeeldzin.
du „du“ betekent „jij“ en richt de vraag rechtstreeks aan één persoon: „Glaubst du ...?“. Het hoort vaak bij de informele aanspreekvorm, bijvoorbeeld „Wo wohnst du?“ als nieuwe voorbeeldzin.
dass „dass“ betekent „dat“ en leidt hier de inhoud van de gedachte in: „Glaubst du, dass das der richtige Bus ist?“. Na „dass“ staat de persoonsvorm aan het einde, zoals in „Ich glaube, dass er kommt“ als nieuwe voorbeeldzin.
das „das“ betekent hier „dit“ of „dat“ en verwijst naar de bus die voor hen staat: „das der richtige Bus ist“. In „das ist ...“ gebruik je het om iets aan te wijzen of te identificeren, bijvoorbeeld „Das ist mein Ticket“ als nieuwe voorbeeldzin.
richtige „richtige“ betekent hier „juiste“ in „der richtige Bus“: de bus die naar de gewenste bestemming gaat. Het is de vorm van „richtig“ in deze woordgroep; je kunt ook „die richtige Haltestelle“ zeggen voor „de juiste halte“.
Fragen „Fragen“ betekent hier „vragen“ in „Fragen wir den Fahrer“: laten we de chauffeur iets vragen. In deze zin is het een uitnodiging of voorstel aan „wir“; een bruikbaar patroon is „Fragen wir ...?“ met de persoon of zaak die je iets wilt vragen.
wir „wir“ betekent „we“ en verwijst naar de twee reizigers die samen handelen: „Fragen wir ...“ en „Steigen wir ein“. Je gebruikt het voor een groep waarvan je zelf deel uitmaakt, bijvoorbeeld „Wir warten hier“ als nieuwe voorbeeldzin.
den „den“ betekent hier „de“ in „den Fahrer“ en hoort bij de chauffeur die zij iets willen vragen. In het patroon „jemanden fragen“ staat de persoon die je vraagt als „den ...“, bijvoorbeeld „Ich frage den Lehrer“ als nieuwe voorbeeldzin.
Fahrer „Fahrer“ betekent hier „chauffeur“ of „bestuurder“, namelijk de persoon aan wie de reizigers informatie vragen. Het woord kan ook iemand aanduiden die een auto bestuurt; bijvoorbeeld „Der Fahrer wartet“ als nieuwe voorbeeldzin.
bevor „bevor“ betekent „voordat“ en geeft aan dat ze eerst de chauffeur vragen en pas daarna instappen: „bevor wir einsteigen“. Na „bevor“ staat de persoonsvorm aan het einde, zoals in „Bevor wir gehen, fragen wir“ als nieuwe voorbeeldzin.
einsteigen „einsteigen“ betekent hier „instappen“, dus een bus of ander vervoermiddel binnengaan. Je gebruikt het met een vervoermiddel, bijvoorbeeld „in den Bus einsteigen“ als nieuwe voorbeeldgroep.
Entschuldigung „Entschuldigung“ betekent hier „pardon“ en wordt gebruikt om beleefd de aandacht van de chauffeur te vragen. Je kunt het aan het begin van een vraag gebruiken, zoals „Entschuldigung, wo ist der Bahnhof?“ als nieuwe voorbeeldzin.
fährt „fährt“ betekent hier „gaat“ of „rijdt“ wanneer het over een bus gaat: „fährt dieser Bus zum Bahnhof?“. Het is de vorm van „fahren“ bij „dieser Bus“; een vergelijkbaar patroon is „Der Zug fährt nach Berlin“ als nieuwe voorbeeldzin.
dieser „dieser“ betekent „deze“ en verwijst hier naar de bus die de reizigers voor zich zien: „dieser Bus“. Je gebruikt het vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld „dieser Zug“ voor „deze trein“.
zum „zum“ betekent hier „naar het“ in „zum Bahnhof“. Het is de vaste samentrekking van „zu dem“; je gebruikt het bijvoorbeeld in „zum Flughafen“ voor „naar de luchthaven“.
Bahnhof „Bahnhof“ betekent „station“, hier specifiek het station waar de bus naartoe rijdt. Je gebruikt het bijvoorbeeld in „am Bahnhof“ voor „bij het station“.
die „die“ betekent hier „de“ in „die letzte Haltestelle“ en hoort bij „Haltestelle“. Het is het bepaalde lidwoord in deze woordgroep; een vergelijkbaar voorbeeld is „die nächste Haltestelle“ voor „de volgende halte“.
letzte „letzte“ betekent hier „laatste“ in „die letzte Haltestelle“: de halte aan het einde van de route. Het is de vorm van „letzt“ in deze woordgroep; je kunt bijvoorbeeld „die letzte Station“ zeggen voor „het laatste station“.
Haltestelle „Haltestelle“ betekent „halte“, de plaats waar de bus stopt. Je gebruikt het bijvoorbeeld in „an der Haltestelle warten“ voor „bij de halte wachten“.
Dann „Dann“ betekent „dan“ en trekt hier de conclusie uit de informatie over het station: „Dann ist das der richtige Bus“. Je gebruikt het om een gevolg of volgende stap aan te geven, bijvoorbeeld „Dann gehen wir“ als nieuwe voorbeeldzin.
Steigen „Steigen“ betekent hier samen met „ein“ „instappen“ in „Steigen wir ein“. Het is de werkwoordsvorm in een voorstel aan „wir“; het vaste patroon „Steigen wir ein“ gebruik je wanneer je anderen uitnodigt om in een voertuig te stappen.
ein „ein“ draagt in „Steigen wir ein“ de betekenis „naar binnen“ en vormt samen met „steigen“ het werkwoord „einsteigen“. Het staat hier los aan het einde van de zin; hetzelfde patroon zie je in „Wir steigen ein“ als nieuwe voorbeeldzin.
und „und“ betekent „en“ en verbindt hier twee handelingen: instappen en verder naar achteren gaan. Je gebruikt het om gelijkwaardige werkwoorden of zinsdelen te verbinden, bijvoorbeeld „Wir warten und gehen dann“ als nieuwe voorbeeldzin.
gehen „gehen“ betekent hier „gaan“ in „gehen weiter nach hinten“: verder naar achteren gaan in de bus. Je gebruikt het met een richting of plaats, bijvoorbeeld „Wir gehen nach draußen“ als nieuwe voorbeeldzin.
weiter „weiter“ betekent hier „verder“ en geeft aan dat de beweging doorgaat naar achteren in de bus. Het staat in het patroon „weiter nach hinten gehen“; je kunt ook „weitergehen“ gebruiken voor doorgaan met lopen.
nach „nach“ geeft hier de richting aan in „nach hinten“: naar achteren. De combinatie „nach“ plus een richtingswoord is een bruikbaar patroon, bijvoorbeeld „nach vorne“ voor „naar voren“.
hinten „hinten“ betekent hier „achterin“ of „naar achteren“ en beschrijft de richting binnen in de bus. In „nach hinten“ gebruik je het om naar de achterkant te bewegen; het tegenovergestelde richtingspatroon is „nach vorne“.
Ich „Ich“ betekent „ik“ en maakt duidelijk dat spreker B over zichzelf vertelt: „Ich stehe ungefähr in der Mitte“. Je gebruikt het als onderwerp voor wat jij doet of waar jij bent, bijvoorbeeld „Ich warte hier“ als nieuwe voorbeeldzin.
stehe „stehe“ betekent hier „sta“ in „Ich stehe ungefähr in der Mitte“. Het is de vorm van „stehen“ bij „ich“; je kunt hetzelfde patroon gebruiken met een plaats, bijvoorbeeld „Ich stehe an der Tür“ als nieuwe voorbeeldzin.
ungefähr „ungefähr“ betekent „ongeveer“ en maakt de plaatsaanduiding minder precies: niet exact in het midden, maar daar in de buurt. Je kunt het vóór een hoeveelheid of plaats gebruiken, bijvoorbeeld „ungefähr zehn Minuten“ als nieuwe woordgroep.
in „in“ betekent hier „in“ en geeft samen met „in der Mitte“ de plaats aan waar de spreker staat. Bij een plaats binnen een ruimte gebruik je bijvoorbeeld „in der Stadt“ voor „in de stad“.
Mitte „Mitte“ betekent „midden“ in „in der Mitte“: het centrale gedeelte van de bus. De vaste plaatsaanduiding „in der Mitte“ gebruik je wanneer iets of iemand centraal staat, bijvoorbeeld „Der Tisch steht in der Mitte“ als nieuwe voorbeeldzin.

Grammatica

dass + bijzin: het werkwoord staat aan het einde

Glaubst du, dass dieser Bus zum Bahnhof fährt?

Glaupst doe, das die-za boes tsoem baan-hoof feeat?

Geloof je dat deze bus naar het station rijdt?

Na dass staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin: fährt.

zum + zelfstandig naamwoord

zum Bahnhof

tsoem baan-hoof

naar het station

Zum is een samentrekking van zu dem en wordt gebruikt bij mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden.

Duits woordenschat

bevor voegwoord
be-foa voordat
Bus zelfstandig naamwoord
boes bus

Der Bus

da bijwoord
daa er
das voornaamwoord
das dit
dass voegwoord
das dat
einsteigen werkwoord
ain-sjtai-g'n instappen
Entschuldigung tussenwerpsel
ent-sjoel-di-goeng pardon
fahren werkwoord
faa-ren rijden fährt
Fahrer zelfstandig naamwoord
faa-rea chauffeur

den Fahrer

fragen werkwoord
fraa-g'n vragen Fragen
glauben werkwoord
glau-b'n geloven Glaubst
richtig bijvoeglijk naamwoord
rích-tich juist richtige

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

De bus is er.

Antwoord tonenDer Bus ist da.

Pardon, gaat deze bus naar het station?

Antwoord tonenEntschuldigung, fährt dieser Bus zum Bahnhof?

Het station is de laatste halte.

Antwoord tonenDer Bahnhof ist die letzte Haltestelle.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

voordat

Antwoord tonenbevor

chauffeur

Antwoord tonenFahrer

dat

Antwoord tonendass

vragen

Antwoord tonenFragen