Naar de inschrijfbalie | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: On the stairs inside a public building, two adults follow the event sign and prepare to reach the registration desk..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Naar de inschrijfbalie oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich sehe das Veranstaltungsschild an der Wand.

isj zee-uh das fer-AN-sjtaal-toengs-sjilt an dea vant. Ik zie het bord voor het evenement aan de muur.
B

Da steht, dass der Anmeldeschalter oben ist.

daa sjteet, das dea an-mel-duh-sjal-tuh oo-bun ist. Er staat dat de balie boven is.
A

Der Weg nach oben ist leicht zu finden.

dea week naach oo-bun ist laich tsoe fin-dun. De weg naar boven is makkelijk te volgen.
B

Das Schild hilft sehr.

das sjilt hilft zeer. Het bord helpt veel.
A

Der Treppenabsatz ist gleich vor uns.

dea trep-un-ap-zats ist glaich foa oens. De overloop is vlak voor ons.
B

Dann müsste der Anmeldeschalter nah sein.

dan müstuh dea an-mel-duh-sjal-tuh naa zeen. Dan moet de inschrijfbalie dichtbij zijn.
A

Gehen wir, bevor die Schlange länger wird.

gee-un vier, buh-FOA die sjlang-uh leng-uh virt. Laten we gaan voordat de rij langer wordt.
B

Ich halte das Formular bereit.

isj hal-tuh das for-moe-laar buh-RAAIT. Ik houd het formulier klaar.

Woord voor woord

Ich “Ich” betekent “ik” en verwijst hier naar de persoon die het bord ziet. Het staat als onderwerp vooraan in “Ich sehe”. Je gebruikt “Ich” wanneer je over jezelf spreekt, bijvoorbeeld bij een waarneming of handeling.
sehe “sehe” betekent hier “zie” en beschrijft wat de spreker op dat moment waarneemt. Dit is een vorm van “sehen” bij “Ich” in “Ich sehe das Veranstaltungsschild”. Je gebruikt “Ich sehe ...” om te zeggen dat je iets ziet of opmerkt.
das “das” is hier het lidwoord bij “Veranstaltungsschild” en betekent “het”. Samen met “Veranstaltungsschild” vormt het “das Veranstaltungsschild”, het bord dat de spreker ziet. Je gebruikt dit lidwoord vóór dit zelfstandig naamwoord wanneer je er in een zin naar verwijst.
Veranstaltungsschild “Veranstaltungsschild” betekent “evenementenbord” en verwijst hier naar het bord voor het evenement. Het is het object in “Ich sehe das Veranstaltungsschild”. Je gebruikt dit woord voor een bord dat informatie of aanwijzingen over een evenement geeft.
an “an” betekent hier “aan” en geeft samen met “der Wand” aan waar het bord zich bevindt. De volledige plaatsaanduiding is “an der Wand”. Je gebruikt “an” bij iets dat zich aan of bij een oppervlak of vaste plaats bevindt.
der “der” is hier het lidwoord bij “Wand” in de plaatsaanduiding “an der Wand”. In deze zin helpt het samen met “an” om de locatie van het bord aan te geven. Je gebruikt “an der Wand” wanneer je zegt dat iets aan de muur zit of hangt.
Wand “Wand” betekent “muur” en duidt hier het oppervlak aan waaraan het bord hangt of staat. Het woord staat in de vaste plaatsaanduiding “an der Wand”. Je gebruikt “Wand” voor een muur binnen of buiten een gebouw.
Da “Da” betekent hier niet eenvoudig “daar”, maar maakt in “Da steht” duidelijk dat de informatie op het bord staat; in het Nederlands is dat “er staat”. Je gebruikt “Da steht, dass ...” om te verwijzen naar wat ergens geschreven staat. Deze uitdrukking past bijvoorbeeld bij een bord, formulier of bericht.
steht “steht” betekent hier “staat” in de betekenis dat er iets geschreven of vermeld staat. Het hoort bij “Da steht, dass ...” en komt van “stehen”. Je gebruikt “Da steht, dass ...” om de inhoud van een geschreven aanwijzing weer te geven.
dass “dass” betekent “dat” en leidt hier de inhoud in van wat op het bord staat. In “dass der Anmeldeschalter oben ist” staat het werkwoord “ist” aan het einde van deze bijzin. Je gebruikt “dass” om een mededeling of vastgestelde informatie in een bijzin te verbinden.
Anmeldeschalter “Anmeldeschalter” betekent “inschrijfbalie” en verwijst hier naar de balie waar deelnemers zich aanmelden. Het woord is het onderwerp in “dass der Anmeldeschalter oben ist”. Je gebruikt het bij een balie voor registratie of aanmelding bij een evenement.
oben “oben” betekent “boven” en geeft hier aan dat de inschrijfbalie op een hoger gelegen verdieping of niveau is. Het staat in “der Anmeldeschalter oben ist”. Je gebruikt “oben” om een plaats hoger in een gebouw of op een hoger punt aan te duiden.
ist “ist” betekent “is” en verbindt hier “der Anmeldeschalter” met de plaats “oben”. In “dass der Anmeldeschalter oben ist” staat het aan het einde van de bijzin. Je gebruikt “ist” om een locatie of toestand met een onderwerp te verbinden.
Weg “Weg” betekent hier “weg” of “route” naar de plek boven. Het woord is het onderwerp in “Der Weg nach oben ist leicht zu finden”. Je gebruikt “Weg” voor de route die iemand moet volgen om ergens te komen.
nach “nach” betekent hier “naar” en vormt samen met “oben” de richting “nach oben”, dus “naar boven”. De volledige uitdrukking “Der Weg nach oben” benoemt de route in die richting. Je gebruikt “nach oben” wanneer iemand zich naar een hoger niveau of een hogere plaats beweegt.
leicht “leicht” betekent hier “makkelijk” en zegt dat de route zonder veel moeite te volgen of te vinden is. In “leicht zu finden” beschrijft het de moeilijkheidsgraad van het vinden van de weg. Je gebruikt “leicht zu ...” om te zeggen dat iets eenvoudig is om te doen.
zu “zu” is hier de infinitiefmarkeerder in “zu finden” en hoort bij het werkwoord “finden”. Samen met “leicht” vormt “leicht zu finden” de betekenis “makkelijk te vinden”; die betekenis komt dus uit de hele constructie. Je gebruikt “zu” op deze manier na een bijvoeglijk naamwoord zoals “leicht” om een handeling te beschrijven.
finden “finden” betekent hier “vinden” en verwijst naar het lokaliseren van de weg naar boven. In “leicht zu finden” staat het als infinitief na “zu”. Je gebruikt “zu finden” wanneer iets gelokaliseerd of ontdekt kan worden.
Schild “Schild” betekent hier “bord” en verwijst naar het bord dat de weg aanwijst. Het is het onderwerp in “Das Schild hilft sehr”. Je gebruikt “Schild” voor een bord met informatie, een aanwijzing of een waarschuwing.
hilft “hilft” betekent hier “helpt” en zegt dat het bord nuttig is bij het vinden van de weg. Dit is de vorm van “helfen” in “Das Schild hilft sehr”. Je gebruikt “hilft” wanneer iets of iemand ondersteuning biedt bij een taak of probleem.
sehr “sehr” betekent hier “erg” of “zeer” en versterkt “hilft”: het bord helpt erg goed. In “Das Schild hilft sehr” staat het na het werkwoord om de mate van hulp aan te geven. Je gebruikt “sehr” om een eigenschap, handeling of beoordeling sterker te maken.
Treppenabsatz “Treppenabsatz” betekent “overloop” of “bordes” en verwijst hier naar het vlakke gedeelte bij de trap. Het is het onderwerp in “Der Treppenabsatz ist gleich vor uns”. Je gebruikt dit woord voor een tussenplateau of vlak gedeelte van een trap.
gleich “gleich” betekent hier “vlak” of “meteen”, omdat de overloop direct vóór de sprekers ligt. In “gleich vor uns” versterkt het de nabijheid van de plaats. Je gebruikt “gleich vor uns” om aan te geven dat iets direct vóór de groep is.
vor “vor” betekent hier “voor” en geeft de plaats aan ten opzichte van de sprekers. De volledige uitdrukking is “vor uns”, dus “voor ons”. Je gebruikt “vor” met een persoon of groep om te zeggen dat iets zich aan de voorkant daarvan bevindt.
uns “uns” betekent hier “ons” en verwijst naar de twee mensen die samen spreken. In “vor uns” is het de groep ten opzichte waarvan de overloop wordt geplaatst. Je gebruikt “uns” wanneer je jezelf samen met anderen als groep bedoelt.
Dann “Dann” betekent “dan” en verbindt hier de informatie over de overloop met de gevolgtrekking over de balie. In “Dann müsste der Anmeldeschalter nah sein” betekent het ongeveer “dan zou ...”. Je gebruikt “Dann” om een gevolg of volgende stap uit eerder genoemde informatie af te leiden.
müsste “müsste” betekent hier “zou moeten” en drukt een voorzichtige gevolgtrekking uit: de balie zou dichtbij moeten zijn. Het staat in “Dann müsste der Anmeldeschalter nah sein” en komt van “müssen”. Je gebruikt deze vorm wanneer je op basis van aanwijzingen een waarschijnlijke conclusie trekt.
nah “nah” betekent “dichtbij” en beschrijft hier de vermoedelijke afstand tot de inschrijfbalie. In “der Anmeldeschalter nah sein” staat het bij de plaatselijke toestand van de balie. Je gebruikt “nah sein” om te zeggen dat iets niet ver weg is.
sein “sein” betekent “zijn” en staat hier als infinitief na “müsste”. In de hele constructie “müsste ... nah sein” betekent het dat de balie waarschijnlijk dichtbij is. Je gebruikt “sein” na een modale vorm om een toestand of locatie uit te drukken.
Gehen “Gehen” betekent hier “gaan” en vormt met “wir” de aansporing “Gehen wir”, oftewel “laten we gaan”. De zin stelt voor om meteen verder te lopen voordat de rij langer wordt. Je gebruikt “Gehen wir” om samen een activiteit voor te stellen.
wir “wir” betekent “wij” of “we” en verwijst hier naar de twee sprekers samen. In “Gehen wir” maakt het duidelijk dat beide personen moeten gaan. Je gebruikt “wir” wanneer je jezelf en minstens één andere persoon als groep bedoelt.
bevor “bevor” betekent “voordat” en introduceert hier de gebeurtenis die nog moet plaatsvinden: de rij wordt langer. In “bevor die Schlange länger wird” staat het werkwoord “wird” aan het einde van de bijzin. Je gebruikt “bevor” om aan te geven dat de hoofdhandeling eerder gebeurt dan een andere gebeurtenis.
die “die” is hier het lidwoord bij “Schlange” en betekent “de”. Samen vormen ze “die Schlange”, het onderwerp van “die Schlange länger wird”. Je gebruikt dit lidwoord vóór “Schlange” wanneer je naar de rij verwijst.
Schlange “Schlange” betekent hier “rij” en verwijst naar de wachtende mensen bij de registratie. Het is het onderwerp in “die Schlange länger wird”. Je gebruikt dit woord in een situatie waarin mensen achter elkaar wachten op hun beurt.
länger “länger” betekent “langer” en beschrijft hier dat de rij in omvang of wachttijd toeneemt. Het staat in “die Schlange länger wird”. Je gebruikt “länger werden” om te zeggen dat iets langer wordt dan het eerder was.
wird “wird” betekent hier “wordt” en geeft de verandering van de rij aan in “die Schlange länger wird”. Dit is een vorm van “werden”. Je gebruikt “wird” in een patroon zoals “etwas wird länger” om een verandering te beschrijven.
halte “halte” betekent hier “houd” en beschrijft dat de spreker het formulier bij zich houdt en beschikbaar houdt. In “Ich halte das Formular bereit” hoort het bij “Ich” en komt het van “halten”. Je gebruikt “Ich halte ... bereit” wanneer je iets gereed en beschikbaar houdt voor een volgende stap.
Formular “Formular” betekent “formulier” en verwijst hier naar het document dat voor de inschrijving nodig kan zijn. Het is het object in “Ich halte das Formular bereit”. Je gebruikt dit woord voor een document dat iemand moet invullen of bij een registratie moet tonen.
bereit “bereit” betekent hier “klaar” of “gereed” en zegt dat het formulier direct gebruikt kan worden. Samen met “halte” vormt het de constructie “halte ... bereit”, waarin iets beschikbaar wordt gehouden. Je gebruikt “etwas bereit halten” om iets voor gebruik of voor iemand klaar te houden.

Grammatica

Adverb vooraan + werkwoord op de tweede plaats

Oben steht das Veranstaltungsschild.

oo-bun sjteet das fer-AN-sjtaal-toengs-sjilt.

Boven staat het evenementenbord.

Bij een bijwoord vooraan blijft het vervoegde werkwoord op de tweede plaats; het onderwerp komt daarna.

werden + bijvoeglijk naamwoord

Die Schlange wird länger.

die sjlang-uh virt leng-uh.

De rij wordt langer.

Wird + bijvoeglijk naamwoord drukt een verandering of ontwikkeling uit: iets krijgt die eigenschap.

Duits woordenschat

Anmeldeschalter zelfstandig naamwoord
an-mel-duh-sjal-tuh inschrijfbalie

Da steht, dass der Anmeldeschalter oben ist.

finden werkwoord
fin-dun vinden

Der Weg nach oben ist leicht zu finden.

hilft werkwoord
hilft helpt

Das Schild hilft sehr.

leicht bijvoeglijk naamwoord
laich makkelijk

Der Weg nach oben ist leicht zu finden.

oben bijwoord
oo-bun boven

Da steht, dass der Anmeldeschalter oben ist.

Schild zelfstandig naamwoord
sjilt bord

Das Schild hilft sehr.

sehe werkwoord
zee-uh zie

Ich sehe das Veranstaltungsschild an der Wand.

sehr bijwoord
zeer erg

Das Schild hilft sehr.

steht werkwoord
sjteet staat

Da steht, dass der Anmeldeschalter oben ist.

Veranstaltungsschild zelfstandig naamwoord
fer-AN-sjtaal-toengs-sjilt evenementenbord

Ich sehe das Veranstaltungsschild an der Wand.

Wand zelfstandig naamwoord
vant muur

Ich sehe das Veranstaltungsschild an der Wand.

Weg zelfstandig naamwoord
week weg

Der Weg nach oben ist leicht zu finden.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Het bord helpt veel.

Antwoord tonenDas Schild hilft sehr.

De overloop is vlak voor ons.

Antwoord tonenDer Treppenabsatz ist gleich vor uns.

Dan moet de inschrijfbalie dichtbij zijn.

Antwoord tonenDann müsste der Anmeldeschalter nah sein.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

muur

Antwoord tonenWand

boven

Antwoord tonenoben

staat

Antwoord tonensteht

zie

Antwoord tonensehe