Taakvoortgang en teamupdates | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a workplace, two adults review task progress, remaining checks, and when to update the team..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Taakvoortgang en teamupdates oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Wie läuft die Aufgabe?

Wie loift die aufgaabuh? Hoe gaat het met de taak?
B

Das meiste ist fertig.

Das mais-tuh ist fertich. Het meeste is klaar.
A

Was müssen wir prüfen?

Vas müssen vie pruu-fen? Wat moeten we controleren?
B

Ich muss die Zahlen prüfen.

Ich moes die tsaalen pruu-fen. Ik moet de cijfers controleren.
A

Sind wir im Zeitplan?

Zint vie im tsaitplaan? Lopen we op schema?
B

Wir können es heute Nachmittag fertig machen.

Vie keunen es hoitu naachmitaak fertich maaken. We kunnen het vanmiddag afmaken.
A

Sollen wir das Team informieren?

Zollen vie das tiem informie-ren? Zullen we het team informeren?
B

Informieren wir das Team, wenn dieser Teil fertig ist.

Informie-ren vie das tiem, ven diezer tail fertich ist. Laten we het team informeren als dit deel klaar is.

Uitleg van de zinnen

  1. Wie läuft die Aufgabe?

    Hoe gaat het met de taak?

    Wie
    hoe
    läuft
    gaat
    Aufgabe
    taak
    Uitgebreide uitleg

    Wie vraagt naar de manier of de voortgang: hier betekent het “hoe”, niet “wie” als persoon. Een nuttig patroon is Wie läuft ...? = “Hoe gaat ...?”; bijvoorbeeld: Wie läuft das Projekt? — “Hoe gaat het project?” läuft is de vorm van laufen bij de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd: laufen → er/sie/es läuft. In deze zin gaat het niet letterlijk om lopen of rennen, maar om hoe iets verloopt of vordert. Het onderwerp is die Aufgabe, dus de vorm is enkelvoud: Die Aufgabe läuft .... Aufgabe is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent hier “taak” of “opdracht”. De meervoudsvorm is Aufgaben: eine Aufgabe — “een taak”, mehrere Aufgaben — “meerdere taken”. Het lidwoord die markeert hier een bepaalde, enkelvoudige vrouwelijke naamwoordgroep; het is niet op zichzelf een telwoord. Samen vormen Wie, läuft en die Aufgabe de vraag Wie läuft die Aufgabe?: “Hoe gaat het met de taak?” of natuurlijker “Hoe verloopt de taak?” De vraag informeert naar de voortgang van de specifieke taak, zonder zelf te zeggen of die goed of slecht verloopt.

  2. Das meiste ist fertig.

    Het meeste is klaar.

    Das meiste
    het meeste
    fertig
    klaar
    Uitgebreide uitleg

    Das meiste betekent hier “het meeste”: het verwijst naar het grootste deel van iets, zonder dat de zin precies benoemt waaruit dat geheel bestaat. meiste is de overtreffende vorm van viel (“veel”): viel → mehr (“meer”) → am meisten (“het meest”) of, zoals hier zelfstandig gebruikt, das meiste (“het meeste”). Het woord staat hier als zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord met het onzijdige lidwoord das; daarom staat het werkwoord in het enkelvoud. Fertig betekent hier “klaar” of “af”. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat na ist als gezegde staat. Vergelijk fertig (“af, klaar”) met bereit (“bereid, gereed”): fertig benadrukt dat iets voltooid is, terwijl bereit benadrukt dat iets klaarstaat voor gebruik of een volgende handeling. Voorbeeld: Die Arbeit ist fertig. — “Het werk is af.” Samen vormen de delen Das meiste ist fertig.: “Het meeste is klaar.” Das meiste is het onderwerp, ist is een vorm van sein (“zijn”), en fertig beschrijft de toestand van dat onderwerp. De zin zegt dus dat het grootste deel voltooid is; hij specificeert niet welk deel nog niet klaar is.

  3. Was müssen wir prüfen?

    Wat moeten we controleren?

    Was
    wat
    müssen wir
    moeten wij
    prüfen
    controleren
    Uitgebreide uitleg

    Was vraagt hier naar de zaak of handeling die gecontroleerd moet worden: “wat?”. Het is een vraagwoord voor iets, niet voor een persoon. In een vraag staat het hier vooraan: Was prüfst du? betekent “Wat controleer je?” müssen wir bestaat uit het modale werkwoord müssen en het persoonlijk voornaamwoord wir. müssen is hier de tegenwoordige tijd van müssen bij wir en drukt noodzakelijkheid uit: “moeten wij”. Het modale werkwoord krijgt de persoonsvorm; het andere werkwoord staat als infinitief aan het einde: Wir müssen die Zahlen prüfen. betekent “Wij moeten de cijfers controleren.” prüfen is de infinitief “controleren” of “nakijken”. In deze zin blijft het als infinitief staan omdat het afhankelijk is van müssen. De persoonsvorm bij ich is bijvoorbeeld ich prüfe: “ik controleer”. Samen vormt de zin Was müssen wir prüfen?: “Wat moeten wij controleren?” Was is het gevraagde onderdeel, müssen wir geeft aan dat de handeling noodzakelijk is, en prüfen benoemt die handeling. In deze Duitse vraag staat het vraagwoord vooraan, de persoonsvorm volgt en de infinitief staat aan het einde.

  4. Ich muss die Zahlen prüfen.

    Ik moet de cijfers controleren.

    Ich muss
    ik moet
    Zahlen
    cijfers
    prüfen
    controleren
    Uitgebreide uitleg

    Ich muss betekent hier dat de spreker verplicht is iets te doen. Ich is de eerste persoon enkelvoud: “ik”. muss is de vorm van het modale werkwoord müssen bij ich; het drukt noodzakelijkheid of verplichting uit. Vergelijk: Ich muss warten. — “Ik moet wachten.” Na müssen staat het andere werkwoord in deze constructie aan het einde van de zin in de infinitief. Zahlen betekent hier “cijfers” en is het meervoud van die Zahl — “het cijfer” of “het getal”. Het meervoud heeft hier de vorm Zahlen; het lidwoord die in de volledige zin markeert dit als een bepaald meervoud. Voorbeeld: Die Zahlen sind korrekt. — “De cijfers zijn correct.” prüfen betekent “controleren” of “nakijken”. Dit is de infinitiefvorm die na het modale werkwoord blijft staan. De vorm verandert dus niet naar een persoonsvorm in deze constructie. Voorbeeld: Wir prüfen den Bericht. — “Wij controleren het verslag.” Samen vormen de delen: Ich muss + die Zahlen + prüfen. De spreker zegt dat die persoon de cijfers moet controleren: “Ik moet de cijfers controleren.”

  5. Sind wir im Zeitplan?

    Lopen we op schema?

    Sind wir
    zijn we
    Zeitplan
    schema
    Uitgebreide uitleg

    Sind wir gebruikt de tegenwoordige tijd van sein voor de eerste persoon meervoud: wir sind = “wij zijn”. In een ja/nee-vraag staat de persoonsvorm voor het onderwerp: Sind wir ...? is dus het vraagpatroon “Zijn wij ...?”. Vergelijk: Wir sind bereit. — “Wij zijn klaar.” Zeitplan is een zelfstandig naamwoord met het lidwoord der: der Zeitplan = “het schema” of “de planning”. Het meervoud is Zeitpläne. Het woord verwijst hier naar de planning waarmee de voortgang wordt vergeleken. In im Zeitplan is im de samengevoegde vorm van in dem. Hier staat Zeitplan na in in de datief: in dem Zeitplan → im Zeitplan. Deze combinatie betekent in deze context idiomatisch “op schema”; im betekent hier dus niet op zichzelf “op schema”. Samen betekent Sind wir im Zeitplan?: “Lopen we op schema?” De vraag gebruikt sein om te vragen of de gezamenlijke voortgang nog overeenkomt met de planning.

  6. Wir können es heute Nachmittag fertig machen.

    We kunnen het vanmiddag afmaken.

    Wir können
    wij kunnen
    es
    het
    heute
    vandaag
    Nachmittag
    namiddag
    fertig machen
    afmaken
    Uitgebreide uitleg

    Wir können: wir betekent “wij” en können is de vorm voor de eerste persoon meervoud van können: “kunnen”. In deze hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede positie; machen staat als infinitief aan het einde. Voorbeeld: Wir können morgen kommen. — “Wij kunnen morgen komen.” es: Dit is hier het onzijdige persoonlijke voornaamwoord als lijdend voorwerp: “het”. De concrete zaak waarnaar het verwijst wordt in de aangeleverde zin niet benoemd. In het Duits hangt de vorm van persoonlijke voornaamwoorden mede af van de naamval; bij het onzijdige es zijn nominatief en accusatief echter allebei es. Hier is de functie accusatief. Voorbeeld: Ich sehe es. — “Ik zie het.” heute: Dit bijwoord betekent “vandaag”. Het geeft aan wanneer de handeling plaatsvindt en verandert niet naar persoon of aantal. Voorbeeld: Heute arbeiten wir. — “Vandaag werken wij.” Nachmittag: der Nachmittag betekent “de namiddag” of “de middag”. In heute Nachmittag vormt het zelfstandig naamwoord samen met heute een tijdsbepaling: “vanmiddag”. Nachmittag is als geheel het relevante zelfstandige naamwoord. Voorbeeld: Am Nachmittag lernen wir. — “In de namiddag leren wij.” fertig machen: Deze combinatie betekent hier “afmaken” of “voltooien”. machen is het werkwoord “doen/maken”; fertig geeft aan dat iets voltooid wordt. Na het modale werkwoord können staat machen als infinitief: können ... fertig machen. In een zelfstandige hoofdzin kan de combinatie ook gescheiden verschijnen: Wir machen es fertig. — “Wij maken het af.” Samen vormen de delen: Wir können (“wij kunnen”) + es (“het”) + heute Nachmittag (“vanmiddag”) + fertig machen (“afmaken”). De volledige betekenis is daarom: “Wij kunnen het vanmiddag afmaken.”

  7. Sollen wir das Team informieren?

    Zullen we het team informeren?

    Sollen wir
    zullen we
    Team
    team
    informieren
    informeren
    Uitgebreide uitleg

    Sollen wir is hier een voorstel in vraagvorm: “zullen we …?” sollen is de tegenwoordige tijd van het modale werkwoord sollen; wir betekent “wij”. In een Duitse ja/nee-vraag staat het vervoegde werkwoord vooraan: Sollen wir ...? Het hoofdwerkwoord blijft als infinitief aan het einde staan. Vergelijk als oefenpatroon: Sollen wir warten? — “Zullen we wachten?” das Team betekent hier “het team”. Team is een zelfstandig naamwoord; het Duitse meervoud is Teams. Het lidwoord das hoort bij het onzijdige enkelvoud Team; in deze zin markeert de combinatie het team als datgene waarop de handeling gericht is. Bij dit onzijdige woord hebben nominatief en accusatief dezelfde vorm: das Team. informieren betekent hier “informeren”. Dit is de infinitiefvorm; in de constructie met sollen wordt hij niet vervoegd en staat hij achteraan. Zonder modaal werkwoord krijgt hij bijvoorbeeld een persoonsvorm: Wir informieren das Team. — “Wij informeren het team.” Samen vormen de delen Sollen wir + das Team + informieren? de vraag “Zullen we het team informeren?” De spreker stelt voor dat de spreker en de aangesprokene die handeling uitvoeren; de vraag legt niet vast dat ze al hebben besloten dit te doen.

  8. Informieren wir das Team, wenn dieser Teil fertig ist.

    Laten we het team informeren als dit deel klaar is.

    Informieren
    informeren
    wir
    wij
    das
    het
    Team
    team
    wenn
    als
    dieser
    dit/deze
    Teil
    deel
    fertig
    klaar
    ist
    is
    Uitgebreide uitleg

    Informieren wir staat vooraan en vormt hier een voorstel in de eerste persoon meervoud: “laten we informeren”. Dit is een vaste Duitse aansporingsconstructie met het werkwoord vóór wir. Vergelijk als gewone mededeling: Wir informieren das Team. = “Wij informeren het team.” Het werkwoord informieren betekent “informeren”; het neemt vaak een persoon of groep als lijdend voorwerp: jemanden informieren = “iemand informeren”. wir betekent “wij” en is de vorm voor de eerste persoon meervoud. Het verwijst hier naar de spreker samen met minstens één andere persoon; de zin specificeert het precieze aantal niet. ich betekent daarentegen “ik”. das Team is het lijdend voorwerp: de groep die geïnformeerd moet worden. das is hier het bepaalde lidwoord bij het onzijdige zelfstandig naamwoord Team. Bij onzijdige woorden zijn de vormen van het bepaalde lidwoord in de nominatief en accusatief allebei das; in deze zin is de woordgroep accusatief omdat zij het lijdend voorwerp is. Team heeft in het Duits als meervoud Teams. wenn leidt hier een bijzin in met de betekenis “als”. In zo’n Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan. Herbruikbaar patroon: wenn + ... + werkwoord, bijvoorbeeld Wenn der Bus kommt, gehen wir. = “Als de bus komt, gaan we.” dieser Teil: Teil betekent “deel” of “onderdeel” en is hier het onderwerp van de bijzin. dieser is de aanwijzende bepaler bij het mannelijke zelfstandig naamwoord Teil in het enkelvoud en de nominatief. De vorm van deze bepaler verandert naargelang onder meer het geslacht, getal en de naamval van het zelfstandig naamwoord. Bij een onzijdig zelfstandig naamwoord staat bijvoorbeeld dieses, maar Teil is mannelijk: dieses Buch = “dit boek”. fertig betekent hier “klaar” of “af”. Het is een predicatief bijvoeglijk naamwoord na ist en krijgt in die positie geen uitgang: Der Teil ist fertig. = “Het deel is klaar.” Een mogelijk tegenovergesteld woord is unfertig = “onaf”. ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”). Het onderwerp is Teil, dus staat hier de enkelvoudsvorm ist; de verleden tijd is war. Samen vormen ist en fertig de betekenis “is klaar”. De hele structuur is Informieren wir das Team, wenn dieser Teil fertig ist. Het voorstel Informieren wir das Team wordt aangevuld met de bijzin wenn dieser Teil fertig ist, die aangeeft wanneer het voorstel uitgevoerd wordt. De werkwoordsvolgorde in die bijzin verklaart waarom ist achter fertig staat. De vaste betekenis is: “Laten we het team informeren als dit deel klaar is.”

Grammatica

wenn + bijzin met het werkwoord achteraan

Wenn das Team heute Nachmittag fertig ist, informieren wir euch.

Ven das tiem hoitu naachmitaak fertich ist, informie-ren vie oich.

Als het team vanmiddag klaar is, informeren we jullie.

Na wenn staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin. Dit verschilt van de gewone Duitse hoofdzin.

fertig machen – scheidbaar werkwoord

Wir machen die Aufgabe heute Nachmittag fertig.

Vie maaken die aufgaabuh hoitu naachmitaak fertich.

We maken de taak vanmiddag af.

Bij een hoofdzin staat fertig aan het einde; machen blijft op de tweede plaats.

Duits woordenschat

Aufgabe zelfstandig naamwoord
auf-gaa-buh taak
fertig bijvoeglijk naamwoord
fertich klaar
fertig machen uitdrukking
fertich maaken afmaken
heute Nachmittag uitdrukking
hoitu naachmitaak vanmiddag
informieren werkwoord
in-for-mie-ren informeren
laufen werkwoord
lau-fen gaan; lopen läuft
meiste voornaamwoord
mais-tuh het meeste das meiste
prüfen werkwoord
pruu-fen controleren; nakijken
wenn voegwoord
ven als; wanneer
Wie voornaamwoord
wie hoe
Zahl zelfstandig naamwoord
tsaal cijfer; getal Zahlen
Zeitplan zelfstandig naamwoord
tsait-plaan tijdschema; planning

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Hoe gaat het met de taak?

Antwoord tonenWie läuft die Aufgabe?

Het meeste is klaar.

Antwoord tonenDas meiste ist fertig.

Wat moeten we controleren?

Antwoord tonenWas müssen wir prüfen?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

cijfer; getal

Antwoord tonenZahlen

controleren; nakijken

Antwoord tonenprüfen

gaan; lopen

Antwoord tonenläuft

taak

Antwoord tonenAufgabe