Een nieuw woord leren | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, two adults discuss a new word by checking its meaning, pronunciation, and example sentence..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Een nieuw woord leren oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Was bedeutet dieses Wort?

vas bedójtet diezes vort Wat betekent dit woord?
B

Es bedeutet ein kleines Zimmer.

es bedójtet ajn klajnes tsimmer Het betekent een kleine kamer.
A

Kannst du es langsam aussprechen?

kanst doe es langzaam ausjpreken Kun je het langzaam uitspreken?
B

Ich teile das Wort in Teile auf.

ich tajle das vort in tajle auf Ik deel het woord op in delen.
A

Kannst du mir ein Beispiel geben?

kanst doe mir ajn bajsjpiel gében Kun je me een voorbeeld geven?
B

Dieses Zimmer ist sauber und hell.

diezes tsimmer ist zauber ont hel Deze kamer is schoon en licht.
A

Ich will mit dem Wort üben.

ich vil mit deem vort uuben Ik wil oefenen met het woord.
B

Versuch es in einem kurzen Satz.

ferzoech es in ajnem koertsen zats Probeer het in een korte zin.

Woord voor woord

Was “Was” vraagt in “Was bedeutet dieses Wort?” naar de betekenis van iets. Gebruik “Was bedeutet ...?” wanneer je in een taalleersituatie of ander gesprek vraagt wat iets betekent.
bedeutet “bedeutet” betekent hier “betekent” en beschrijft wat “dieses Wort” betekent. De vorm hoort bij het onderwerp “dieses Wort”; de citaatvorm is “bedeuten”. Gebruik bijvoorbeeld de vraag “Was bedeutet dieses Wort?” om naar een betekenis te vragen.
dieses “dieses” verwijst hier naar iets specifieks: het woord waarover de gesprekspartners praten. In “dieses Wort” staat het vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik deze combinatie wanneer je naar dat specifieke woord verwijst.
Wort “Wort” betekent “woord” in “dieses Wort”. Het is het onderwerp waarvan de betekenis wordt gevraagd. Gebruik “dieses Wort” wanneer je in een les of gesprek naar een bepaald woord verwijst.
Es “Es” betekent hier “het” en verwijst terug naar “dieses Wort”. In “Es bedeutet ein kleines Zimmer” voorkomt het dat het woord opnieuw genoemd moet worden. Gebruik “Es bedeutet ...” om daarna uit te leggen wat iets betekent.
ein “ein” betekent hier “een” in “ein kleines Zimmer”. Het introduceert één kamer die als betekenis wordt genoemd. Gebruik de combinatie “ein kleines Zimmer” wanneer je een kleine kamer beschrijft.
kleines “kleines” beschrijft “Zimmer” als klein in “ein kleines Zimmer”. De vorm staat tussen “ein” en “Zimmer” en hoort bij deze uitdrukking. Gebruik deze combinatie om de grootte van een kamer aan te geven.
Zimmer “Zimmer” betekent “kamer” in “ein kleines Zimmer”. Later verwijst “Dieses Zimmer” naar dezelfde soort ruimte. Gebruik “Zimmer” wanneer je in een gebouw over een kamer praat.
Kannst “Kannst” drukt in “Kannst du es langsam aussprechen?” de vraag “kun je” uit. Het is de vorm die hier samen met “du” een directe vraag vormt; de citaatvorm is “können”. Gebruik “Kannst du ...?” om iemand te vragen iets te doen of te zeggen.
du “du” betekent “jij” en is in “Kannst du es langsam aussprechen?” de aangesprokene. Het staat na “Kannst” in deze directe vraag. Gebruik “Kannst du ...?” wanneer je één persoon rechtstreeks iets vraagt.
langsam “langsam” betekent hier “langzaam” en geeft aan hoe iemand het woord moet uitspreken. In “es langsam aussprechen” beschrijft het de manier van spreken. Gebruik deze uitdrukking wanneer je om een rustigere of tragere uitspraak vraagt.
aussprechen “aussprechen” betekent “uitspreken” in “Kannst du es langsam aussprechen?”. Het is de handeling die de aangesprokene volgens de vraag moet uitvoeren. Gebruik “etwas aussprechen” wanneer je over de uitspraak van een woord of zin praat.
Ich “Ich” betekent “ik” en geeft in “Ich teile das Wort in Teile auf” aan wie de handeling uitvoert. Het is ook het onderwerp in “Ich will mit dem Wort üben”. Gebruik “Ich ...” om je eigen handeling of leerdoel te beschrijven.
teile “teile” betekent hier “deel” in de uitleg over het opdelen van een woord. Samen met “auf” vormt het in “Ich teile das Wort in Teile auf” de betekenis “ik deel het op”; “teile” alleen draagt niet de volledige betekenis van dat werkwoord. Gebruik deze constructie wanneer je iets in afzonderlijke delen verdeelt.
das “das” betekent hier “het” in “das Wort” en verwijst naar het woord dat in de les wordt besproken. Het staat direct vóór “Wort” in deze woordgroep. Gebruik “das Wort” wanneer je naar dat besproken woord verwijst.
in “in” betekent hier “in” in de constructie “in Teile auf” en geeft aan waarin het woord wordt verdeeld. De volledige betekenis ontstaat samen met “teile” en “auf”. Gebruik “in Teile” wanneer je beschrijft dat iets in afzonderlijke delen wordt verdeeld.
auf “auf” is hier geen los “op”, maar het scheidbare deel dat samen met “teile” de betekenis “opdelen” vormt in “Ich teile das Wort in Teile auf”. Het staat aan het einde van de zin. Gebruik deze combinatie wanneer je een woord of ander geheel in delen opsplitst.
mir “mir” betekent hier “mij” als de persoon voor wie een voorbeeld wordt gegeven in “Kannst du mir ein Beispiel geben?”. Het staat samen met “ein Beispiel” vóór “geben”. Gebruik deze vorm wanneer je iemand vraagt iets aan jou te geven of uit te leggen.
Beispiel “Beispiel” betekent “voorbeeld” in “ein Beispiel geben”. Een voorbeeld maakt de betekenis van het nieuwe woord concreet. Gebruik de combinatie “ein Beispiel geben” wanneer je iemand om een verduidelijking vraagt of zelf iets illustreert.
geben “geben” betekent “geven” in “Kannst du mir ein Beispiel geben?”. Hier gaat het om iemand een voorbeeld geven als hulp bij het begrijpen. Gebruik “ein Beispiel geben” wanneer je een concrete illustratie aanbiedt.
ist “ist” betekent “is” in “Dieses Zimmer ist sauber und hell” en koppelt de kamer aan de beschreven eigenschappen. De citaatvorm is “sein”. Gebruik de structuur “Dieses Zimmer ist ...” om een kamer of andere ruimte te beschrijven.
sauber “sauber” betekent “schoon” in “Dieses Zimmer ist sauber”. Het beschrijft de toestand van de kamer. Gebruik “ist sauber” wanneer je wilt zeggen dat een ruimte schoon is.
und “und” betekent “en” en verbindt in “sauber und hell” twee eigenschappen van dezelfde kamer. Het voegt de tweede beschrijving toe zonder een nieuwe zin te beginnen. Gebruik “A und B” wanneer je twee kenmerken of handelingen samen noemt.
hell “hell” betekent hier “licht” of “helder” in “Dieses Zimmer ist sauber und hell”. Het beschrijft dat de kamer voldoende licht heeft. Gebruik “ist hell” om een lichte ruimte te beschrijven.
will “will” drukt in “Ich will mit dem Wort üben” de bedoeling “ik wil” uit. Het staat bij “Ich” en wordt gevolgd door de handeling “üben”; de citaatvorm is “wollen”. Gebruik “Ich will ...” om een eigen voornemen of leerdoel te zeggen.
mit “mit” betekent hier “met” in “mit dem Wort üben”. Het geeft aan met welk woord de spreker wil oefenen. Gebruik “mit dem Wort üben” wanneer je zegt dat je een bepaald woord oefent.
üben “üben” betekent “oefenen” in “Ich will mit dem Wort üben”. Het is de handeling die de spreker wil doen om het woord te leren gebruiken. Gebruik “mit dem Wort üben” wanneer je een nieuw woord actief wilt inoefenen.
Versuch “Versuch” betekent hier “probeer” in “Versuch es in einem kurzen Satz”. Het is een directe aanmoediging aan één persoon om het woord te gebruiken. De citaatvorm is “versuchen”; gebruik “Versuch es ...” om iemand aan te moedigen iets te proberen.
einem “einem” betekent hier “een” in “in einem kurzen Satz”. Het introduceert de zin waarin de leerling het woord moet proberen. Gebruik de volledige uitdrukking wanneer je zegt dat iets in één korte zin moet worden gebruikt.
kurzen “kurzen” betekent “korte” in “einem kurzen Satz” en beschrijft “Satz”. Het geeft aan dat de oefenzin niet lang hoeft te zijn. Gebruik “einem kurzen Satz” wanneer je om een beknopte voorbeeldzin vraagt.
Satz “Satz” betekent “zin” in “in einem kurzen Satz”. Het verwijst naar de taalkundige zin waarin de leerling het woord moet oefenen. Gebruik “in einem kurzen Satz” wanneer je vraagt een woord in een korte zin te gebruiken.

Grammatica

aufteilen: teile ... auf

Ich teile das kleine Zimmer auf.

ich tajle das klajne tsimmer auf

Ik deel de kleine kamer op.

Bij een scheidbaar werkwoord staat auf aan het einde van de zin.

kleines Zimmer / kurzen Satz

ein kleines Zimmer, einen kurzen Satz

ajn klajnes tsimmer, ajnen koertsen zats

een kleine kamer, een korte zin

Bijvoeglijke naamwoorden krijgen in het Duits verschillende uitgangen, afhankelijk van lidwoord en naamval.

Duits woordenschat

aufteilen werkwoord
auftajlen opdelen teile ... auf

Ich teile das Wort in Teile auf.

aussprechen werkwoord
ausjpreken uitspreken

langsam aussprechen

bedeuten werkwoord
bedójten betekenen bedeutet

Was bedeutet dieses Wort?

Beispiel zelfstandig naamwoord
bajsjpiel voorbeeld

ein Beispiel geben

geben werkwoord
gében geven

ein Beispiel geben

hell bijvoeglijk naamwoord
hel licht

Das Zimmer ist hell.

klein bijvoeglijk naamwoord
klajn klein kleines

ein kleines Zimmer

langsam bijwoord
langzaam langzaam

langsam aussprechen

sauber bijvoeglijk naamwoord
zauber schoon

Das Zimmer ist sauber.

Teil zelfstandig naamwoord
tajl deel Teile

in Teile auf

Wort zelfstandig naamwoord
vort woord

dieses Wort

Zimmer zelfstandig naamwoord
tsimmer kamer

ein kleines Zimmer

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wat betekent dit woord?

Antwoord tonenWas bedeutet dieses Wort?

Het betekent een kleine kamer.

Antwoord tonenEs bedeutet ein kleines Zimmer.

Kun je het langzaam uitspreken?

Antwoord tonenKannst du es langsam aussprechen?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

deel

Antwoord tonenTeile

voorbeeld

Antwoord tonenBeispiel

uitspreken

Antwoord tonenaussprechen

woord

Antwoord tonenWort