Oefenen met uitspraak | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, two adults use audio to slow down a sentence and practice clearer pronunciation..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Oefenen met uitspraak oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Kann ich das Audio anhören?

kan iesj das au-die-oo aan-heu-ren? Kan ik naar de audio luisteren?
B

Hören wir zusammen zu.

heu-ren vier tsoe-zam-men tsoe. Laten we samen luisteren.
A

Es ist zu schnell für mich.

es ist tsoe shnel fuur miesj. Het gaat te snel voor mij.
B

Ich mache es langsamer.

iesj ma-che es lang-zaa-mer. Ik speel het langzamer af.
A

Wie spreche ich diesen Satz aus?

wie shpre-che iesj die-zen zats auws? Hoe spreek ik deze zin uit?
B

Hör einmal zu und sprich dann nach.

heur aain-maal tsoe oent shpriesj dan naach. Luister één keer en zeg het daarna na.
A

Lass mich es noch einmal versuchen.

las miesj es nog aain-maal fer-tsoe-chen. Laat me het nog een keer proberen.
B

Das klingt jetzt klarer.

das klinkt yets klaar-er. Dat klinkt nu duidelijker.

Woord voor woord

Kann ‘Kann’ betekent hier ‘kan’ en wordt gebruikt om toestemming te vragen in ‘Kann ich das Audio anhören?’. Het is de vorm van ‘können’ bij ‘ich’. Een bruikbaar patroon is ‘Kann ich …?’, bijvoorbeeld wanneer je in de les iets wilt vragen.
ich ‘ich’ betekent ‘ik’ en is in ‘Kann ich das Audio anhören?’ de persoon die de vraag stelt. Hetzelfde woord verschijnt als ‘Ich’ aan het begin van ‘Ich mache es langsamer.’ De hoofdletter komt daar door de zinspositie; gebruik ‘ich’ als onderwerp wanneer je over jezelf spreekt.
das In ‘das Audio’ is ‘das’ het bepaalde lidwoord bij de specifieke audio-opname. In ‘Das klingt jetzt klarer.’ is ‘Das’ een aanwijzend voornaamwoord dat naar het afgespeelde materiaal of de uitspraak verwijst. Gebruik ‘das’ dus volgens de functie in de hele zin, bijvoorbeeld in ‘das Audio’ of ‘Das klingt …’.
Audio ‘Audio’ verwijst hier naar de audio-opname waarnaar de leerling wil luisteren. In ‘das Audio anhören’ staat het als het object van ‘anhören’. Je gebruikt het in een les of gesprek wanneer je naar een opgenomen geluidsfragment verwijst.
anhören ‘anhören’ betekent hier aandachtig naar een audio-opname luisteren, in de uitdrukking ‘das Audio anhören’. Het werkwoord krijgt in deze zin het object ‘das Audio’. Gebruik ‘Kann ich … anhören?’ wanneer je toestemming wilt vragen om iets te beluisteren.
Hören ‘Hören’ betekent hier ‘luisteren’ en vormt samen met ‘zu’ de aansporing ‘Hören wir zusammen zu.’, oftewel ‘laten we samen luisteren’. De vorm hoort bij het werkwoord ‘hören’. Gebruik ‘Hören wir …’ om samen een activiteit voor te stellen.
wir ‘wir’ betekent ‘wij’ en geeft in ‘Hören wir zusammen zu.’ aan dat de spreker en de andere persoon samen luisteren. Het staat hier bij een voorstel voor een gezamenlijke handeling. Gebruik ‘wir’ als jij en minstens één andere persoon samen iets doen.
zusammen ‘zusammen’ betekent ‘samen’ en maakt duidelijk dat beide personen gezamenlijk luisteren in ‘Hören wir zusammen zu.’. Het beschrijft hier de manier waarop de handeling gebeurt. Een bruikbaar patroon is ‘zusammen’ bij een activiteit die je met iemand anders uitvoert.
zu ‘zu’ is hier de werkwoordspartikel in ‘Hören wir zusammen zu.’; samen met ‘Hören’ betekent de uitdrukking dat jullie luisteren. De partikel staat in deze zin achteraan. Let bij deze uitdrukking dus op het volledige werkwoord met ‘zu’, niet op ‘zu’ afzonderlijk.
Es ‘Es’ betekent hier ‘het’ of ‘het is’ en verwijst naar de audio of de zin waarover net gesproken wordt in ‘Es ist zu schnell für mich.’. Het staat als onderwerp van de beoordeling. Gebruik ‘Es ist …’ om iets als te snel, te moeilijk of anderszins te beoordelen.
ist ‘ist’ betekent hier ‘is’ en verbindt het onderwerp ‘Es’ met de beschrijving ‘zu schnell’. Het is de vorm van ‘sein’ die in ‘Es ist zu schnell für mich.’ wordt gebruikt. Gebruik ‘Es ist …’ om een eigenschap of beoordeling uit te drukken.
schnell ‘schnell’ betekent ‘snel’; in ‘zu schnell’ geeft het aan dat de audio sneller gaat dan voor de leerling prettig is. Het woord staat hier na ‘zu’ in de betekenis ‘te’. Gebruik het patroon ‘zu schnell’ wanneer iets een ongeschikt hoog tempo heeft.
für ‘für’ betekent hier ‘voor’ en geeft in ‘zu schnell für mich’ aan voor wie het tempo te hoog is. Het wordt gevolgd door de persoon die de beoordeling betreft. Gebruik ‘für’ om aan te geven voor wie iets geschikt, moeilijk of te snel is.
mich ‘mich’ betekent hier ‘mij’ in ‘für mich’ en verwijst naar de leerling die het tempo beoordeelt. De vorm ‘mich’ hoort bij het persoonlijk voornaamwoord ‘ich’ en staat hier na ‘für’. Gebruik ‘für mich’ om een persoonlijke mening of ervaring aan te geven.
mache ‘mache’ betekent hier ‘maak’ in ‘Ich mache es langsamer.’; de spreker zorgt ervoor dat het afspelen langzamer wordt. Het is de vorm van ‘machen’ bij ‘ich’. Gebruik ‘Ich mache es …’ wanneer je zegt dat jij iets op een bepaalde manier verandert.
langsamer ‘langsamer’ betekent ‘langzamer’ en beschrijft in ‘Ich mache es langsamer.’ het nieuwe tempo van de audio. De vorm is de vergrotende trap van ‘langsam’. Een bruikbaar patroon uit de dialoog is ‘Ich mache es langsamer’ wanneer je iets op een lager tempo zet.
Wie ‘Wie’ betekent hier ‘hoe’ en opent de vraag ‘Wie spreche ich diesen Satz aus?’. Het vraagt naar de manier waarop een zin uitgesproken moet worden. Gebruik ‘Wie …?’ om naar een manier of werkwijze te vragen.
spreche ‘spreche … aus’ betekent hier ‘spreek uit’ of ‘spreek uit hoe het klinkt’, in de vraag ‘Wie spreche ich diesen Satz aus?’. ‘spreche’ is de vorm van ‘sprechen’ bij ‘ich’; de partikel ‘aus’ hoort bij de volledige uitdrukking. Gebruik ‘Wie spreche ich … aus?’ om naar de uitspraak van een woord of zin te vragen.
diesen ‘diesen’ betekent hier ‘deze’ en verwijst in ‘diesen Satz’ naar de zin die op dat moment geoefend wordt. De vorm hoort bij het aanwijzende woord ‘dieser’ en staat vóór ‘Satz’. Gebruik een combinatie met ‘diesen’ wanneer je naar een specifieke mannelijke zaak of tekst verwijst.
Satz ‘Satz’ betekent hier ‘zin’, dus een volledige taaleenheid die de leerling wil uitspreken. In ‘diesen Satz’ verwijst het naar de concrete zin uit de oefening. Gebruik ‘Satz’ wanneer je in een taalles naar een gesproken of geschreven zin verwijst.
aus ‘aus’ is hier de werkwoordspartikel in ‘spreche ich diesen Satz aus.’; samen met ‘spreche’ betekent de uitdrukking ‘uitspreken’. De betekenis komt dus uit de volledige werkwoorduitdrukking. Gebruik ‘… aussprechen’ of de zinsvorm ‘Wie spreche ich … aus?’ wanneer je naar uitspraak vraagt.
Hör ‘Hör’ is hier een directe aansporing aan één persoon om te luisteren, samen met ‘zu’ in ‘Hör einmal zu’. Het is de gebiedende vorm van ‘zuhören’. Gebruik ‘Hör … zu’ wanneer je iemand vraagt aandachtig naar een voorbeeld of uitleg te luisteren.
einmal ‘einmal’ betekent hier ‘één keer’ in ‘Hör einmal zu.’. Het geeft aan dat de leerling eerst één luisterbeurt krijgt voordat die moet herhalen. Gebruik ‘einmal’ bij een handeling die precies één keer gebeurt.
und ‘und’ betekent ‘en’ en verbindt in ‘Hör einmal zu und sprich dann nach.’ twee opeenvolgende opdrachten. Het maakt van luisteren en nazeggen één instructie. Gebruik ‘und’ om twee handelingen of aanwijzingen met elkaar te verbinden.
sprich ‘sprich … nach’ betekent hier ‘zeg het na’ of ‘herhaal het’, in de instructie ‘sprich dann nach’. ‘sprich’ is de gebiedende vorm van ‘sprechen’; ‘nach’ hoort bij de volledige uitdrukking. Gebruik ‘Sprich … nach’ wanneer een leerling een voorbeeld hardop moet herhalen.
dann ‘dann’ betekent hier ‘daarna’ of ‘dan’ en ordent de instructies in ‘Hör einmal zu und sprich dann nach.’. Eerst wordt er geluisterd, daarna herhaald. Gebruik ‘dann’ om de volgende stap in een reeks aan te geven.
nach ‘nach’ is hier de werkwoordspartikel in ‘sprich dann nach.’; samen met ‘sprich’ betekent de uitdrukking dat je herhaalt wat je hebt gehoord. De partikel staat achteraan in de opdracht. Gebruik de volledige uitdrukking wanneer iemand een voorbeeld moet nazeggen.
Lass ‘Lass’ betekent hier ‘laat’ in ‘Lass mich es noch einmal versuchen.’ en wordt gebruikt om te vragen of de spreker iets mag proberen. Het is de gebiedende vorm van ‘lassen’. Gebruik het patroon ‘Lass mich …’ wanneer je iemand vraagt je iets te laten doen.
noch ‘noch’ betekent hier samen met ‘einmal’ ‘nog een keer’ in ‘noch einmal versuchen’. Het laat zien dat de spreker opnieuw wil proberen. Gebruik de vaste combinatie ‘noch einmal’ wanneer je om een extra poging of herhaling spreekt.
versuchen ‘versuchen’ betekent hier ‘proberen’ in ‘Lass mich es noch einmal versuchen.’. Het staat na ‘Lass mich’ en benoemt de handeling die de spreker opnieuw wil uitvoeren. Gebruik ‘etwas versuchen’ wanneer je zegt dat je iets probeert te doen.
klingt ‘klingt’ betekent hier ‘klinkt’ in ‘Das klingt jetzt klarer.’ en beschrijft hoe de uitspraak voor de luisteraar overkomt. Het is de vorm van ‘klingen’ bij ‘Das’. Gebruik ‘Das klingt …’ om feedback te geven op geluid, uitspraak of de manier waarop iets overkomt.
jetzt ‘jetzt’ betekent ‘nu’ en verwijst in ‘Das klingt jetzt klarer.’ naar het resultaat van de nieuwe poging. Het markeert de huidige situatie tegenover eerder. Gebruik ‘jetzt’ wanneer je wilt aangeven hoe iets op dit moment is.
klarer ‘klarer’ betekent ‘duidelijker’ en geeft in ‘Das klingt jetzt klarer.’ positieve feedback op de uitspraak na het oefenen. De vorm is de vergrotende trap van ‘klar’. Gebruik ‘klingt … klarer’ wanneer een nieuwe poging begrijpelijker of beter hoorbaar overkomt.

Grammatica

Trennbare Verben: Verb + Präfix

Sprich den Satz einmal nach.

shpriesj deen zats aain-maal naach.

Zeg de zin één keer na.

Bij scheidbare werkwoorden staat het voorvoegsel aan het einde van de zin: sprich ... nach.

Duits woordenschat

anhören werkwoord
aan-heu-ren beluisteren

das Audio anhören

Audio zelfstandig naamwoord
au-die-oo audio
aussprechen werkwoord
auws-shpre-chen uitspreken spreche ... aus
das bepaler
das het
für voorzetsel
fuur voor
langsam bijwoord
lang-zaam langzaam langsamer
machen werkwoord
ma-che maken mache
mich voornaamwoord
miesj mij
schnell bijvoeglijk naamwoord
shnel snel
zu bijwoord
tsoe te

zu schnell

zuhören werkwoord
tsoe-heu-ren luisteren Hören ... zu
zusammen bijwoord
tsoe-zam-men samen

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Kan ik naar de audio luisteren?

Antwoord tonenKann ich das Audio anhören?

Laten we samen luisteren.

Antwoord tonenHören wir zusammen zu.

Het gaat te snel voor mij.

Antwoord tonenEs ist zu schnell für mich.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

mij

Antwoord tonenmich

beluisteren

Antwoord tonenanhören

samen

Antwoord tonenzusammen

snel

Antwoord tonenschnell