Oefenen met uitspraak | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, two adults use audio to slow down a sentence and practice clearer pronunciation..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Oefenen met uitspraak oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Kann ich das Audio anhören?

kan iesj das au-die-oo aan-heu-ren? Kan ik naar de audio luisteren?
B

Hören wir zusammen zu.

heu-ren vier tsoe-zam-men tsoe. Laten we samen luisteren.
A

Es ist zu schnell für mich.

es ist tsoe shnel fuur miesj. Het gaat te snel voor mij.
B

Ich mache es langsamer.

iesj ma-che es lang-zaa-mer. Ik speel het langzamer af.
A

Wie spreche ich diesen Satz aus?

wie shpre-che iesj die-zen zats auws? Hoe spreek ik deze zin uit?
B

Hör einmal zu und sprich dann nach.

heur aain-maal tsoe oent shpriesj dan naach. Luister één keer en zeg het daarna na.
A

Lass mich es noch einmal versuchen.

las miesj es nog aain-maal fer-tsoe-chen. Laat me het nog een keer proberen.
B

Das klingt jetzt klarer.

das klinkt yets klaar-er. Dat klinkt nu duidelijker.

Uitleg van de zinnen

  1. Kann ich das Audio anhören?

    Kan ik naar de audio luisteren?

    Kann ich
    kan ik ...?
    das
    het (bepaald lidwoord bij een onzijdig woord)
    Audio
    audio
    anhören
    beluisteren
    Uitgebreide uitleg

    Kann ich vormt hier de vraag “kan ik …?” of, afhankelijk van de situatie, “mag ik …?”. kann is de vorm van können bij ich. In een Duitse ja-neevraag staat het vervoegde werkwoord vooraan: Kann ich kommen? = “Kan ik komen?” das is het bepaalde lidwoord bij het onzijdige zelfstandig naamwoord Audio. Bij onzijdige woorden ziet het lidwoord er in de nominatief en accusatief hetzelfde uit: das Audio. Hier is Audio het lijdend voorwerp van anhören. Audio betekent hier een audio-opname of geluidsfragment. Duitse zelfstandige naamwoorden krijgen een hoofdletter. Voorbeeld: Das Audio ist kurz. = “De audio is kort.” anhören betekent “iets beluisteren” of “naar iets luisteren”. Het is een scheidbaar werkwoord. In een gewone hoofdzin verschijnt het als höre ... an: Ich höre das Audio an. = “Ik beluister de audio.” Na het modale werkwoord kann blijft het als infinitief bij elkaar aan het einde: Kann ich das Audio anhören? Samen betekent de zin: “Kan ik naar de audio luisteren?” De spreker vraagt naar de mogelijkheid of toestemming om de audio te beluisteren. De formulering is alledaags; of het vooral om mogelijkheid of toestemming gaat, hangt van de situatie af.

  2. Hören wir zusammen zu.

    Laten we samen luisteren.

    Hören … zu
    luisteren
    zusammen
    samen
    Uitgebreide uitleg

    Hören … zu hoort bij het werkwoord zuhören: luisteren naar iets of iemand. Dit is hier de vorm voor een voorstel aan de eerste persoon meervoud: Hören wir ... zu betekent “laten we ... luisteren”. zuhören is een scheidbaar werkwoord; in deze zinsvorm staat hören vooraan en komt het voorvoegsel zu aan het einde. In een gewone mededelende zin zie je bijvoorbeeld: Wir hören aufmerksam zu. — “Wij luisteren aandachtig.” zusammen betekent hier “samen” en geeft aan dat de handeling gezamenlijk gebeurt. Het verandert niet mee met persoon of getal. Voorbeeld: Wir lernen zusammen. — “Wij leren samen.” De onderdelen worden dus Hören wir (“laten we luisteren”), zusammen (“samen”) en het afsluitende zu van zuhören. Samen vormen ze: “Laten we samen luisteren.”

  3. Es ist zu schnell für mich.

    Het gaat te snel voor mij.

    Es
    het
    ist
    is
    zu
    te
    schnell
    snel
    für
    voor
    mich
    mij
    Uitgebreide uitleg

    Es is hier een onpersoonlijk onderwerp in de vaste uitdrukking Es ist ...; de zin noemt niet waarnaar es zelfstandig verwijst. In het Nederlands wordt dit in deze betekenis natuurlijk weergegeven als “het gaat ...”. Een bruikbaar vergelijkingsvoorbeeld is: Es ist kalt. — “Het is koud.” ist is de tegenwoordige tijd, derde persoon enkelvoud, van sein (“zijn”). De vorm hoort hier bij het onderwerp es. De basisreeks is sein — ist — war (“zijn” — “is” — “was”); war is de verleden tijd. zu betekent hier “te” en maakt van schnell de beoordeling “te snel”: volgens de spreker is de snelheid hoger dan passend. Dit is een andere functie dan bijvoorbeeld zu Hause (“thuis”), waar zu geen “te” betekent. schnell betekent hier “snel” en beschrijft de snelheid. In zu schnell wordt het bijvoeglijke woord predicatief of adverbiaal gebruikt, zonder verbuiging en zonder zelfstandig naamwoord erachter. De vergelijkingsreeks is schnell — schneller — am schnellsten (“snel” — “sneller” — “het snelst”). Voorbeeld: Das Auto ist schneller. — “De auto is sneller.” für betekent “voor” en leidt hier de persoon in bij wie de snelheid te hoog is. Na für staat in het Duits de accusatief. Voorbeeld: Das ist für mich. — “Dat is voor mij.” mich is de accusatiefvorm van het persoonlijke voornaamwoord ich (“ik”). De vorm ich gebruik je als onderwerp, maar na für is de vorm mich nodig: für mich betekent “voor mij”. Samen vormen Es ist zu schnell für mich de betekenis: “Het gaat te snel voor mij.” Het patroon Es ist zu + bijvoeglijk woord + für mich kan opnieuw gebruikt worden om aan te geven dat iets voor deze spreker een te hoge graad heeft, bijvoorbeeld Es ist zu schwierig für mich. — “Het is te moeilijk voor mij.”

  4. Ich mache es langsamer.

    Ik speel het langzamer af.

    Ich
    ik
    mache
    maak / doe
    es
    het
    langsamer
    langzamer
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik” en is de vorm voor de spreker als onderwerp. Het staat in de eerste naamval (nominatief), de naamval voor degene die de handeling uitvoert. Een bruikbaar contrast is du = “jij” en ich = “ik”. mache is de vorm van machen (“doen” of “maken”) bij ich in de tegenwoordige tijd: ich mache. In deze zin krijgt machen samen met es en langsamer de betekenis “het langzamer maken”; volgens de vaste vertaling gaat het om iets langzamer afspelen. Het onderwerp bepaalt hier de werkwoordsvorm: ich mache, maar bijvoorbeeld wir machen. es betekent hier “het” en is het lijdend voorwerp van mache: datgene wat langzamer wordt gemaakt of afgespeeld. De vorm es verandert in deze zin niet zichtbaar tussen onderwerp en lijdend voorwerp; zijn rol blijkt hier uit de zinsbouw en de betekenis. langsamer betekent “langzamer” en is de vergrotende trap van langsam (“langzaam”): langsam → langsamer → am langsamsten. De uitgang -er vergelijkt met een eerdere of mogelijke snelheid; het zegt niet dat iets absoluut langzaam is. Voorbeeld: Bitte sprich langsamer. — “Spreek alsjeblieft langzamer.” Samen vormen de delen Ich mache es langsamer de structuur “Ik maak het langzamer”. In de gegeven vertaling wordt die handeling specifiek opgevat als “Ik speel het langzamer af.”

  5. Wie spreche ich diesen Satz aus?

    Hoe spreek ik deze zin uit?

    Wie
    hoe
    spreche … aus
    uitspreken
    diesen
    deze
    Satz
    zin
    Uitgebreide uitleg

    Wie betekent hier “hoe” en vraagt naar de manier waarop iets gebeurt. Het is het vraagwoord voor een manier of wijze. Voorbeeld: Wie heißt du? — “Hoe heet je?” spreche ... aus hoort bij het werkwoord aussprechen, “uitspreken”. Dit is een scheidbaar werkwoord: in een gewone hoofdzin staat spreche op de tweede positie en komt het voorvoegsel aus aan het einde. spreche is de ik-vorm in de tegenwoordige tijd; de infinitief is aussprechen. Voorbeeld: Ich spreche das Wort aus. — “Ik spreek het woord uit.” diesen betekent hier “deze” en staat bij een mannelijk zelfstandig naamwoord in de vierde naamval. De vorm verandert dus volgens het geslacht en de naamval van het bijbehorende woord: dieser Satz (onderwerp) maar diesen Satz (lijdend voorwerp). Het aanwijzende woord zelf is hier diesen; het draagt niet de betekenis van het zelfstandig naamwoord. Satz betekent hier “zin”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Satz. In de vaste uitdrukking diesen Satz aussprechen is Satz het lijdend voorwerp van aussprechen, waardoor der de vorm diesen krijgt. Samen vormen de delen de vraag: Wie vraagt naar de manier, spreche ... aus betekent “spreek uit”, en diesen Satz betekent “deze zin”. De volledige betekenis is: “Hoe spreek ik deze zin uit?” De volgorde is typisch voor een Duitse vraag met een vraagwoord: vraagwoord + werkwoord + onderwerp + lijdend voorwerp, terwijl het scheidbare deel aus achteraan staat.

  6. Hör einmal zu und sprich dann nach.

    Luister één keer en zeg het daarna na.

    Hör … zu
    luister
    einmal
    één keer
    sprich … nach
    zeg na
    dann
    daarna
    Uitgebreide uitleg

    Hör ... zu betekent hier: luister. Dit is de informele enkelvoudige gebiedende wijs van zuhören — aandachtig luisteren naar iets of iemand. Het werkwoord is scheidbaar: in een hoofdzin staat zu achteraan, zoals in Hör gut zu! — Luister goed! einmal betekent hier één keer. Het geeft aan dat de luisterhandeling één keer plaatsvindt; het betekent hier niet op zichzelf dat er iets wordt herhaald. Voor een herhaalde handeling gebruik je bijvoorbeeld noch einmal: Sag es noch einmal. — Zeg het nog een keer. sprich ... nach betekent hier: zeg of spreek het na. Sprich is de informele enkelvoudige gebiedende wijs van sprechen (spreken). nachsprechen is scheidbaar: nach staat in deze hoofdzin achteraan. Het patroon is dus Sprich ... nach! — Spreek ... na! In Sprich den Satz nach! betekent den Satz wat nagezegd moet worden. dann betekent daarna of dan. Het geeft aan dat de tweede handeling na de eerste komt. Een herbruikbaar patroon is Hör zuerst zu, dann sprich nach. — Luister eerst en spreek het daarna na. Samen vormen de delen een informele instructie aan één persoon: luister één keer en spreek het daarna na. De scheidbare werkwoorden staan in de gebiedende wijs met hun prefixen (zu en nach) achteraan in hun eigen deel van de zin.

  7. Lass mich es noch einmal versuchen.

    Laat me het nog een keer proberen.

    Lass mich
    laat me
    es
    het
    noch einmal
    nog een keer
    versuchen
    proberen
    Uitgebreide uitleg

    Lass mich betekent hier “laat me”: Lass is de gebiedende wijs van lassen (“laten”) voor één aangesproken persoon. mich is de accusatiefvorm van ich (“ik”) en is het object van lassen. In de constructie Lass mich + infinitief vraagt de spreker toestemming of ruimte om iets zelf te doen, bijvoorbeeld: Lass mich nachdenken. — “Laat me nadenken.” es betekent hier “het”. Het is een onzijdig voornaamwoord in de accusatief. De vorm es is in deze functie gelijk aan de nominatiefvorm es; de vorm verandert dus niet tussen nominatief en accusatief. Het vaste materiaal identificeert niet welk concreet ding of welke activiteit met es wordt bedoeld, dus dat blijft hier ongespecificeerd. noch einmal betekent “nog een keer” of “opnieuw”. noch voegt het idee van “nog” toe en einmal betekent in deze combinatie “een keer”; samen vormen ze een gebruikelijke uitdrukking voor herhaling. Bijvoorbeeld: Sag es noch einmal. — “Zeg het nog een keer.” versuchen betekent “proberen”. Dit is de infinitief, de basisvorm. Na lassen staat het andere werkwoord in de infinitief: Lass mich es versuchen — “Laat me het proberen.” versuchen kan ook zelfstandig worden gebruikt, bijvoorbeeld: Ich versuche es. — “Ik probeer het.” Samen bestaat de zin uit Lass mich + es + noch einmal + versuchen: “Laat me het nog een keer proberen.” De spreker vraagt om de gelegenheid om iets opnieuw te proberen. noch einmal geeft aan dat de poging wordt herhaald, en versuchen blijft als infinitief aan het einde van de zin staan.

  8. Das klingt jetzt klarer.

    Dat klinkt nu duidelijker.

    Das
    Dat
    klingt
    klinkt
    jetzt
    nu
    klarer
    duidelijker
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dat” en staat als onderwerp van de zin. Het is een aanwijzend voornaamwoord in de vorm voor nominatief onzijdig enkelvoud; deze zin benoemt niet waarnaar het precies verwijst. Als lidwoord staat das vóór een zelfstandig naamwoord, maar hier staat het zelfstandig als voornaamwoord. klingt komt van klingen en is de vorm voor de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd. Hier betekent het “klinkt”: iets komt op een bepaalde manier over wanneer je het hoort. Voorbeeld: Das klingt gut. — “Dat klinkt goed.” jetzt betekent “nu” en plaatst de beoordeling in het huidige moment. Voorbeeld: Jetzt klingt es besser. — “Nu klinkt het beter.” klarer is de vergrotende trap van klar: klar — klarer — am klarsten. Hier betekent het “duidelijker”. Als predicatief bijvoeglijk naamwoord na klingen krijgt klarer geen naamvals- of geslachtsuitgang; de vorm is hier dus niet een verbogen vorm die door Das wordt bepaald. De vergrotende trap vergelijkt de huidige indruk met een eerdere of andere indruk. Samen vormen de delen Das klingt jetzt klarer: “Dat klinkt nu duidelijker.” Das is het onderwerp, klingt zegt hoe iets overkomt, jetzt geeft het moment aan en klarer vergelijkt de huidige duidelijkheid met een eerdere of andere indruk. De zin is een neutrale manier om te zeggen dat iets op dit moment duidelijker overkomt.

Grammatica

Trennbare Verben: Verb + Präfix

Sprich den Satz einmal nach.

shpriesj deen zats aain-maal naach.

Zeg de zin één keer na.

Bij scheidbare werkwoorden staat het voorvoegsel aan het einde van de zin: sprich ... nach.

Duits woordenschat

anhören werkwoord
aan-heu-ren beluisteren

das Audio anhören

Audio zelfstandig naamwoord
au-die-oo audio
aussprechen werkwoord
auws-shpre-chen uitspreken spreche ... aus
das bepaler
das het
für voorzetsel
fuur voor
langsam bijwoord
lang-zaam langzaam langsamer
machen werkwoord
ma-che maken mache
mich voornaamwoord
miesj mij
schnell bijvoeglijk naamwoord
shnel snel
zu bijwoord
tsoe te

zu schnell

zuhören werkwoord
tsoe-heu-ren luisteren Hören ... zu
zusammen bijwoord
tsoe-zam-men samen

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Kan ik naar de audio luisteren?

Antwoord tonenKann ich das Audio anhören?

Laten we samen luisteren.

Antwoord tonenHören wir zusammen zu.

Het gaat te snel voor mij.

Antwoord tonenEs ist zu schnell für mich.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

mij

Antwoord tonenmich

beluisteren

Antwoord tonenanhören

samen

Antwoord tonenzusammen

snel

Antwoord tonenschnell