Huiswerk maken | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, one adult asks what homework to complete and when to bring the answers back..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Huiswerk maken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Was soll ich als Hausaufgabe machen?

vas zol isj als hausaufgaabuh makhen? Wat moet ik voor huiswerk doen?
B

Mach zuerst diese Übung.

makh tsoo-eerst dee-zuh uu-bung. Maak eerst deze oefening.
A

Welche Seite soll ich benutzen?

velkhuh zai-tuh zol isj beh-nootsen? Welke pagina moet ik gebruiken?
B

Benutze die Seite mit den kurzen Fragen.

beh-nootsuh dee zai-tuh mit deen koortsen fraa-gen. Gebruik de pagina met de korte vragen.
A

Wann soll ich die Übung fertig machen?

van zol isj dee uu-bung fertikh makhen? Wanneer moet ik de oefening afmaken?
B

Mach die Übung vor dem Unterricht fertig.

makh dee uu-bung fohr dehm oonter-rikht fertikh. Maak de oefening vóór de les af.
A

Kannst du später meine Antworten ansehen?

kanst doo shpää-ter mai-nuh ant-vor-ten aan-zää-en? Kun je later naar mijn antwoorden kijken?
B

Bring sie mir, wenn du fertig bist.

bring zee meer, ven doo fertikh bist. Breng ze naar me toe als je klaar bent.

Woord voor woord

Was “Was” vraagt hier welke taak de spreker voor het huiswerk moet doen. In een klas kun je met “Was soll ich ... machen?” aan een docent vragen wat je moet uitvoeren.
soll “soll” drukt hier uit wat de spreker volgens de opdracht moet doen. De vorm hoort bij “ich” in “Was soll ich als Hausaufgabe machen?” en is bruikbaar wanneer je naar een verwachte taak vraagt.
ich “ich” verwijst in “Was soll ich als Hausaufgabe machen?” naar de spreker zelf. Je gebruikt deze vorm wanneer je in een vraag over je eigen taak of handeling spreekt.
als “als” betekent hier “als” of “in de rol van” en geeft aan dat iets de huiswerkopdracht is. De vaste combinatie “als Hausaufgabe” is bruikbaar wanneer je een activiteit als huiswerk benoemt.
Hausaufgabe “Hausaufgabe” betekent hier huiswerk, namelijk de taak die de leerling moet maken. In “als Hausaufgabe” staat het woord om het soort opdracht aan te geven; een leerling gebruikt dit bijvoorbeeld bij het navragen van een opdracht.
machen “machen” betekent hier doen of maken in “Was soll ich als Hausaufgabe machen?”. Na “soll ich” staat deze vorm voor de handeling die de spreker moet uitvoeren, bijvoorbeeld bij het vragen naar een huiswerktaak.
Mach “Mach” is hier een directe opdracht om iets te doen of te maken. In “Mach zuerst diese Übung” geeft een docent een eerste werkinstructie aan een leerling.
zuerst “zuerst” betekent hier eerst en geeft de volgorde van de opdrachten aan. In “Mach zuerst diese Übung” staat het bij een instructie die zegt waarmee de leerling moet beginnen.
diese “diese” betekent hier deze en wijst naar een specifieke oefening die in de situatie bedoeld is. De combinatie “diese Übung” is bruikbaar wanneer je één concrete oefening aanwijst.
Übung “Übung” betekent hier oefening, de taak die de leerling moet maken. In “diese Übung” verwijst het naar een concrete opdracht in de les; dit woord gebruik je bijvoorbeeld bij schoolse oefentaken.
Welche “Welche” vraagt hier om een keuze uit pagina’s: welke pagina moet de leerling gebruiken? Met “Welche Seite soll ich ...?” kun je in een klas naar het juiste materiaal vragen.
Seite “Seite” betekent hier pagina, namelijk de pagina die voor de opdracht nodig is. In “Welche Seite” staat het na het vraagwoord wanneer je naar een specifieke pagina vraagt.
benutzen “benutzen” betekent hier gebruiken in “Welche Seite soll ich benutzen?”. Na “soll ich” benoemt deze vorm wat de leerling met de gekozen pagina moet doen; je gebruikt het met een voorwerp zoals een pagina.
Benutze “Benutze” is hier een directe opdracht om iets te gebruiken. In “Benutze die Seite mit den kurzen Fragen” vertelt een docent welke pagina de leerling moet nemen.
die “die” betekent hier de in “die Seite” en verwijst naar een bepaalde pagina. De combinatie “die Seite mit den kurzen Fragen” is bruikbaar wanneer je een specifiek document aanwijst.
mit “mit” betekent hier met en verbindt de pagina met de vragen die erop staan of erbij horen. In “mit den kurzen Fragen” gebruik je het om de inhoud of het kenmerk van een pagina nader te beschrijven.
den “den” betekent hier de in “den kurzen Fragen” en hoort bij de bedoelde vragen. De combinatie “mit den kurzen Fragen” is bruikbaar om te zeggen welke vragen bij een materiaal horen.
kurzen “kurzen” betekent hier korte en beschrijft de vragen in “den kurzen Fragen”. Je gebruikt zo’n bijvoeglijke vorm vóór een zelfstandig naamwoord om het kenmerk ervan aan te geven, bijvoorbeeld wanneer je bepaalde vragen onderscheidt.
Fragen “Fragen” betekent hier vragen, namelijk de korte vragen op de bedoelde pagina. In “den kurzen Fragen” verwijst het naar meerdere vragen; een leerling gebruikt dit woord bijvoorbeeld bij het bespreken van een oefenpagina.
Wann “Wann” vraagt hier naar het tijdstip waarop de oefening af moet zijn. Met “Wann soll ich ...?” kun je een docent naar een deadline vragen.
fertig “fertig” geeft hier aan dat de oefening voltooid is in “die Übung fertig machen”. Het komt ook terug in “wenn du fertig bist”, en is bruikbaar wanneer je zegt dat een taak klaar is.
vor “vor” betekent hier vóór en geeft aan dat de oefening klaar moet zijn voordat de les begint. De combinatie “vor dem Unterricht” is bruikbaar om een deadline vóór een les of andere gebeurtenis te noemen.
dem “dem” betekent hier de in “vor dem Unterricht” en hoort bij het bedoelde moment of evenement. Samen met “vor” vormt het de combinatie “vor dem Unterricht”, die je gebruikt voor een deadline vóór een les.
Unterricht “Unterricht” betekent hier les of onderwijs, het moment waarvoor de oefening af moet zijn. In “vor dem Unterricht” benoemt het de les als tijdsgrens; dit gebruik past bij afspraken in een klas.
Kannst “Kannst” drukt hier uit of iemand iets kan doen en maakt deel uit van het verzoek “Kannst du später meine Antworten ansehen?”. Je gebruikt deze vorm wanneer je iemand vraagt of die persoon later een taak kan uitvoeren.
du “du” verwijst in “Kannst du später meine Antworten ansehen?” naar de persoon die wordt aangesproken. In deze klas gebruikt de leerling het om de docent rechtstreeks te vragen iets te bekijken.
später “später” betekent hier later, dus niet nu maar op een moment na het huidige moment. In “Kannst du später ... ansehen?” bepaalt het wanneer de gevraagde handeling kan plaatsvinden.
meine “meine” betekent hier mijn en geeft aan dat de antwoorden van de spreker zijn. In “meine Antworten” staat het vóór het zelfstandig naamwoord; je gebruikt het om eigen werk of materiaal aan te wijzen.
Antworten “Antworten” betekent hier antwoorden, namelijk de antwoorden die de leerling heeft gegeven. In “meine Antworten ansehen” verwijst het naar het werk dat de docent later kan controleren.
ansehen “ansehen” betekent hier bekijken of nakijken in “meine Antworten ansehen”. In deze vraag staat het als de handeling na “Kannst du”; je kunt het gebruiken met een object dat iemand wil bekijken of controleren.
Bring “Bring” is hier een directe opdracht om iets naar de spreker toe te brengen. In “Bring sie mir” geeft een docent aan wat de leerling met de antwoorden moet doen nadat de oefening klaar is.
sie “sie” betekent hier ze of hen en verwijst in “Bring sie mir” naar “die Antworten”. Je gebruikt deze vorm om eerder genoemde meervoudige zaken niet opnieuw te herhalen.
mir “mir” betekent hier aan mij en geeft aan wie de antwoorden moet ontvangen. In “Bring sie mir” staat het bij de opdracht om iets naar de spreker toe te brengen.
wenn “wenn” betekent hier wanneer of zodra en leidt de voorwaarde in “wenn du fertig bist” in. Je gebruikt deze constructie om te zeggen dat een handeling plaatsvindt nadat een bepaalde toestand is bereikt.
bist “bist” betekent hier bent in “wenn du fertig bist” en beschrijft dat de aangesprokene klaar is. De vorm hoort bij “du” en is bruikbaar om te zeggen dat iemand een bepaalde toestand heeft bereikt.

Grammatica

als Hausaufgabe

als Hausaufgabe

als hausaufgaabuh

als huiswerk

Deze vaste uitdrukking gebruikt als om aan te geven in welke functie of context iets gebeurt.

Duits woordenschat

als Hausaufgabe uitdrukking
als hausaufgaabuh als huiswerk
benutzen werkwoord
beh-nootsen gebruiken Benutze
diese bepaler
dee-zuh deze
Hausaufgabe zelfstandig naamwoord
hausaufgaabuh huiswerkopdracht
kurz bijvoeglijk naamwoord
koorts kort kurzen
machen werkwoord
makhen doen, maken
mit voorzetsel
mit met
Seite zelfstandig naamwoord
zai-tuh pagina
Übung zelfstandig naamwoord
uu-bung oefening
was voornaamwoord
vas wat
welche bepaler
velkhuh welke
zuerst bijwoord
tsoo-eerst eerst

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wat moet ik voor huiswerk doen?

Antwoord tonenWas soll ich als Hausaufgabe machen?

Maak eerst deze oefening.

Antwoord tonenMach zuerst diese Übung.

Welke pagina moet ik gebruiken?

Antwoord tonenWelche Seite soll ich benutzen?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

pagina

Antwoord tonenSeite

doen, maken

Antwoord tonenmachen

deze

Antwoord tonendiese

welke

Antwoord tonenwelche