Was
“Was” vraagt hier welke taak de spreker voor het huiswerk moet doen. In een klas kun je met “Was soll ich ... machen?” aan een docent vragen wat je moet uitvoeren.
soll
“soll” drukt hier uit wat de spreker volgens de opdracht moet doen. De vorm hoort bij “ich” in “Was soll ich als Hausaufgabe machen?” en is bruikbaar wanneer je naar een verwachte taak vraagt.
ich
“ich” verwijst in “Was soll ich als Hausaufgabe machen?” naar de spreker zelf. Je gebruikt deze vorm wanneer je in een vraag over je eigen taak of handeling spreekt.
als
“als” betekent hier “als” of “in de rol van” en geeft aan dat iets de huiswerkopdracht is. De vaste combinatie “als Hausaufgabe” is bruikbaar wanneer je een activiteit als huiswerk benoemt.
Hausaufgabe
“Hausaufgabe” betekent hier huiswerk, namelijk de taak die de leerling moet maken. In “als Hausaufgabe” staat het woord om het soort opdracht aan te geven; een leerling gebruikt dit bijvoorbeeld bij het navragen van een opdracht.
machen
“machen” betekent hier doen of maken in “Was soll ich als Hausaufgabe machen?”. Na “soll ich” staat deze vorm voor de handeling die de spreker moet uitvoeren, bijvoorbeeld bij het vragen naar een huiswerktaak.
Mach
“Mach” is hier een directe opdracht om iets te doen of te maken. In “Mach zuerst diese Übung” geeft een docent een eerste werkinstructie aan een leerling.
zuerst
“zuerst” betekent hier eerst en geeft de volgorde van de opdrachten aan. In “Mach zuerst diese Übung” staat het bij een instructie die zegt waarmee de leerling moet beginnen.
diese
“diese” betekent hier deze en wijst naar een specifieke oefening die in de situatie bedoeld is. De combinatie “diese Übung” is bruikbaar wanneer je één concrete oefening aanwijst.
Übung
“Übung” betekent hier oefening, de taak die de leerling moet maken. In “diese Übung” verwijst het naar een concrete opdracht in de les; dit woord gebruik je bijvoorbeeld bij schoolse oefentaken.
Welche
“Welche” vraagt hier om een keuze uit pagina’s: welke pagina moet de leerling gebruiken? Met “Welche Seite soll ich ...?” kun je in een klas naar het juiste materiaal vragen.
Seite
“Seite” betekent hier pagina, namelijk de pagina die voor de opdracht nodig is. In “Welche Seite” staat het na het vraagwoord wanneer je naar een specifieke pagina vraagt.
benutzen
“benutzen” betekent hier gebruiken in “Welche Seite soll ich benutzen?”. Na “soll ich” benoemt deze vorm wat de leerling met de gekozen pagina moet doen; je gebruikt het met een voorwerp zoals een pagina.
Benutze
“Benutze” is hier een directe opdracht om iets te gebruiken. In “Benutze die Seite mit den kurzen Fragen” vertelt een docent welke pagina de leerling moet nemen.
die
“die” betekent hier de in “die Seite” en verwijst naar een bepaalde pagina. De combinatie “die Seite mit den kurzen Fragen” is bruikbaar wanneer je een specifiek document aanwijst.
mit
“mit” betekent hier met en verbindt de pagina met de vragen die erop staan of erbij horen. In “mit den kurzen Fragen” gebruik je het om de inhoud of het kenmerk van een pagina nader te beschrijven.
den
“den” betekent hier de in “den kurzen Fragen” en hoort bij de bedoelde vragen. De combinatie “mit den kurzen Fragen” is bruikbaar om te zeggen welke vragen bij een materiaal horen.
kurzen
“kurzen” betekent hier korte en beschrijft de vragen in “den kurzen Fragen”. Je gebruikt zo’n bijvoeglijke vorm vóór een zelfstandig naamwoord om het kenmerk ervan aan te geven, bijvoorbeeld wanneer je bepaalde vragen onderscheidt.
Fragen
“Fragen” betekent hier vragen, namelijk de korte vragen op de bedoelde pagina. In “den kurzen Fragen” verwijst het naar meerdere vragen; een leerling gebruikt dit woord bijvoorbeeld bij het bespreken van een oefenpagina.
Wann
“Wann” vraagt hier naar het tijdstip waarop de oefening af moet zijn. Met “Wann soll ich ...?” kun je een docent naar een deadline vragen.
fertig
“fertig” geeft hier aan dat de oefening voltooid is in “die Übung fertig machen”. Het komt ook terug in “wenn du fertig bist”, en is bruikbaar wanneer je zegt dat een taak klaar is.
vor
“vor” betekent hier vóór en geeft aan dat de oefening klaar moet zijn voordat de les begint. De combinatie “vor dem Unterricht” is bruikbaar om een deadline vóór een les of andere gebeurtenis te noemen.
dem
“dem” betekent hier de in “vor dem Unterricht” en hoort bij het bedoelde moment of evenement. Samen met “vor” vormt het de combinatie “vor dem Unterricht”, die je gebruikt voor een deadline vóór een les.
Unterricht
“Unterricht” betekent hier les of onderwijs, het moment waarvoor de oefening af moet zijn. In “vor dem Unterricht” benoemt het de les als tijdsgrens; dit gebruik past bij afspraken in een klas.
Kannst
“Kannst” drukt hier uit of iemand iets kan doen en maakt deel uit van het verzoek “Kannst du später meine Antworten ansehen?”. Je gebruikt deze vorm wanneer je iemand vraagt of die persoon later een taak kan uitvoeren.
du
“du” verwijst in “Kannst du später meine Antworten ansehen?” naar de persoon die wordt aangesproken. In deze klas gebruikt de leerling het om de docent rechtstreeks te vragen iets te bekijken.
später
“später” betekent hier later, dus niet nu maar op een moment na het huidige moment. In “Kannst du später ... ansehen?” bepaalt het wanneer de gevraagde handeling kan plaatsvinden.
meine
“meine” betekent hier mijn en geeft aan dat de antwoorden van de spreker zijn. In “meine Antworten” staat het vóór het zelfstandig naamwoord; je gebruikt het om eigen werk of materiaal aan te wijzen.
Antworten
“Antworten” betekent hier antwoorden, namelijk de antwoorden die de leerling heeft gegeven. In “meine Antworten ansehen” verwijst het naar het werk dat de docent later kan controleren.
ansehen
“ansehen” betekent hier bekijken of nakijken in “meine Antworten ansehen”. In deze vraag staat het als de handeling na “Kannst du”; je kunt het gebruiken met een object dat iemand wil bekijken of controleren.
Bring
“Bring” is hier een directe opdracht om iets naar de spreker toe te brengen. In “Bring sie mir” geeft een docent aan wat de leerling met de antwoorden moet doen nadat de oefening klaar is.
sie
“sie” betekent hier ze of hen en verwijst in “Bring sie mir” naar “die Antworten”. Je gebruikt deze vorm om eerder genoemde meervoudige zaken niet opnieuw te herhalen.
mir
“mir” betekent hier aan mij en geeft aan wie de antwoorden moet ontvangen. In “Bring sie mir” staat het bij de opdracht om iets naar de spreker toe te brengen.
wenn
“wenn” betekent hier wanneer of zodra en leidt de voorwaarde in “wenn du fertig bist” in. Je gebruikt deze constructie om te zeggen dat een handeling plaatsvindt nadat een bepaalde toestand is bereikt.
bist
“bist” betekent hier bent in “wenn du fertig bist” en beschrijft dat de aangesprokene klaar is. De vorm hoort bij “du” en is bruikbaar om te zeggen dat iemand een bepaalde toestand heeft bereikt.