Woorden herhalen met kaartjes | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, two adults use word cards and example sentences to review words they need to remember..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Woorden herhalen met kaartjes oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich möchte diese Wörter wiederholen.

isj meusj-tuh dee-zuh veur-ter vee-der-hoe-lun. Ik wil deze woorden herhalen.
B

Lass uns diese Wortkarten benutzen.

las oens dee-zuh vort-kaar-tun be-noet-sun. Laten we deze woordkaartjes gebruiken.
A

Ich kann mich an dieses Wort nicht erinnern.

isj kan misj an dee-zus vort nisjt er-inuh-run. Ik kan me dit woord niet herinneren.
B

Schau dir den Beispielsatz an.

sjau dier deen bai-sjpeel-zats an. Kijk naar de voorbeeldzin.
A

Der Satz hilft mir, mich daran zu erinnern.

deer zats hilft mier, misj da-raan tsoe er-inuh-run. De zin helpt me om het te onthouden.
B

Probier eine andere Wortkarte aus und schau dir zuerst den Beispielsatz an.

pro-bier ai-nuh an-duh-ruh vort-kaar-tuh ows oent sjau dier tsoe-eerst deen bai-sjpeel-zats an. Probeer een ander woordkaartje en kijk eerst naar de voorbeeldzin.
A

Ich probiere jetzt die nächste Karte aus.

isj pro-bier-uh jetst dee neesj-tuh kaar-tuh ows. Ik probeer nu het volgende kaartje.
B

Lies zuerst den Satz und sag dann das Wort.

lies tsoe-eerst deen zats oent zaak dan das vort. Lees eerst de zin en zeg dan het woord.

Woord voor woord

Ich Ich betekent in deze zin ‘ik’ en is het onderwerp in ‘Ich möchte diese Wörter wiederholen.’ Je kunt het patroon ‘Ich möchte ...’ gebruiken om beleefd te zeggen wat je wilt doen, bijvoorbeeld bij een leeractiviteit of een verzoek.
möchte möchte drukt hier een beleefde wens uit: ‘wil graag’. In het patroon ‘Ich möchte ...’ staat daarna de handeling, zoals in ‘Ich möchte diese Wörter wiederholen.’
diese diese betekent hier ‘deze’ en verwijst naar de woorden die de spreker aanwijst of bedoelt. Je gebruikt ‘diese’ vóór een zelfstandig naamwoord om iets specifieks dichtbij de gesprekssituatie aan te wijzen.
Wörter Wörter betekent hier ‘woorden’ en is de meervoudsvorm van ‘Wort’. Het past in ‘diese Wörter’ en kan worden gebruikt wanneer je meerdere woorden bespreekt, leert of herhaalt.
wiederholen wiederholen betekent hier ‘herhalen’, namelijk de woorden opnieuw doornemen. Na ‘Ich möchte’ staat ‘wiederholen’ in het patroon ‘Ich möchte ... wiederholen’, bijvoorbeeld bij het studeren.
Lass Lass vormt samen met ‘uns’ de aansporing ‘Lass uns ...’: ‘laten we ...’. In ‘Lass uns diese Wortkarten benutzen’ stelt de spreker een gezamenlijke activiteit voor, bijvoorbeeld aan een studiegenoot.
uns uns betekent in ‘Lass uns ...’ ‘ons’ en maakt duidelijk dat de voorgestelde handeling samen wordt gedaan. Het bruikbare patroon is ‘Lass uns ...’, bijvoorbeeld om samen iets te oefenen.
Wortkarten Wortkarten betekent ‘woordkaarten’ en is het meervoud van ‘Wortkarte’. In ‘diese Wortkarten benutzen’ gaat het om kaarten die je gebruikt om woorden te leren of te herhalen.
benutzen benutzen betekent hier ‘gebruiken’, namelijk de woordkaarten inzetten voor het oefenen. Na ‘Lass uns’ staat het werkwoord in het patroon ‘Lass uns ... benutzen’, bijvoorbeeld voor een gezamenlijk hulpmiddel.
kann kann betekent hier ‘kan’ in de betekenis dat de spreker iets niet voor elkaar krijgt: ‘Ik kan me dit woord niet herinneren.’ Je gebruikt ‘Ich kann ... nicht’ om aan te geven dat iets niet lukt of niet mogelijk is.
mich mich betekent hier ‘me’ in de uitdrukking ‘mich an dieses Wort nicht erinnern’. Het hoort bij de spreker en komt terug in het patroon ‘Ich kann mich an ... erinnern’ wanneer je zegt dat je je iets wel of niet herinnert.
an an maakt hier deel uit van de uitdrukking ‘sich an etwas erinnern’, die betekent dat je je iets herinnert. Gebruik het volledige patroon ‘sich an ... erinnern’, bijvoorbeeld wanneer je over een woord, naam of gebeurtenis praat.
dieses dieses betekent hier ‘dit’ en verwijst naar het ene woord dat de spreker niet kan onthouden. In ‘dieses Wort’ staat het vóór het zelfstandig naamwoord en wijst het naar iets specifieks in de situatie.
Wort Wort betekent hier ‘woord’, namelijk het woord op het kaartje dat de spreker niet kan herinneren. Je gebruikt ‘ein Wort’ of ‘dieses Wort’ wanneer je over één woord uit de les praat.
nicht nicht maakt de uitdrukking ‘mich an dieses Wort nicht erinnern’ ontkennend: de spreker herinnert het woord zich niet. Je kunt ‘nicht’ gebruiken om een handeling of toestand te ontkennen, zoals in ‘Ich kann ... nicht’.
erinnern erinnern betekent hier ‘herinneren’ in de uitdrukking ‘sich an etwas erinnern’. Het bruikbare patroon is ‘Ich kann mich an dieses Wort nicht erinnern’, bijvoorbeeld wanneer een woord je niet te binnen schiet.
Schau Schau is hier een aansporing om te kijken en betekent ‘kijk’. In ‘Schau dir den Beispielsatz an’ gebruik je de volledige vorm om iemand te vragen ergens aandachtig naar te kijken.
dir dir verwijst hier naar de persoon tegen wie gesproken wordt in ‘Schau dir den Beispielsatz an’. Het hoort bij het patroon ‘Schau dir ... an’, dat je gebruikt wanneer je iemand vraagt iets te bekijken.
den den is hier het lidwoord bij ‘Beispielsatz’ in de uitdrukking ‘den Beispielsatz’. Samen betekent ‘den Beispielsatz’ ‘de voorbeeldzin’, bijvoorbeeld wanneer je iemand naar één bepaalde zin laat kijken.
Beispielsatz Beispielsatz betekent ‘voorbeeldzin’: een zin die laat zien hoe een woord gebruikt wordt. Je kunt ‘der Beispielsatz’ gebruiken wanneer je in een les of woordenboek naar een concrete voorbeeldzin verwijst.
Der Der betekent hier ‘de’ en staat vóór ‘Satz’ in ‘Der Satz hilft mir ...’. Je gebruikt ‘Der Satz ...’ om naar een bepaalde zin te verwijzen die al in de situatie bekend is.
Satz Satz betekent hier ‘zin’, namelijk de voorbeeldzin die de leerling helpt. In het patroon ‘Der Satz hilft mir ...’ kun je uitleggen welk effect een zin op je leren heeft.
hilft hilft betekent hier ‘helpt’: de zin maakt het voor de spreker gemakkelijker om het woord te onthouden. Het bruikbare patroon is ‘Das hilft mir’, bijvoorbeeld wanneer je uitlegt waardoor een taak gemakkelijker wordt.
mir mir betekent hier ‘me’ in ‘hilft mir’: de zin helpt de spreker. Je gebruikt het patroon ‘etwas hilft mir’, wanneer je zegt dat iets jou ondersteunt bij een taak of probleem.
daran daran verwijst hier naar het woord dat eerder genoemd is in ‘mich daran zu erinnern’: ‘eraan’. Het hoort bij ‘sich daran erinnern’ wanneer je terugverwijst naar iets dat al bekend is.
zu zu maakt hier deel uit van de infinitiefconstructie ‘mich daran zu erinnern’, na ‘hilft mir’. In ‘etwas hilft mir, ... zu ...’ beschrijf je waarvoor iets helpt, bijvoorbeeld om iets te onthouden.
Probier Probier betekent hier ‘probeer’ en is een aansporing om een andere kaart uit te proberen. In ‘Probier eine andere Wortkarte aus’ hoort het bij ‘aus’ en kun je iemand tijdens een oefening een volgende poging laten doen.
eine eine betekent hier ‘een’ in ‘eine andere Wortkarte’. Het introduceert één niet nader bepaalde woordkaart, bijvoorbeeld wanneer je iemand vraagt een andere kaart te kiezen.
andere andere betekent hier ‘andere’ in ‘eine andere Wortkarte’: niet dezelfde kaart als daarvoor. Je gebruikt ‘eine andere ...’ om tijdens een keuze naar een alternatief te verwijzen.
Wortkarte Wortkarte betekent hier ‘woordkaartje’ of ‘woordkaart’, dus één kaart met een woord voor de oefening. Je kunt ‘eine Wortkarte’ gebruiken wanneer je één kaart uit een set kiest of gebruikt.
aus aus hoort hier bij ‘Probier ... aus’ en maakt samen met ‘probieren’ de betekenis ‘uitproberen’. Gebruik het volledige patroon ‘Probier ... aus’ wanneer je iemand aanspoort iets te testen of te proberen.
und und betekent ‘en’ en verbindt hier twee opdrachten: een andere kaart proberen en eerst naar de voorbeeldzin kijken. Je gebruikt ‘und’ om opeenvolgende handelingen of gelijkwaardige mededelingen te verbinden.
zuerst zuerst betekent hier ‘eerst’ en geeft aan dat je vóór de volgende stap naar de voorbeeldzin moet kijken. In het patroon ‘zuerst ..., dann ...’ kun je een volgorde van handelingen uitleggen.
jetzt jetzt betekent hier ‘nu’ en geeft aan dat de spreker op dit moment met de volgende kaart begint. Je gebruikt ‘jetzt’ om een handeling in het huidige moment aan te kondigen.
probiere probiere betekent hier ‘probeer’ in ‘Ich probiere jetzt die nächste Karte aus’. Samen met ‘aus’ betekent ‘probiere ... aus’ dat de spreker de kaart gaat uitproberen; het patroon ‘Ich probiere ... aus’ is bruikbaar bij een nieuwe poging.
die die is hier het lidwoord bij ‘Karte’ in ‘die nächste Karte’. Samen verwijst ‘die nächste Karte’ naar de specifieke kaart die na de huidige kaart komt.
nächste nächste betekent hier ‘volgende’ en beschrijft de kaart die aan de beurt is na de huidige kaart. Je gebruikt ‘die nächste ...’ om de volgende stap of het volgende item in een reeks aan te wijzen.
Karte Karte betekent hier ‘kaartje’ of ‘kaart’, namelijk de volgende woordkaart in de oefening. Je kunt ‘die nächste Karte’ gebruiken wanneer je in een reeks naar het volgende kaartje verwijst.
Lies Lies betekent hier ‘lees’ en is een aansporing om de zin te lezen. In ‘Lies zuerst den Satz’ geef je tijdens een oefening aan welke handeling als eerste moet gebeuren.
sag sag betekent hier ‘zeg’ en is een aansporing om het woord hardop te zeggen. Het bruikbare patroon is ‘Sag das Wort’, bijvoorbeeld wanneer je een leerling vraagt een antwoord uit te spreken.
dann dann betekent hier ‘dan’ en geeft de tweede stap aan na het lezen van de zin. In ‘zuerst ..., dann ...’ beschrijf je duidelijk wat eerst en wat daarna gebeurt.
das das is hier het lidwoord bij ‘Wort’ in ‘das Wort’. Samen betekent ‘das Wort’ ‘het woord’, bijvoorbeeld wanneer je iemand vraagt het geleerde woord te zeggen.

Grammatica

Scheidbare werkwoorden: anschauen → Schau ... an

Schau dir die Wortkarte an.

sjau dier dee vort-kaar-tuh an.

Bekijk het woordkaartje.

Bij scheidbare werkwoorden staat het voorvoegsel aan het einde van de zin: anschauen → Schau ... an.

Imperativ voor één persoon

Lies jetzt den Satz.

lies jetst deen zats.

Lees nu de zin.

De gebiedende wijs voor één persoon heeft vaak een korte werkwoordsvorm: lesen → Lies.

Duits woordenschat

anschauen werkwoord
an-sjau-un bekijken Schau dir ... an

Schau dir den Beispielsatz an.

Beispielsatz zelfstandig naamwoord
bai-sjpeel-zats voorbeeldzin

Schau dir den Beispielsatz an.

benutzen werkwoord
be-noet-sun gebruiken

Lass uns diese Wortkarten benutzen.

können werkwoord
keu-nun kunnen kann

Ich kann mich an dieses Wort nicht erinnern.

lassen werkwoord
las-un laten Lass

Lass uns diese Wortkarten benutzen.

möchten werkwoord
meusj-tun willen möchte

Ich möchte diese Wörter wiederholen.

nicht bijwoord
nisjt niet

Ich kann mich an dieses Wort nicht erinnern.

Satz zelfstandig naamwoord
zats zin

Der Satz hilft mir, mich daran zu erinnern.

sich erinnern werkwoord
ziesj er-inuh-run zich herinneren mich an dieses Wort nicht erinnern

Ich kann mich an dieses Wort nicht erinnern.

wiederholen werkwoord
vee-der-hoe-lun herhalen

Ich möchte diese Wörter wiederholen.

Wort zelfstandig naamwoord
vort woord Wörter

Ich möchte diese Wörter wiederholen.

Wortkarte zelfstandig naamwoord
vort-kaar-tuh woordkaartje Wortkarten

Lass uns diese Wortkarten benutzen.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik wil deze woorden herhalen.

Antwoord tonenIch möchte diese Wörter wiederholen.

Laten we deze woordkaartjes gebruiken.

Antwoord tonenLass uns diese Wortkarten benutzen.

Kijk naar de voorbeeldzin.

Antwoord tonenSchau dir den Beispielsatz an.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

woord

Antwoord tonenWörter

woordkaartje

Antwoord tonenWortkarten

gebruiken

Antwoord tonenbenutzen

niet

Antwoord tonennicht