Een portemonnee vinden | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In daily life, two adults look through a backpack to find a wallet and keys before one person leaves..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Een portemonnee vinden oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich kann meine Geldbörse nicht finden.

iech kan mai-nuh gelt-beur-zuh niecht fin-den. Ik kan mijn portemonnee niet vinden.
B

Hast du in deinem Rucksack nachgesehen?

hast doe in dai-num roek-zak naach-ge-zeen? Heb je in je rugzak gekeken?
A

Ich habe schon im vorderen Fach nachgesehen.

iech haa-buh sjoon im for-duh-ren fach naach-ge-zeen. Ik heb al in het voorvak gekeken.
B

Schau in das kleine Fach neben dem Reißverschluss.

sjau in das klai-nuh fach nee-ben deym rais-fer-sloes. Kijk in het kleine vakje bij de rits.
A

Ich habe sie dort gefunden.

iech haa-buh zee dort ge-foen-den. Ik heb hem daar gevonden.
B

Schließ den Reißverschluss, bevor du gehst.

sjlies den rais-fer-sloes, be-foor doe geest. Doe de rits dicht voordat je gaat.
A

Ich brauche noch meine Schlüssel.

iech brau-khuh nog mai-nuh sjlus-sel. Ik heb mijn sleutels nog nodig.
B

Sie sind im Seitenfach.

zee zint im zai-ten-fach. Ze zitten in het zijvak.

Uitleg van de zinnen

  1. Ich kann meine Geldbörse nicht finden.

    Ik kan mijn portemonnee niet vinden.

    Ich kann
    ik kan
    meine
    mijn
    Geldbörse
    portemonnee
    nicht
    niet
    finden
    vinden
    Uitgebreide uitleg

    Ich kann betekent hier “ik kan” en bestaat uit het persoonlijk voornaamwoord ich (“ik”) plus het modale werkwoord können in de vorm kann. Kann is de vorm voor de eerste persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd. Bij een modaal werkwoord staat een ander werkwoord in de infinitief aan het einde van de hoofdzin: Ich kann ... finden = “Ik kan ... vinden”. meine betekent hier “mijn” en hoort bij Geldbörse. Het is de bezittelijke vorm van mein; bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord in deze naamval verschijnt de vorm meine. De bezitter is door meine niet als mannelijk of vrouwelijk gemarkeerd; de vorm wordt hier bepaald door het zelfstandig naamwoord dat bezeten wordt. Geldbörse betekent “portemonnee”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Geldbörse. In deze zin is het het lijdend voorwerp van finden, dus datgene wat de spreker probeert te vinden. Het samengestelde woord bestaat in het Duits uit Geld (“geld”) en Börse (“beurs” of “portemonnee”), maar als geheel betekent het hier “portemonnee”. nicht betekent “niet”. Hier ontkent het de handeling als geheel: de spreker kan de portemonnee niet vinden. Het staat vóór de infinitief finden, waarmee het samen de ontkende handeling vormt. finden betekent “vinden”. Dit is de infinitief; na kann blijft het werkwoord in die vorm. Een bruikbaar contrast is finden = “vinden” tegenover suchen = “zoeken”: Ich kann meine Geldbörse nicht finden. = “Ik kan mijn portemonnee niet vinden.” Samen vormen de delen: Ich kann + meine Geldbörse + nicht finden. De volledige betekenis is: “Ik kan mijn portemonnee niet vinden.”

  2. Hast du in deinem Rucksack nachgesehen?

    Heb je in je rugzak gekeken?

    Hast du
    heb je
    Rucksack
    rugzak
    nachgesehen
    gekeken; gecontroleerd
    Uitgebreide uitleg

    Hast du bevat de tweede persoon enkelvoud van haben in de tegenwoordige tijd: du hast. Samen met nachgesehen vormt dit het Duitse Perfekt. In een ja/nee-vraag staat het vervoegde hulpwerkwoord vooraan; het voltooid deelwoord staat aan het einde. Rucksack betekent hier “rugzak”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Rucksack; het meervoud is die Rucksäcke. In in deinem Rucksack heeft in een plaatsbetekenis. Daarom staat de naamwoordgroep in de datief: deinem is hier de datiefvorm van “jouw” bij een mannelijk enkelvoud. Bij richting gebruikt in doorgaans de accusatief, bijvoorbeeld: Ich lege es in den Rucksack. — “Ik leg het in de rugzak.” nachgesehen is het voltooid deelwoord van het scheidbare werkwoord nachsehen: nachsehen – sah nach – hat nachgesehen. In deze context betekent het “ergens kijken” of “iets controleren”. Het hulpwerkwoord is haben, niet sein. In een gewone hoofdzin wordt de vervoegde vorm van een scheidbaar werkwoord gesplitst: Ich sehe im Fach nach. — “Ik kijk in het vak.” De infinitief blijft daarentegen aaneen: Ich möchte im Fach nachsehen. — “Ik wil in het vak kijken.” In het Perfekt verschijnt het voltooid deelwoord als één vorm: Ich habe im Fach nachgesehen. — “Ik heb in het vak gekeken.” Samen bestaat de vraag uit Hast du + in deinem Rucksack + nachgesehen?: “Heb je in je rugzak gekeken?” De zin vraagt of de aangesprokene daar heeft gekeken of gecontroleerd; hij zegt niet wat er eventueel gevonden is.

  3. Ich habe schon im vorderen Fach nachgesehen.

    Ik heb al in het voorvak gekeken.

    Ich habe
    ik heb
    schon
    al
    vorderen
    voorste
    Fach
    vak
    nachgesehen
    gekeken
    Uitgebreide uitleg

    Ich habe betekent hier “ik heb”: ich is het persoonlijk voornaamwoord “ik”, en habe is de eerste persoon enkelvoud van haben, “hebben”. In deze zin is habe het hulpwerkwoord van het Duitse perfectum. Het onderwerp is ich; het zelfstandige werkwoord verschijnt later als voltooid deelwoord. Voorbeeld: Ich habe gesucht. = “Ik heb gezocht.” schon betekent hier “al”. Het geeft aan dat het nakijken vóór het huidige moment heeft plaatsgevonden. Het staat in deze zin vóór de plaatsbepaling im vorderen Fach; in andere Duitse zinnen kan de positie van dit bijwoord variëren. vorderen is de verbogen vorm van het bijvoeglijk naamwoord vorder, “voorste” of “aan de voorkant gelegen”. Het beschrijft Fach. De uitgang -en komt hier doordat Fach na het bepaalde lidwoord dem in de datief staat: dem vorderen Fach. Voorbeeld: im vorderen Teil = “in het voorste deel”. Fach betekent hier “vak” of “compartiment”, bijvoorbeeld een apart gedeelte van een tas. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Fach. In im vorderen Fach staat het in de datief enkelvoud, omdat in hier een plaats aanduidt. im is de samentrekking van in dem. Bij beweging naar een vak gebruikt het Duits in plaats daarvan de accusatief, bijvoorbeeld in das Fach. nachgesehen is het voltooid deelwoord van het scheidbare werkwoord nachsehen, “nakijken” of “ergens in kijken”. In deze context betekent het dat de spreker in het vak heeft gekeken om iets te controleren. In het perfectum staat nachgesehen samen met habe: Ich habe nachgesehen. Voorbeeld: Sie hat im Schrank nachgesehen. = “Zij heeft in de kast gekeken.” De delen vormen samen Ich habe schon im vorderen Fach nachgesehen. Het patroon is: onderwerp + hulpwerkwoord in de tegenwoordige tijd + schon + plaatsbepaling + voltooid deelwoord. De vaste betekenis is: “Ik heb al in het voorvak gekeken.”

  4. Schau in das kleine Fach neben dem Reißverschluss.

    Kijk in het kleine vakje bij de rits.

    Schau
    kijk
    in das
    in het
    kleine
    kleine
    Fach
    vakje
    neben
    naast; bij
    dem
    de
    Reißverschluss
    rits
    Uitgebreide uitleg

    Schau betekent hier “kijk” en is de gebiedende wijs voor du van schauen (“kijken”). Het onderwerp du staat niet apart in de zin: het zit in de werkwoordsvorm. Bijvoorbeeld: Schau dort! = “Kijk daar!” in das geeft hier de richting van het kijken aan: naar de binnenkant van iets. Het voorzetsel in kan zowel met de accusatief als met de datief voorkomen: accusatief bij een richting, datief bij een plaats waar iets zich bevindt. In deze zin staat daarom das in de accusatief. in das kan in andere zinnen worden samengetrokken tot ins, maar de bron gebruikt expliciet in das. kleine betekent hier “kleine”. Het bijvoeglijk naamwoord klein krijgt de uitgang -e, omdat het bij het onzijdige zelfstandig naamwoord Fach hoort en na het bepaalde lidwoord das staat: das kleine Fach. Vergelijk: ein kleines Fach (“een klein vakje”); na ein is de uitgang dus anders. Fach betekent hier “vakje” of “vak”. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Fach, meervoud die Fächer. In deze zin is het het doel waarnaar gekeken moet worden. neben betekent “naast” en kan ook een nabije positie aanduiden, zoals het Nederlandse “bij” in de vaste vertaling. Hier beschrijft het de positie van het vak ten opzichte van de rits. Bij een vaste plaats gebruikt neben de datief; bij een richting naar een plaats gebruikt het de accusatief. dem is hier het bepaalde lidwoord in de datief enkelvoud. Het hoort bij Reißverschluss, dat mannelijk is: der Reißverschluss → dem Reißverschluss in de datief. Het lidwoord betekent in deze context ongeveer “de”, maar de vorm dem laat ook de naamval zien. Reißverschluss betekent “rits”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Reißverschluss; de meervoudsvorm is die Reißverschlüsse. De woordgroep neben dem Reißverschluss betekent hier “bij/naast de rits”. Samen ontstaat de structuur Schau in das kleine Fach neben dem Reißverschluss: “Kijk in het kleine vakje bij de rits.” De gebiedende wijs geeft de opdracht, in das kleine Fach noemt de richting en het doel, en neben dem Reißverschluss lokaliseert dat vak ten opzichte van de rits.

  5. Ich habe sie dort gefunden.

    Ik heb hem daar gevonden.

    Ich habe
    ik heb
    sie
    onopgeloste verwijzing; in het Duits niet ‘hem’
    dort
    daar
    gefunden
    gevonden
    Uitgebreide uitleg

    Ich habe bevat habe, de eerste persoon enkelvoud van haben: “ik heb”. Samen met een voltooid deelwoord vormt dit in het Duits vaak het Perfekt, een voltooide verleden tijd. Het onderwerp staat hier expliciet als Ich; habe past dus bij de eerste persoon enkelvoud. Voorbeeld: Ich habe das Buch gelesen. — “Ik heb het boek gelezen.” sie is hier een Duits persoonlijk voornaamwoord in de accusatief. In deze vorm kan het onder meer naar een vrouwelijk enkelvoudig antecedent (“haar”) of naar een meervoud verwijzen; de vorm zelf identificeert geen mannelijke enkelvoudige referent. De opgegeven vertaling “hem” past daarom niet bij sie in standaardduits. Als “hem” werkelijk bedoeld is, luidt het overeenkomstige voorbeeld Ich habe ihn dort gefunden. — “Ik heb hem daar gevonden.” Dat is een correctief voorbeeld en geen wijziging van de aangeleverde zin. dort is een plaatsbijwoord met de betekenis “daar”. Het verwijst naar een plaats die als op enige afstand of als eerder bepaalde locatie wordt voorgesteld. Voorbeeld: Das Buch liegt dort. — “Het boek ligt daar.” gefunden is het voltooid deelwoord van finden (“vinden”). De vormketen is finden → gefunden; bij het Perfekt staat gefunden samen met het hulpwerkwoord haben. Voorbeeld: Wir haben den Schlüssel gefunden. — “Wij hebben de sleutel gevonden.” In de aangeleverde Duitse zin vormen Ich habe en gefunden dus “ik heb gevonden”, terwijl dort de plaats “daar” toevoegt. sie is het gevonden lijdend voorwerp, maar de vaste Nederlandse vertaling maakt daar “hem” van. Daardoor zijn de Duitse tekst en de vertaling over het geslacht en getal van dat voornaamwoord niet volledig verenigbaar; de betekenis kan niet zonder voorbehoud als “Ik heb hem daar gevonden” worden vastgelegd.

  6. Schließ den Reißverschluss, bevor du gehst.

    Doe de rits dicht voordat je gaat.

    Schließ
    doe dicht; sluit
    den Reißverschluss
    de rits
    bevor
    voordat
    du gehst
    je gaat
    Uitgebreide uitleg

    Schließ betekent hier “doe dicht” of “sluit” en is de gebiedende wijs voor één persoon van schließen (“sluiten”). De vorm hoort bij du; in deze zin wordt het onderwerp van de opdracht niet uitgesproken. Vergelijk: Schließ die Tür! = “Doe de deur dicht!” Voor meerdere personen of een formele aanspreekvorm gebruikt het Duits andere gebiedende vormen. den Reißverschluss betekent “de rits”. Reißverschluss is een mannelijk zelfstandig naamwoord; na het werkwoord staat het hier in de vierde naamval (accusatief), daarom staat het lidwoord als den. Het woord kan in andere zinnen ook met een ander lidwoord of in een andere naamval verschijnen. Voorbeeld: Der Reißverschluss ist offen. = “De rits is open.” bevor betekent “voordat” en leidt een bijzin in die een eerdere tijd aangeeft. In een Duitse bijzin met bevor staat het vervoegde werkwoord achteraan. Het patroon is bijvoorbeeld bevor + onderwerp + werkwoord. du gehst betekent “je gaat”. gehst is de tweede persoon enkelvoud van gehen (“gaan”): ich gehe, du gehst. In bevor du gehst staat gehst achteraan omdat dit een bijzin is. Voorbeeld: Ruf mich an, bevor du gehst. = “Bel me voordat je gaat.” Samen bestaat de zin uit de opdracht Schließ den Reißverschluss en de tijdsbepalende bijzin bevor du gehst. De volledige betekenis is: “Doe de rits dicht voordat je gaat.”

  7. Ich brauche noch meine Schlüssel.

    Ik heb mijn sleutels nog nodig.

    Ich
    ik
    brauche
    heb nodig
    noch
    nog
    meine
    mijn
    Schlüssel
    sleutels
    Uitgebreide uitleg

    Ich is de persoonlijke vorm voor de spreker als onderwerp. Het is de nominatief; vergelijk mich wanneer dezelfde spreker het lijdend voorwerp is: Er sieht mich = “Hij ziet mij”. brauche komt van brauchen en is hier de eerste persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd: ich brauche. Het betekent hier “nodig hebben”, niet alleen “gebruiken”. De vorm verandert met het onderwerp: ich brauche, du brauchst, sie braucht. In deze zin neemt brauchen een lijdend voorwerp in de accusatief. noch betekent hier “nog”: de behoefte bestaat op dit moment nog. Het staat tussen de persoonsvorm en het lijdend voorwerp. Voorbeeld: Ich warte noch. = “Ik wacht nog.” meine is een bezittelijke bepaler met de betekenis “mijn”. In deze zin hoort hij bij het meervoud Schlüssel en staat hij in de accusatief, omdat Schlüssel het lijdend voorwerp van brauche is. In het meervoud blijft de vorm voor alle grammaticale geslachten meine; vergelijk in de nominatief: Meine Schlüssel sind hier = “Mijn sleutels zijn hier.” Schlüssel betekent hier “sleutels”. Het woord heeft in het Duits dezelfde vorm in enkelvoud en meervoud: der Schlüssel maar die Schlüssel. Hier blijkt het meervoud uit meine en uit de vaste vertaling; in de context wordt er vervolgens met Sie sind ook meervoudig naar verwezen. Samen vormen de delen: Ich brauche = “ik heb nodig”, noch = “nog”, en meine Schlüssel = “mijn sleutels”. De hele uiting betekent dus: “Ik heb mijn sleutels nog nodig.”

  8. Sie sind im Seitenfach.

    Ze zitten in het zijvak.

    Sie
    zij
    sind
    zijn
    Seitenfach
    zijvak
    Uitgebreide uitleg

    Sie betekent hier “ze”. De hoofdletter hoort bij deze vorm aan het begin van de zin; in een andere positie wordt het meervoudige persoonlijke voornaamwoord meestal sie geschreven. Sie kan in andere contexten ook het beleefde “u” zijn, maar de vaste vertaling geeft hier de lezing “ze”. De vorm zelf geeft niet aan naar welke personen of zaken ze verwijst. sind is de tegenwoordige tijd van sein (“zijn”) bij een meervoudig onderwerp: sie sind = “ze zijn”. Dezelfde vorm staat ook bij Sie als beleefd enkelvoud of meervoud, maar in deze zin ondersteunt de vertaling de meervoudige lezing. Voorbeeld: Die Bücher sind hier. — “De boeken zijn hier.” Seitenfach is een zelfstandig naamwoord voor een zijvak. Het is een samenstelling van Seite (“zijkant/zijde”) en Fach (“vak”); het hele woord betekent dus niet zomaar elk vak, maar een vak aan de zijkant. Het lidwoord is das Seitenfach; het meervoud is die Seitenfächer. im is de vaste samentrekking van in dem. In im Seitenfach geeft in hier een plaats aan: iets bevindt zich binnen dat vak. De combinatie betekent “in het zijvak”. Samen vormen de delen Sie sind + im Seitenfach de betekenis “Ze zitten in het zijvak.” Het Duitse sind drukt hier letterlijk een toestand of locatie uit; het Nederlands gebruikt in deze vertaling natuurlijk “zitten” voor iets dat zich in een vak bevindt.

Grammatica

bevor + Nebensatz: Das konjugierte Verb steht am Ende.

Bevor du gehst, schließ den Reißverschluss.

be-foor doe geest, sjlies den rais-fer-sloes.

Voordat je gaat, sluit de rits.

Na bevor staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin: bevor du gehst.

nachsehen → nachgesehen: scheidbaar werkwoord in de voltooide tijd

Ich habe nachgesehen.

iech haa-buh naach-ge-zeen.

Ik heb gekeken.

Bij scheidbare werkwoorden komt ge- tussen het voorvoegsel en het werkwoord: nachsehen wordt nachgesehen.

Duits woordenschat

dort bijwoord
dort daar
Fach zelfstandig naamwoord
fach vak
finden werkwoord
fin-den vinden
Geldbörse zelfstandig naamwoord
gelt-beur-zuh portemonnee
klein bijvoeglijk naamwoord
klain klein kleine
nachsehen werkwoord
naach-zee-un nakijken nachgesehen
neben voorzetsel
nee-ben naast
Reißverschluss zelfstandig naamwoord
rais-fer-sloes rits
Rucksack zelfstandig naamwoord
roek-zak rugzak
schauen werkwoord
sjau-un kijken Schau
schließen werkwoord
sjlie-sun sluiten Schließ
vorder bijvoeglijk naamwoord
for-duh voorste vorderen

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik kan mijn portemonnee niet vinden.

Antwoord tonenIch kann meine Geldbörse nicht finden.

Heb je in je rugzak gekeken?

Antwoord tonenHast du in deinem Rucksack nachgesehen?

Ik heb hem daar gevonden.

Antwoord tonenIch habe sie dort gefunden.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

portemonnee

Antwoord tonenGeldbörse

voorste

Antwoord tonenvorderen

naast

Antwoord tonenneben

rugzak

Antwoord tonenRucksack