Een tas organiseren | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a daily life setting, two adults organize a bag so glasses, a notebook, and an umbrella are easier to find..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Een tas organiseren oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ist meine Brille in dieser Tasche?

ist mai-nuh Bril-luh in dee-zuh Tasjuh? Zit mijn bril in deze tas?
B

Sie ist in der Seitentasche.

zie ist in deuh zai-tən-tasjuh. Hij zit in het zijvak.
A

Ich brauche auch mein Notizbuch.

iech brauch-uh au-ch main No-tiets-boech. Ik heb ook mijn notitieboek nodig.
B

Es liegt unter deinem Regenschirm.

es liekt oen-tuh dai-nuhm ree-gən-sjirm. Het ligt onder je paraplu.
A

Kann ich den Regenschirm bewegen?

kan iech deen ree-gən-sjirm buh-vee-gən? Kan ik de paraplu verplaatsen?
B

Leg ihn neben den Griff, damit er nicht im Weg liegt.

leek ien nee-bən deen grif, da-mit ee-uh niecht im week liekt. Leg hem bij het handvat, zodat hij niet in de weg ligt.
A

Ich ordne die Tasche jetzt.

iech ord-nuh dee Tasjuh yetst. Ik organiseer de tas nu.
B

Dann wird es leichter, Dinge zu finden.

dan vird es lai-ch-tuh, Ding-uh tsu fin-dən. Dan wordt het makkelijker om dingen te vinden.

Woord voor woord

Ist Ist betekent hier “is” en staat aan het begin van de vraag “Ist meine Brille in dieser Tasche?”. De vraag gaat na of de bril zich in de tas bevindt. Gebruik “Ist” aan het begin van een vraag over de plaats of toestand van iets.
meine Meine betekent hier “mijn” in “meine Brille”. Het geeft aan van wie de bril is en staat vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik een bezittelijk woord zoals “meine” vóór een zelfstandig naamwoord om bezit aan te geven.
Brille Brille betekent hier “bril”, het voorwerp waarnaar A vraagt. In “meine Brille” wordt het concrete voorwerp benoemd dat zich wel of niet in de tas bevindt. Gebruik “Brille” wanneer je naar een bril verwijst, bijvoorbeeld in de combinatie “meine Brille”.
in In geeft hier aan dat iets zich binnenin een tas bevindt: “in dieser Tasche”. Het beschrijft dus de plaats van “meine Brille”. Gebruik “in” vóór een tas, doos of andere ruimte waarin iets zich bevindt.
dieser Dieser betekent hier “deze” in “dieser Tasche” en wijst naar een specifieke tas. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord om de bedoelde tas aan te wijzen. Gebruik “dieser” in een combinatie waarin je naar een bepaalde zaak verwijst.
Tasche Tasche betekent hier “tas”, de plaats waar de bril wordt gezocht. In “dieser Tasche” wordt precies aangegeven om welke tas het gaat. Gebruik “Tasche” voor een tas waarin je spullen meeneemt of bewaart.
Sie Sie betekent hier “ze” en verwijst naar “Brille”. In “Sie ist in der Seitentasche” wordt het eerder genoemde voorwerp niet herhaald. Gebruik “Sie” om opnieuw naar de bril te verwijzen nadat die al genoemd is.
der Der is hier het lidwoord in “der Seitentasche”. Samen met “Seitentasche” vormt het de plaatsaanduiding waar de bril zich bevindt. Leer “in der Seitentasche” als bruikbare combinatie voor iets dat in het zijvak zit.
Seitentasche Seitentasche betekent “zijvak”, hier het vak aan de zijkant van de tas. In “in der Seitentasche” geeft het aan waar de bril ligt of zit. Gebruik dit woord om een zijvak van een tas te benoemen.
Ich Ich betekent “ik” en is de persoon die zegt dat hij of zij het notitieboek nodig heeft. Het staat hier vooraan in “Ich brauche auch mein Notizbuch”. Gebruik “Ich” als je over jezelf spreekt, bijvoorbeeld in “Ich brauche ...”.
brauche Brauche betekent hier “heb nodig” in “Ich brauche auch mein Notizbuch”. Het drukt uit dat de spreker het notitieboek nodig heeft. Gebruik “Ich brauche” vóór het voorwerp dat je nodig hebt.
auch Auch betekent hier “ook” en voegt het notitieboek toe aan de spullen die de spreker nodig heeft. Het staat in “Ich brauche auch mein Notizbuch” vóór het benoemde voorwerp. Gebruik “auch” om extra informatie of een extra voorwerp toe te voegen.
mein Mein betekent hier “mijn” in “mein Notizbuch”. Het geeft aan dat het notitieboek van de spreker is en staat vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik “mein” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je bezit aangeeft.
Notizbuch Notizbuch betekent “notitieboek”, het tweede voorwerp dat in de tas wordt gezocht. In “mein Notizbuch” wordt het specifieke notitieboek van de spreker genoemd. Gebruik “Notizbuch” voor een boekje waarin je aantekeningen maakt.
Es Es betekent hier “het” en verwijst naar “Notizbuch”. In “Es liegt unter deinem Regenschirm” wordt het notitieboek opnieuw genoemd met een voornaamwoord. Gebruik “Es” om naar het eerder genoemde notitieboek te verwijzen.
liegt Liegt betekent hier “ligt” of “bevindt zich” en beschrijft de positie van het notitieboek. In “Es liegt unter deinem Regenschirm” staat het voorwerp op een bepaalde plaats. Gebruik “liegt” bij een voorwerp waarvan je de liggende positie beschrijft.
unter Unter betekent hier “onder” en geeft de plaats aan van het notitieboek ten opzichte van de paraplu. De volledige plaatsaanduiding is “unter deinem Regenschirm”. Gebruik “unter” om te zeggen dat iets lager of onder een ander voorwerp ligt.
deinem Deinem betekent hier “jouw” in “deinem Regenschirm”. Het maakt duidelijk dat de paraplu van de aangesprokene is. Gebruik “deinem” vóór een zelfstandig naamwoord om naar iets van de andere persoon te verwijzen.
Regenschirm Regenschirm betekent “paraplu”. In “deinem Regenschirm” is het de paraplu waaronder het notitieboek ligt, en later is het het voorwerp dat verplaatst wordt. Gebruik “Regenschirm” om een paraplu te benoemen.
Kann Kann betekent hier “kan” en vraagt in “Kann ich den Regenschirm bewegen?” naar de mogelijkheid of toestemming om iets te doen. Het staat aan het begin van de vraag. Gebruik “Kann ich ...?” wanneer je vraagt of je iets mag of kunt doen.
den Den is hier het lidwoord in “den Regenschirm” en verwijst naar de specifieke paraplu die verplaatst wordt. Het staat vóór het voorwerp van “bewegen”. Gebruik de combinatie “den Regenschirm bewegen” wanneer je deze paraplu wilt verplaatsen.
bewegen Bewegen betekent hier “verplaatsen” in “den Regenschirm bewegen”. Het is de handeling waarnaar wordt gevraagd in “Kann ich den Regenschirm bewegen?”. Gebruik “Kann ich” gevolgd door een voorwerp en “bewegen” om te vragen of je iets kunt verplaatsen.
Leg Leg betekent hier “leg neer” of “plaats” en is een opdracht om iets op een andere plek te leggen. In “Leg ihn neben den Griff” wordt gezegd waar de paraplu moet komen. Gebruik “Leg ...” om iemand direct te vragen iets neer te leggen.
ihn Ihn betekent hier “hem” en verwijst naar “Regenschirm”. In “Leg ihn neben den Griff” voorkomt het dat “Regenschirm” opnieuw wordt herhaald. Gebruik “ihn” om naar de eerder genoemde paraplu te verwijzen.
neben Neben betekent hier “naast” en geeft de nieuwe plaats van de paraplu aan. In “neben den Griff” wordt gezegd dat de paraplu naast het handvat moet komen. Gebruik “neben” vóór het voorwerp waar iets naast wordt geplaatst.
Griff Griff betekent hier “handvat”, het herkenbare punt naast waar de paraplu moet liggen. De volledige plaatsaanduiding is “neben den Griff”. Gebruik “Griff” voor het deel waaraan je iets vasthoudt of bedient.
damit Damit betekent hier “zodat” en verbindt het plaatsen van de paraplu met het gewenste resultaat. In “damit er nicht im Weg liegt” wordt uitgelegd waarom de paraplu daar moet liggen. Gebruik “damit” om een doel of gewenst gevolg aan te geven.
er Er betekent hier “hij” en verwijst naar “Regenschirm”. In “damit er nicht im Weg liegt” wordt de paraplu opnieuw aangeduid zonder het zelfstandig naamwoord te herhalen. Gebruik “er” om naar de eerder genoemde paraplu te verwijzen.
nicht Nicht betekent hier “niet” en ontkent de plaatsaanduiding “im Weg liegt”. De bedoeling is dat de paraplu niet in de weg ligt. Gebruik “nicht” om een handeling, toestand of plaatsaanduiding te ontkennen.
im Im betekent hier “in het” in de vaste uitdrukking “im Weg liegen”. Het is de vorm die in deze plaatsaanduiding bij “Weg” wordt gebruikt. Gebruik “im Weg liegen” om te zeggen dat iets hinderlijk in de weg ligt.
Weg Weg betekent hier niet een route, maar “de weg” in de uitdrukking “im Weg liegen”. Samen betekent “im Weg liegen” dat iets hinderlijk geplaatst is. Gebruik deze volledige uitdrukking wanneer een voorwerp ruimte blokkeert.
ordne Ordne betekent hier “organiseer” of “breng op orde” in “Ich ordne die Tasche jetzt”. De spreker zegt dat die de tas op dit moment overzichtelijk maakt. Gebruik “Ich ordne” vóór het voorwerp dat je op orde brengt.
die Die is hier het lidwoord in “die Tasche” en verwijst naar de specifieke tas die georganiseerd wordt. Het staat vóór “Tasche” in “Ich ordne die Tasche jetzt”. Gebruik “die Tasche” wanneer je naar deze bepaalde tas verwijst.
jetzt Jetzt betekent “nu” en geeft aan dat het organiseren op dit moment gebeurt. In “Ich ordne die Tasche jetzt” staat het achter de handeling en het voorwerp. Gebruik “jetzt” om een handeling aan het huidige moment te koppelen.
Dann Dann betekent hier “dan” en introduceert het gevolg van het organiseren van de tas. In “Dann wird es leichter” verwijst het naar het moment nadat de tas op orde is gebracht. Gebruik “Dann” om een volgende stap of gevolg aan te kondigen.
wird Wird betekent hier “wordt” in “wird es leichter”. Het geeft aan dat iets als gevolg van de nieuwe ordening gemakkelijker wordt. Gebruik “wird es” vóór een beschrijving van een verandering, zoals in “wird es leichter”.
leichter Leichter betekent hier “makkelijker” en beschrijft het resultaat van het organiseren van de tas. In “wird es leichter, Dinge zu finden” gaat het erom dat spullen gemakkelijker te vinden zijn. Gebruik “leichter” om aan te geven dat een handeling minder moeilijk wordt.
Dinge Dinge betekent hier “dingen” of “spullen” en verwijst naar de voorwerpen in de tas. In “Dinge zu finden” zijn dat onder andere de bril, het notitieboek en de paraplu. Gebruik “Dinge” wanneer je meerdere voorwerpen algemeen benoemt.
zu Zu markeert hier de infinitiefconstructie “zu finden”. Samen met “leichter” vormt dit de betekenis dat het gemakkelijker wordt om iets te vinden. Gebruik “zu” vóór een werkwoord in een constructie zoals “leichter, Dinge zu finden”.
finden Finden betekent hier “vinden” in “Dinge zu finden”. Het beschrijft het terugvinden van spullen nadat de tas is georganiseerd. Gebruik “Dinge zu finden” om te zeggen dat je voorwerpen probeert terug te vinden.

Grammatica

damit + bijzin met het werkwoord achteraan

Ich ordne die Dinge, damit ich die Brille finde.

iech ord-nuh dee Ding-uh, da-mit iech dee Bril-luh fin-duh.

Ik orden de dingen, zodat ik de bril vind.

Na damit staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin.

Komparativ: leichter

Jetzt ist der Weg leichter.

yetst ist deuh week lai-ch-tuh.

Nu is de weg makkelijker.

De uitgang -er maakt leicht tot de vergrotende trap: makkelijker.

Duits woordenschat

bewegen werkwoord
buh-vee-gən verplaatsen

den Regenschirm bewegen

brauchen werkwoord
brauch-uh nodig hebben brauche

Ich brauche auch mein Notizbuch.

Brille zelfstandig naamwoord
Bril-luh bril

Ist meine Brille in dieser Tasche?

damit voegwoord
da-mit zodat

damit er nicht im Weg liegt

Griff zelfstandig naamwoord
grif handvat

neben den Griff

legen werkwoord
lee-gən leggen Leg

Leg ihn neben den Griff

neben voorzetsel
nee-bən naast

neben den Griff

Notizbuch zelfstandig naamwoord
No-tiets-boech notitieboek

mein Notizbuch

Regenschirm zelfstandig naamwoord
ree-gən-sjirm paraplu

unter deinem Regenschirm

Seitentasche zelfstandig naamwoord
zai-tən-tasjuh zijvak

in der Seitentasche

Tasche zelfstandig naamwoord
Tasjuh tas

in dieser Tasche

unter voorzetsel
oen-tuh onder

unter deinem Regenschirm

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Zit mijn bril in deze tas?

Antwoord tonenIst meine Brille in dieser Tasche?

Hij zit in het zijvak.

Antwoord tonenSie ist in der Seitentasche.

Ik heb ook mijn notitieboek nodig.

Antwoord tonenIch brauche auch mein Notizbuch.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

paraplu

Antwoord tonenRegenschirm

nodig hebben

Antwoord tonenbrauche

notitieboek

Antwoord tonenNotizbuch

zijvak

Antwoord tonenSeitentasche