Ist
Ist betekent hier “is” en staat aan het begin van de vraag “Ist meine Brille in dieser Tasche?”. De vraag gaat na of de bril zich in de tas bevindt. Gebruik “Ist” aan het begin van een vraag over de plaats of toestand van iets.
meine
Meine betekent hier “mijn” in “meine Brille”. Het geeft aan van wie de bril is en staat vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik een bezittelijk woord zoals “meine” vóór een zelfstandig naamwoord om bezit aan te geven.
Brille
Brille betekent hier “bril”, het voorwerp waarnaar A vraagt. In “meine Brille” wordt het concrete voorwerp benoemd dat zich wel of niet in de tas bevindt. Gebruik “Brille” wanneer je naar een bril verwijst, bijvoorbeeld in de combinatie “meine Brille”.
in
In geeft hier aan dat iets zich binnenin een tas bevindt: “in dieser Tasche”. Het beschrijft dus de plaats van “meine Brille”. Gebruik “in” vóór een tas, doos of andere ruimte waarin iets zich bevindt.
dieser
Dieser betekent hier “deze” in “dieser Tasche” en wijst naar een specifieke tas. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord om de bedoelde tas aan te wijzen. Gebruik “dieser” in een combinatie waarin je naar een bepaalde zaak verwijst.
Tasche
Tasche betekent hier “tas”, de plaats waar de bril wordt gezocht. In “dieser Tasche” wordt precies aangegeven om welke tas het gaat. Gebruik “Tasche” voor een tas waarin je spullen meeneemt of bewaart.
Sie
Sie betekent hier “ze” en verwijst naar “Brille”. In “Sie ist in der Seitentasche” wordt het eerder genoemde voorwerp niet herhaald. Gebruik “Sie” om opnieuw naar de bril te verwijzen nadat die al genoemd is.
der
Der is hier het lidwoord in “der Seitentasche”. Samen met “Seitentasche” vormt het de plaatsaanduiding waar de bril zich bevindt. Leer “in der Seitentasche” als bruikbare combinatie voor iets dat in het zijvak zit.
Seitentasche
Seitentasche betekent “zijvak”, hier het vak aan de zijkant van de tas. In “in der Seitentasche” geeft het aan waar de bril ligt of zit. Gebruik dit woord om een zijvak van een tas te benoemen.
Ich
Ich betekent “ik” en is de persoon die zegt dat hij of zij het notitieboek nodig heeft. Het staat hier vooraan in “Ich brauche auch mein Notizbuch”. Gebruik “Ich” als je over jezelf spreekt, bijvoorbeeld in “Ich brauche ...”.
brauche
Brauche betekent hier “heb nodig” in “Ich brauche auch mein Notizbuch”. Het drukt uit dat de spreker het notitieboek nodig heeft. Gebruik “Ich brauche” vóór het voorwerp dat je nodig hebt.
auch
Auch betekent hier “ook” en voegt het notitieboek toe aan de spullen die de spreker nodig heeft. Het staat in “Ich brauche auch mein Notizbuch” vóór het benoemde voorwerp. Gebruik “auch” om extra informatie of een extra voorwerp toe te voegen.
mein
Mein betekent hier “mijn” in “mein Notizbuch”. Het geeft aan dat het notitieboek van de spreker is en staat vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik “mein” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je bezit aangeeft.
Notizbuch
Notizbuch betekent “notitieboek”, het tweede voorwerp dat in de tas wordt gezocht. In “mein Notizbuch” wordt het specifieke notitieboek van de spreker genoemd. Gebruik “Notizbuch” voor een boekje waarin je aantekeningen maakt.
Es
Es betekent hier “het” en verwijst naar “Notizbuch”. In “Es liegt unter deinem Regenschirm” wordt het notitieboek opnieuw genoemd met een voornaamwoord. Gebruik “Es” om naar het eerder genoemde notitieboek te verwijzen.
liegt
Liegt betekent hier “ligt” of “bevindt zich” en beschrijft de positie van het notitieboek. In “Es liegt unter deinem Regenschirm” staat het voorwerp op een bepaalde plaats. Gebruik “liegt” bij een voorwerp waarvan je de liggende positie beschrijft.
unter
Unter betekent hier “onder” en geeft de plaats aan van het notitieboek ten opzichte van de paraplu. De volledige plaatsaanduiding is “unter deinem Regenschirm”. Gebruik “unter” om te zeggen dat iets lager of onder een ander voorwerp ligt.
deinem
Deinem betekent hier “jouw” in “deinem Regenschirm”. Het maakt duidelijk dat de paraplu van de aangesprokene is. Gebruik “deinem” vóór een zelfstandig naamwoord om naar iets van de andere persoon te verwijzen.
Regenschirm
Regenschirm betekent “paraplu”. In “deinem Regenschirm” is het de paraplu waaronder het notitieboek ligt, en later is het het voorwerp dat verplaatst wordt. Gebruik “Regenschirm” om een paraplu te benoemen.
Kann
Kann betekent hier “kan” en vraagt in “Kann ich den Regenschirm bewegen?” naar de mogelijkheid of toestemming om iets te doen. Het staat aan het begin van de vraag. Gebruik “Kann ich ...?” wanneer je vraagt of je iets mag of kunt doen.
den
Den is hier het lidwoord in “den Regenschirm” en verwijst naar de specifieke paraplu die verplaatst wordt. Het staat vóór het voorwerp van “bewegen”. Gebruik de combinatie “den Regenschirm bewegen” wanneer je deze paraplu wilt verplaatsen.
bewegen
Bewegen betekent hier “verplaatsen” in “den Regenschirm bewegen”. Het is de handeling waarnaar wordt gevraagd in “Kann ich den Regenschirm bewegen?”. Gebruik “Kann ich” gevolgd door een voorwerp en “bewegen” om te vragen of je iets kunt verplaatsen.
Leg
Leg betekent hier “leg neer” of “plaats” en is een opdracht om iets op een andere plek te leggen. In “Leg ihn neben den Griff” wordt gezegd waar de paraplu moet komen. Gebruik “Leg ...” om iemand direct te vragen iets neer te leggen.
ihn
Ihn betekent hier “hem” en verwijst naar “Regenschirm”. In “Leg ihn neben den Griff” voorkomt het dat “Regenschirm” opnieuw wordt herhaald. Gebruik “ihn” om naar de eerder genoemde paraplu te verwijzen.
neben
Neben betekent hier “naast” en geeft de nieuwe plaats van de paraplu aan. In “neben den Griff” wordt gezegd dat de paraplu naast het handvat moet komen. Gebruik “neben” vóór het voorwerp waar iets naast wordt geplaatst.
Griff
Griff betekent hier “handvat”, het herkenbare punt naast waar de paraplu moet liggen. De volledige plaatsaanduiding is “neben den Griff”. Gebruik “Griff” voor het deel waaraan je iets vasthoudt of bedient.
damit
Damit betekent hier “zodat” en verbindt het plaatsen van de paraplu met het gewenste resultaat. In “damit er nicht im Weg liegt” wordt uitgelegd waarom de paraplu daar moet liggen. Gebruik “damit” om een doel of gewenst gevolg aan te geven.
er
Er betekent hier “hij” en verwijst naar “Regenschirm”. In “damit er nicht im Weg liegt” wordt de paraplu opnieuw aangeduid zonder het zelfstandig naamwoord te herhalen. Gebruik “er” om naar de eerder genoemde paraplu te verwijzen.
nicht
Nicht betekent hier “niet” en ontkent de plaatsaanduiding “im Weg liegt”. De bedoeling is dat de paraplu niet in de weg ligt. Gebruik “nicht” om een handeling, toestand of plaatsaanduiding te ontkennen.
im
Im betekent hier “in het” in de vaste uitdrukking “im Weg liegen”. Het is de vorm die in deze plaatsaanduiding bij “Weg” wordt gebruikt. Gebruik “im Weg liegen” om te zeggen dat iets hinderlijk in de weg ligt.
Weg
Weg betekent hier niet een route, maar “de weg” in de uitdrukking “im Weg liegen”. Samen betekent “im Weg liegen” dat iets hinderlijk geplaatst is. Gebruik deze volledige uitdrukking wanneer een voorwerp ruimte blokkeert.
ordne
Ordne betekent hier “organiseer” of “breng op orde” in “Ich ordne die Tasche jetzt”. De spreker zegt dat die de tas op dit moment overzichtelijk maakt. Gebruik “Ich ordne” vóór het voorwerp dat je op orde brengt.
die
Die is hier het lidwoord in “die Tasche” en verwijst naar de specifieke tas die georganiseerd wordt. Het staat vóór “Tasche” in “Ich ordne die Tasche jetzt”. Gebruik “die Tasche” wanneer je naar deze bepaalde tas verwijst.
jetzt
Jetzt betekent “nu” en geeft aan dat het organiseren op dit moment gebeurt. In “Ich ordne die Tasche jetzt” staat het achter de handeling en het voorwerp. Gebruik “jetzt” om een handeling aan het huidige moment te koppelen.
Dann
Dann betekent hier “dan” en introduceert het gevolg van het organiseren van de tas. In “Dann wird es leichter” verwijst het naar het moment nadat de tas op orde is gebracht. Gebruik “Dann” om een volgende stap of gevolg aan te kondigen.
wird
Wird betekent hier “wordt” in “wird es leichter”. Het geeft aan dat iets als gevolg van de nieuwe ordening gemakkelijker wordt. Gebruik “wird es” vóór een beschrijving van een verandering, zoals in “wird es leichter”.
leichter
Leichter betekent hier “makkelijker” en beschrijft het resultaat van het organiseren van de tas. In “wird es leichter, Dinge zu finden” gaat het erom dat spullen gemakkelijker te vinden zijn. Gebruik “leichter” om aan te geven dat een handeling minder moeilijk wordt.
Dinge
Dinge betekent hier “dingen” of “spullen” en verwijst naar de voorwerpen in de tas. In “Dinge zu finden” zijn dat onder andere de bril, het notitieboek en de paraplu. Gebruik “Dinge” wanneer je meerdere voorwerpen algemeen benoemt.
zu
Zu markeert hier de infinitiefconstructie “zu finden”. Samen met “leichter” vormt dit de betekenis dat het gemakkelijker wordt om iets te vinden. Gebruik “zu” vóór een werkwoord in een constructie zoals “leichter, Dinge zu finden”.
finden
Finden betekent hier “vinden” in “Dinge zu finden”. Het beschrijft het terugvinden van spullen nadat de tas is georganiseerd. Gebruik “Dinge zu finden” om te zeggen dat je voorwerpen probeert terug te vinden.