Even uitrusten op de bank | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a workplace break room, two adults sit on a sofa, stretch, and plan to get coffee..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Even uitrusten op de bank oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich brauche eine kurze Pause.

iesj brau-guh ai-nuh koertsuh pau-zuh. Ik heb een korte pauze nodig.
B

Setzen wir uns auf das Sofa.

zetsun vier oens auf das zoo-fa. Laten we op de bank gaan zitten.
A

Kann ich etwas Kaffee bekommen?

kan iesj et-vas ka-fee buh-kom-un? Kan ik wat koffie krijgen?
B

In der Küche ist Kaffee.

in dea kuu-sjuh ist ka-fee. Er is koffie in de keuken.
A

Ich strecke mich erst ein bisschen, dann hole ich mir Kaffee.

iesj sjtre-kuh miesj eerst ain bis-sjuh(n), dan hoo-luh iesj miea ka-fee. Ik rek me eerst een beetje uit en dan haal ik koffie.
B

Dehnen hilft, wenn du müde bist.

dee-nun hilft, ven doe muu-duh bist. Rekken helpt als je moe bent.
A

Dieser Raum ist ruhig.

die-zuh raum ist roe-iesj. Deze kamer is rustig.
B

Wir können uns hier eine Weile ausruhen.

vier keu-nun oens hiea ai-nuh vai-luh aus-roe-un. We kunnen hier een tijdje uitrusten.

Woord voor woord

Ich ‘Ich’ betekent hier ‘ik’ en verwijst naar de persoon die een korte pauze nodig heeft. Het staat als onderwerp in ‘Ich brauche eine kurze Pause.’ Gebruik ‘Ich’ bijvoorbeeld om je eigen behoefte of handeling te benoemen.
brauche ‘brauche’ betekent hier ‘heb nodig’ in de zin ‘Ich brauche eine kurze Pause.’ Het is de vorm die bij ‘Ich’ hoort en wordt vaak gebruikt met een zelfstandig naamwoord voor wat je nodig hebt, zoals ‘eine kurze Pause’. Je gebruikt het bijvoorbeeld om op het werk om iets te vragen of een behoefte uit te drukken.
eine ‘eine’ betekent hier ‘een’ in ‘eine kurze Pause’ en introduceert een niet nader bepaalde pauze. Het hoort samen met ‘kurze Pause’ bij ‘Ich brauche’. Gebruik ‘eine’ in een nieuwe uitdrukking vóór een passend vrouwelijk zelfstandig naamwoord, wanneer je iets niet-specifieks bedoelt.
kurze ‘kurze’ betekent hier ‘korte’ en beschrijft de pauze in ‘eine kurze Pause’. De vorm staat direct vóór het zelfstandig naamwoord ‘Pause’. Je kunt ‘kurze’ bijvoorbeeld gebruiken om een korte onderbreking of korte activiteit te beschrijven.
Pause ‘Pause’ betekent hier ‘pauze’, een korte onderbreking van het werk. In ‘Ich brauche eine kurze Pause’ is het datgene wat de spreker nodig heeft. Je gebruikt ‘Pause’ bijvoorbeeld wanneer je wilt aangeven dat je even wilt stoppen of rusten.
Setzen ‘Setzen’ betekent hier ‘gaan zitten’ in de uitnodiging ‘Setzen wir uns auf das Sofa.’ Samen met ‘uns’ vormt het de aansporing om met elkaar te gaan zitten. Je gebruikt deze vorm bijvoorbeeld om iemand voor te stellen samen plaats te nemen.
wir ‘wir’ betekent hier ‘wij’ en verwijst naar de twee mensen die samen op de bank gaan zitten. In ‘Setzen wir uns auf das Sofa’ staat het na de werkwoordsvorm in de uitnodiging. Gebruik ‘wir’ wanneer jij en minstens één andere persoon samen iets doen.
uns ‘uns’ verwijst hier wederkerend naar ‘wij’ in ‘Setzen wir uns auf das Sofa’: de sprekers zetten zichzelf neer. Het hoort bij ‘Setzen’ en maakt duidelijk wie gaat zitten. Je gebruikt ‘uns’ in een vergelijkbare gezamenlijke handeling wanneer de betrokken personen iets met zichzelf doen.
auf ‘auf’ betekent hier ‘op’ en geeft in ‘auf das Sofa’ de plaats aan waarnaar de sprekers gaan zitten. Het vormt samen met ‘das Sofa’ de plaatsbepaling. Gebruik ‘auf’ bijvoorbeeld bij een oppervlak of zitplaats waar iemand naartoe gaat.
das ‘das’ betekent hier ‘het’ in ‘das Sofa’ en verwijst naar de concrete sofa in de ruimte. Het staat vóór ‘Sofa’ in de uitdrukking ‘auf das Sofa’. Je gebruikt ‘das’ wanneer je naar een bepaald onzijdig zelfstandig naamwoord verwijst.
Sofa ‘Sofa’ betekent hier ‘sofa’, de zitplaats waarop de twee personen willen gaan zitten. In ‘auf das Sofa’ is het de bestemming van de beweging. Je gebruikt ‘Sofa’ bijvoorbeeld om een meubelstuk in een woonkamer of pauzeruimte te benoemen.
Kann ‘Kann’ betekent hier ‘kan’ in de vraag ‘Kann ich etwas Kaffee bekommen?’ en vraagt of iets mogelijk is. Het staat aan het begin van de ja-neevraag, vóór ‘ich’. Je gebruikt ‘Kann’ bijvoorbeeld om beleefd te vragen of je iets mag krijgen of doen.
etwas ‘etwas’ betekent hier ‘wat’ of ‘een beetje’ in ‘etwas Kaffee’ en verwijst naar een niet nader bepaalde hoeveelheid koffie. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord ‘Kaffee’. Je gebruikt ‘etwas’ bijvoorbeeld wanneer je om een kleine of onbepaalde hoeveelheid vraagt.
Kaffee ‘Kaffee’ betekent hier ‘koffie’, de drank waar de spreker om vraagt en die in de keuken staat. In ‘etwas Kaffee’ benoemt het wat de spreker wil krijgen. Je gebruikt ‘Kaffee’ bijvoorbeeld bij het aanbieden, bestellen of halen van koffie.
bekommen ‘bekommen’ betekent hier ‘krijgen’ in ‘Kann ich etwas Kaffee bekommen?’ en benoemt het ontvangen van koffie. Het staat na ‘Kann ich’ als de handeling waarnaar gevraagd wordt. Je gebruikt ‘bekommen’ bijvoorbeeld om te vragen of iemand iets kan ontvangen.
In ‘In’ betekent hier ‘in’ en plaatst de koffie in ‘In der Küche’. Het staat aan het begin van de zin om de locatie te noemen. Je gebruikt ‘In’ bijvoorbeeld om te zeggen waar iets of iemand zich bevindt.
der ‘der’ betekent hier ‘de’ in ‘der Küche’ en verwijst naar de keuken als een bepaalde plaats. Samen met ‘In’ vormt het de locatieaanduiding ‘In der Küche’. Je gebruikt ‘der’ in een vergelijkbare vaste combinatie vóór een passend zelfstandig naamwoord.
Küche ‘Küche’ betekent hier ‘keuken’, de plaats waar de koffie staat. In ‘In der Küche ist Kaffee’ geeft het de locatie van de koffie aan. Je gebruikt ‘Küche’ bijvoorbeeld om een ruimte voor koken of een keuken op het werk te benoemen.
ist ‘ist’ betekent hier ‘is’ in ‘In der Küche ist Kaffee’ en zegt dat de koffie daar aanwezig is. Het verbindt de locatie met ‘Kaffee’. Je gebruikt ‘ist’ bijvoorbeeld om de aanwezigheid of plaats van iets te beschrijven.
strecke ‘strecke’ betekent hier ‘rek uit’ in ‘Ich strecke mich erst ein bisschen’. Samen met ‘mich’ beschrijft het dat de spreker zijn of haar lichaam rekt. Je gebruikt ‘strecke’ bijvoorbeeld wanneer je vóór het opstaan of na lang zitten je lichaam wilt losmaken.
mich ‘mich’ verwijst hier terug naar de spreker in ‘Ich strecke mich’. Het laat zien dat de spreker zichzelf uitrekt. Je gebruikt ‘mich’ in een vergelijkbare wederkerende handeling wanneer jij iets met jezelf doet.
erst ‘erst’ betekent hier ‘eerst’ en geeft in ‘Ich strecke mich erst ein bisschen, dann hole ich mir Kaffee’ de eerste stap aan. Het staat vóór de handeling die voorafgaat aan het halen van koffie. Je gebruikt ‘erst ..., dann ...’ om twee handelingen in volgorde te verbinden.
ein ‘ein’ draagt in ‘ein bisschen’ bij aan de betekenis ‘een beetje’ en geeft een kleine hoeveelheid aan. Samen met ‘bisschen’ vormt het de hoeveelheid die de spreker zich uitrekt. Je gebruikt ‘ein bisschen’ bijvoorbeeld om een kleine mate of hoeveelheid uit te drukken.
bisschen ‘bisschen’ betekent hier ‘beetje’ in ‘ein bisschen’ en maakt duidelijk dat de spreker slechts kort of in geringe mate rekt. Het wordt in deze zin gebruikt met ‘ein’. Gebruik ‘ein bisschen’ bijvoorbeeld om een kleine hoeveelheid of beperkte mate aan te geven.
dann ‘dann’ betekent hier ‘dan’ en introduceert in ‘dann hole ich mir Kaffee’ de handeling die daarna gebeurt. Het contrasteert in de volgorde met ‘erst’. Je gebruikt ‘erst ..., dann ...’ om duidelijk te maken wat eerst en wat vervolgens gebeurt.
hole ‘hole’ betekent hier ‘haal’ in ‘dann hole ich mir Kaffee’ en beschrijft dat de spreker koffie gaat halen. Het staat vóór het onderwerp ‘ich’ omdat ‘dann’ voorop staat. Je gebruikt ‘hole’ bijvoorbeeld om te zeggen dat je iets ergens gaat ophalen of halen.
mir ‘mir’ betekent hier ‘voor mij’ in ‘hole ich mir Kaffee’: de spreker haalt koffie voor zichzelf. Het staat samen met ‘hole’ en ‘Kaffee’ in de uitdrukking ‘hole ich mir Kaffee’. Je gebruikt ‘mir’ bijvoorbeeld wanneer je zegt dat je iets voor jezelf haalt of doet.
Dehnen ‘Dehnen’ betekent hier ‘rekken’ en benoemt de activiteit in ‘Dehnen hilft’. Het staat als onderwerp van de zin en wordt daardoor als activiteit behandeld. Je gebruikt ‘Dehnen’ bijvoorbeeld wanneer je uitlegt wat kan helpen bij vermoeidheid of stijfheid.
hilft ‘hilft’ betekent hier ‘helpt’ in ‘Dehnen hilft, wenn du müde bist.’ Het zegt dat rekken een nuttig effect heeft wanneer iemand moe is. Je gebruikt ‘hilft’ bijvoorbeeld met een activiteit of middel dat iemand in een bepaalde situatie ondersteunt.
wenn ‘wenn’ betekent hier ‘als’ en leidt in ‘wenn du müde bist’ de voorwaarde of situatie in waarin rekken helpt. Het verbindt de hoofdzin met de situatie van moe zijn. Je gebruikt ‘wenn’ bijvoorbeeld om te zeggen wanneer iets geldt of gebeurt.
du ‘du’ betekent hier ‘je’ en verwijst naar de persoon die moe kan zijn in ‘wenn du müde bist’. Het staat als onderwerp in de bijzin. Je gebruikt ‘du’ wanneer je één persoon rechtstreeks en informeel aanspreekt.
müde ‘müde’ betekent hier ‘moe’ en beschrijft de toestand van de aangesproken persoon in ‘du müde bist’. Het staat samen met ‘bist’ in de bijzin ‘wenn du müde bist’. Je gebruikt ‘müde’ bijvoorbeeld om te zeggen dat je energie nodig hebt of wilt rusten.
bist ‘bist’ betekent hier ‘bent’ in ‘du müde bist’ en beschrijft de toestand van de aangesproken persoon. Het hoort bij ‘du’ en staat aan het einde van de bijzin. Je gebruikt ‘bist’ bijvoorbeeld met een bijvoeglijk naamwoord om te zeggen hoe iemand zich voelt of in welke toestand iemand is.
Dieser ‘Dieser’ betekent hier ‘deze’ in ‘Dieser Raum ist ruhig’ en wijst naar de kamer waarin de sprekers zich bevinden. Het staat vóór ‘Raum’ en maakt de verwijzing specifiek. Je gebruikt ‘Dieser’ bijvoorbeeld om een bepaalde ruimte of zaak in je directe omgeving aan te wijzen.
Raum ‘Raum’ betekent hier ‘kamer’ of ‘ruimte’, namelijk de rustige ruimte waarin de sprekers pauzeren. In ‘Dieser Raum ist ruhig’ is het datgene wat beschreven wordt. Je gebruikt ‘Raum’ bijvoorbeeld om een kamer in een gebouw of werkplek te benoemen.
ruhig ‘ruhig’ betekent hier ‘rustig’ en beschrijft de kamer in ‘Dieser Raum ist ruhig’. Het geeft aan dat de ruimte weinig lawaai of activiteit heeft. Je gebruikt ‘ruhig’ bijvoorbeeld om een plek te beschrijven waar iemand ongestoord kan zitten of rusten.
können ‘können’ betekent hier ‘kunnen’ in ‘Wir können uns hier eine Weile ausruhen’ en drukt de mogelijkheid uit om daar te rusten. Het staat samen met ‘ausruhen’, dat de handeling benoemt. Je gebruikt ‘können’ bijvoorbeeld om te zeggen wat jij en anderen kunnen of mogen doen.
hier ‘hier’ betekent hier ‘hier’ en verwijst naar de huidige plaats, de rustige kamer. In ‘Wir können uns hier eine Weile ausruhen’ geeft het aan waar de sprekers kunnen rusten. Je gebruikt ‘hier’ om naar de plek van de spreker of gesprekspartner te verwijzen.
Weile ‘Weile’ betekent hier ‘tijdje’ in ‘eine Weile’ en geeft een onbepaalde, beperkte tijdsduur aan. Samen met ‘eine’ vormt het de uitdrukking ‘eine Weile’. Je gebruikt ‘eine Weile’ bijvoorbeeld om te zeggen dat iets enige tijd duurt zonder een precieze duur te noemen.
ausruhen ‘ausruhen’ betekent hier ‘uitrusten’ in ‘Wir können uns hier eine Weile ausruhen’. Het benoemt de activiteit die de sprekers in de rustige ruimte kunnen doen. Je gebruikt ‘ausruhen’ bijvoorbeeld tijdens een pauze wanneer je na inspanning of vermoeidheid wilt ontspannen.

Grammatica

sich setzen: Setzen wir uns

Setzen wir uns aufs Sofa.

zetsun vier oens aufs zoo-fa.

Gaan we op de bank zitten.

Bij een wederkerend werkwoord hoort een wederkerend voornaamwoord: sich wordt bij wir uns.

wenn + werkwoord achteraan

Wenn ich müde bin, ruhe ich mich aus.

ven iesj muu-duh bin, roe-uh iesj miesj aus.

Als ik moe ben, rust ik uit.

Na wenn staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin.

Duits woordenschat

bekommen werkwoord
buh-kom-un krijgen

Kann ich etwas Kaffee bekommen?

brauchen werkwoord
brau-gun nodig hebben brauche

Ich brauche eine kurze Pause.

ein bisschen uitdrukking
ain bis-sjuh(n) een beetje

ein bisschen

erst bijwoord
eerst eerst

Ich strecke mich erst ein bisschen.

etwas voornaamwoord
et-vas wat; een beetje

etwas Kaffee

Kaffee zelfstandig naamwoord
ka-fee koffie

etwas Kaffee

Küche zelfstandig naamwoord
kuu-sjuh keuken

In der Küche

kurz bijvoeglijk naamwoord
koerts kort kurze

eine kurze Pause

Pause zelfstandig naamwoord
pau-zuh pauze

eine kurze Pause

sich setzen werkwoord
ziesj zetsun gaan zitten Setzen wir uns

Setzen wir uns auf das Sofa.

sich strecken werkwoord
ziesj sjtre-kuh zich uitrekken strecke mich

Ich strecke mich erst ein bisschen.

Sofa zelfstandig naamwoord
zoo-fa bank

auf das Sofa

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik heb een korte pauze nodig.

Antwoord tonenIch brauche eine kurze Pause.

Laten we op de bank gaan zitten.

Antwoord tonenSetzen wir uns auf das Sofa.

Kan ik wat koffie krijgen?

Antwoord tonenKann ich etwas Kaffee bekommen?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

keuken

Antwoord tonenKüche

kort

Antwoord tonenkurze

koffie

Antwoord tonenKaffee

wat; een beetje

Antwoord tonenetwas