Ich
“Ich” betekent hier “ik” en verwijst naar de persoon die spreekt. Je gebruikt het als onderwerp wanneer je iets over jezelf zegt, zoals in “Ich fühle mich an meinem Schreibtisch müde.”
fühle
“fühle” betekent hier “voel” en beschrijft de ervaring van de spreker in “Ich fühle mich an meinem Schreibtisch müde.” Deze vorm hoort bij Ich en het patroon kun je gebruiken om te zeggen hoe je je voelt.
mich
“mich” verwijst in “Ich fühle mich an meinem Schreibtisch müde.” naar de spreker zelf. Het hoort bij de uitdrukking voor iets zelf ervaren of voelen en staat hier na fühle.
an
“an” betekent hier “aan” of “bij” en geeft de locatie aan in “an meinem Schreibtisch”. Je gebruikt het hier om aan te geven waar iemand zich bevindt of waar iets gebeurt.
meinem
“meinem” betekent hier “mijn” in “an meinem Schreibtisch” en maakt duidelijk dat het bureau van de spreker is. De vorm staat bij Schreibtisch binnen deze locatie-uitdrukking.
Schreibtisch
“Schreibtisch” betekent hier “bureau” of “schrijftafel” en verwijst naar de werkplek van de spreker. In “an meinem Schreibtisch” benoemt het de plaats waar de spreker zit.
müde
“müde” betekent hier “moe” en beschrijft de toestand van de spreker in “Ich fühle mich an meinem Schreibtisch müde.” Je kunt het gebruiken om vermoeidheid bij jezelf of iemand anders te beschrijven.
Lass
“Lass” geeft hier samen met uns het voorstel “laten we” weer in “Lass uns kurz das Fenster öffnen.” Je gebruikt deze vorm om iemand voor te stellen samen iets te doen.
uns
“uns” betekent hier “ons” en verwijst in “Lass uns kurz das Fenster öffnen.” naar de spreker en de aangesproken persoon samen. Het staat in dit voorstel vóór de handeling die jullie samen gaan uitvoeren.
kurz
“kurz” betekent hier “even” of “kort” en beperkt de duur van het openen van het raam in “Lass uns kurz das Fenster öffnen.” Je gebruikt het om aan te geven dat iets maar weinig tijd duurt.
das
“das” betekent hier “het” en hoort direct bij Fenster in “das Fenster”. Samen vormt het de woordgroep voor het raam dat geopend moet worden.
Fenster
“Fenster” betekent hier “raam” en is het voorwerp dat in “Lass uns kurz das Fenster öffnen.” geopend wordt. Je gebruikt het voor een raam in een gebouw of voertuig.
öffnen
“öffnen” betekent hier “openen” en benoemt de handeling in “Lass uns kurz das Fenster öffnen.” Het is de vorm die na Lass uns staat wanneer je samen een handeling voorstelt.
brauche
“brauche” betekent hier “heb nodig” in “Ich brauche etwas frische Luft.” Het is de vorm bij Ich en je kunt hetzelfde patroon gebruiken om een behoefte aan iets uit te drukken.
etwas
“etwas” betekent hier “wat” of “een beetje” in “Ich brauche etwas frische Luft.” Het geeft aan dat de spreker een onbepaalde hoeveelheid frisse lucht nodig heeft.
frische
“frische” betekent hier “frisse” en beschrijft Luft in “Ich brauche etwas frische Luft.” De vorm staat vóór het zelfstandig naamwoord dat de lucht benoemt.
Luft
“Luft” betekent hier “lucht” in “Ich brauche etwas frische Luft.” Het woord benoemt wat de spreker nodig heeft om zich beter te voelen.
Die
“Die” betekent hier “de” en hoort bij Luft in “Die Luft draußen fühlt sich kühl an.” Samen vormt het het onderwerp van de zin over de lucht buiten.
draußen
“draußen” betekent hier “buiten” en geeft aan waar de lucht vandaan komt in “Die Luft draußen fühlt sich kühl an.” Je gebruikt het om een plaats buiten aan te duiden.
fühlt
“fühlt” betekent hier “voelt” in “Die Luft draußen fühlt sich kühl an.” Samen met sich en an beschrijft het hoe iets aanvoelt; dit patroon gebruik je om een indruk van aanraking of temperatuur te geven.
sich
“sich” hoort in “Die Luft draußen fühlt sich kühl an.” bij de uitdrukking waarmee je zegt hoe iets aanvoelt. Het verwijst hier naar Die Luft, niet naar een afzonderlijke persoon.
kühl
“kühl” betekent hier “koel” en beschrijft hoe de lucht buiten aanvoelt in “Die Luft draußen fühlt sich kühl an.” Je gebruikt het voor een lage, maar niet noodzakelijk zeer koude temperatuur.
Können
“Können” betekent hier “kunnen” in de vraag “Können wir uns am Fenster ausruhen?” Het vraagt of iets mogelijk is en staat hier aan het begin van de vraag.
wir
“wir” betekent hier “wij” of “we” en verwijst naar de spreker en de andere persoon samen. In “Können wir uns am Fenster ausruhen?” is het de groep die mogelijk gaat rusten.
am
“am” betekent hier “bij het” in “am Fenster” en geeft de plaats van het rusten aan. Het is een vaste verkorte vorm die je vaak in plaatsaanduidingen gebruikt.
ausruhen
“ausruhen” betekent hier “uitrusten” in “Können wir uns am Fenster ausruhen?” Het benoemt de handeling die volgens de vraag bij het raam kan plaatsvinden en wordt hier gebruikt na Können.
hier
“hier” betekent “hier” en verwijst in “Wir können hier kurz Pause machen.” naar de huidige plaats. Je gebruikt het om de plaats van een handeling aan te geven.
Pause
“Pause” betekent hier “pauze” in “Wir können hier kurz Pause machen.” Samen met machen vormt het de uitdrukking voor pauze nemen of houden.
machen
“machen” betekent hier niet letterlijk “maken”, maar draagt in “Pause machen” bij aan de betekenis “pauze nemen” of “pauze houden”. Deze combinatie gebruik je wanneer iemand tijdens werk of een andere activiteit onderbreekt.
jetzt
“jetzt” betekent hier “nu” in “Ich fühle mich jetzt weniger müde.” Het geeft aan dat de verminderde vermoeidheid op dit moment geldt.
weniger
“weniger” betekent hier “minder” en vergelijkt de huidige vermoeidheid met de eerdere toestand in “Ich fühle mich jetzt weniger müde.” Je gebruikt het om een kleinere hoeveelheid of lagere graad aan te geven.
bald
“bald” betekent hier “binnenkort” in “Lass uns bald wieder arbeiten gehen.” Het geeft aan dat het teruggaan naar het werk na korte tijd zal gebeuren.
wieder
“wieder” betekent hier “weer” en geeft aan dat de personen opnieuw aan het werk gaan in “Lass uns bald wieder arbeiten gehen.” Je gebruikt het wanneer een handeling of toestand opnieuw plaatsvindt.
arbeiten
“arbeiten” betekent hier “werken” in de combinatie “arbeiten gehen”. Samen beschrijven de woorden het doel van het gaan; de uitdrukking past bij het moment waarop iemand weer met werk begint.
gehen
“gehen” betekent hier “gaan” in “arbeiten gehen” en beschrijft de beweging terug naar het werk. In deze combinatie geeft arbeiten aan waarvoor iemand gaat; wieder voegt het idee van opnieuw toe.