Meine
“Meine” betekent hier “mijn” en hoort bij “Meine Augen”. Het is een vorm van het bezittelijke woord “mein” vóór het meervoud “Augen”; gebruik “mein/dein” om bezit aan te geven, zoals in “deine Augen”.
Augen
“Augen” betekent hier “ogen”, de lichaamsdelen die moe zijn. Het is het meervoud van “Auge”. Je gebruikt het bijvoorbeeld in “Meine Augen sind müde” wanneer je vermoeide ogen beschrijft.
sind
“Sind” betekent hier “zijn” en verbindt “Meine Augen” met “müde”. Het is een vorm van “sein” die bij een meervoudig onderwerp staat. Gebruik het patroon “Meine Augen sind ...” om iets over je ogen te zeggen.
müde
“Müde” betekent hier “moe” en beschrijft de toestand van de ogen. Het woord komt na “sind” in “Meine Augen sind müde”. Je gebruikt “müde” bijvoorbeeld wanneer je uitlegt waarom je een pauze nodig hebt.
Mach
“Mach” betekent hier “neem” of “doe” in de aansporing “Mach eine kurze Pause”. Het is de bevelsvorm van “machen” voor één persoon; aan het begin van de andere aansporing staat dezelfde vorm als “mach”. Gebruik “Mach eine Pause” om iemand informeel aan te raden pauze te nemen.
eine
“Eine” betekent hier “een” in “eine kurze Pause” en verwijst naar één pauze. Het hoort bij het vrouwelijke woord “Pause”. Gebruik “eine” ook in een patroon als “eine kurze Pause machen”.
kurze
“Kurze” betekent hier “korte” en beschrijft de pauze als kort van duur. Het is een vorm van “kurz” in “eine kurze Pause”. Je gebruikt deze combinatie wanneer je iemand een korte onderbreking aanraadt.
Pause
“Pause” betekent hier “pauze”, een korte onderbreking van het kijken naar het scherm. In “eine Pause machen” betekent het samen met “machen” een pauze nemen. Je gebruikt “Pause” op het werk of tijdens een andere activiteit die je tijdelijk onderbreekt.
vom
“Vom” betekent hier “van het” in “vom Bildschirm”, dus een pauze weg van het scherm. Het is de vaste samengetrokken vorm van “von dem”. Gebruik “vom” vóór een mannelijk of onzijdig zelfstandig naamwoord, zoals in “eine Pause vom Bildschirm”.
Bildschirm
“Bildschirm” betekent hier “scherm”, het scherm waarvan je even weg moet kijken. Het woord staat in “vom Bildschirm”. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je over een computer- of telefoonscherm praat.
Wie
“Wie” betekent hier “hoe” en begint de vraag “Wie lange soll ich wegschauen?”. Samen met “lange” vraagt het naar de duur. Gebruik het patroon “Wie lange ...?” wanneer je wilt weten hoelang iets duurt.
lange
“Lange” betekent hier “lang” in de vraag naar de duur van het wegkijken. In “Wie lange ...?” vormt het een vraag naar tijdsduur. Je gebruikt deze vraag bijvoorbeeld wanneer iemand een instructie geeft zonder de duur te noemen.
soll
“Soll” betekent hier “moet” of “zou moeten” en vraagt welke handeling wordt aanbevolen. Het is een vorm van “sollen” in “Wie lange soll ich wegschauen?”. Gebruik het patroon “Soll ich ...?” om te vragen wat je hoort te doen.
ich
“Ich” betekent hier “ik” en is degene die moet wegkijken en later water kan drinken. Het staat als onderwerp in “soll ich wegschauen?” en “Ich kann ...”. Gebruik “ich” om over je eigen handeling of toestand te spreken.
wegschauen
“Wegschauen” betekent hier “wegkijken”, dus niet meer naar het scherm kijken. Het is de infinitief van de scheidbare uitdrukking “wegschauen” en staat na “soll” aan het einde van de vraag. Gebruik “wegschauen” in een patroon als “Soll ich wegschauen?” wanneer je vraagt of je ergens van weg moet kijken.
Schau
“Schau” betekent hier “kijk” en geeft informeel een instructie. Het is de bevelsvorm van “schauen”; samen met het latere “weg” vormt het “Schau ... weg”. Gebruik “Schau eine Minute lang weg” om iemand te zeggen dat die persoon ergens niet naar moet blijven kijken.
Minute
“Minute” betekent hier “minuut”, de tijdsduur van het wegkijken. Het staat in de tijdsuitdrukking “eine Minute lang”. Je gebruikt deze combinatie wanneer je een korte, concrete duur aangeeft.
lang
“Lang” betekent hier “lang” in “eine Minute lang” en geeft aan hoelang de handeling duurt. Samen met een tijdswoord vormt het een duuruitdrukking. Gebruik bijvoorbeeld “eine Minute lang” om de gewenste duur van een handeling te noemen.
weg
“Weg” betekent hier “weg” en hoort bij “Schau ... weg”, dus kijk weg van het scherm. Het is het afgesplitste deel van “wegschauen” en staat in deze hoofdzin achter de rest van de zin. Gebruik het patroon “Schau ... weg” bij een informele instructie om niet naar iets te kijken.
kann
“Kann” betekent hier “kan” en drukt uit dat de spreker tijdens de pauze water kan drinken. Het is een vorm van “können” en staat vóór de infinitief “trinken”. Gebruik het patroon “Ich kann ... trinken” om een mogelijkheid of beschikbare handeling te noemen.
trinken
“Trinken” betekent hier “drinken” en is de handeling die tijdens de rustpauze mogelijk is. Het staat als infinitief na “kann” in “Ich kann etwas Wasser trinken”. Je gebruikt “trinken” bijvoorbeeld met een drank als object.
etwas
“Etwas” betekent hier “wat” en geeft een niet nader bepaalde hoeveelheid water aan. Het staat vóór “Wasser” in “etwas Wasser trinken”. Gebruik “etwas” vóór een hoeveelheid of substantie die je niet precies wilt bepalen.
Wasser
“Wasser” betekent hier “water”, de drank die de spreker tijdens de pauze kan nemen. In “etwas Wasser trinken” staat het zonder bepaald lidwoord. Je gebruikt deze uitdrukking wanneer je een kleine of onbepaalde hoeveelheid water bedoelt.
während
“Während” betekent hier “terwijl” en verbindt het drinken met het rusten. In “während ich mich ausruhe” leidt het een bijzin in waarin “ausruhe” achteraan staat. Gebruik “während” om twee handelingen te verbinden die tegelijk plaatsvinden.
mich
“Mich” verwijst hier terug naar “ich” in “ich mich ausruhe” en hoort bij de reflexieve uitdrukking “sich ausruhen”. Het laat zien dat de spreker zelf rust. Gebruik de constructie “ich ruhe mich aus” of in deze bijzin “ich mich ausruhe” om te zeggen dat je uitrust.
ausruhe
“Ausruhe” betekent hier “uitrust” in “während ich mich ausruhe”. Het is een vorm van “ausruhen” en staat in deze bijzin aan het einde. Gebruik “mich ausruhen” wanneer je tijdens een pauze wilt zeggen dat je rust neemt.
Dann
“Dann” betekent hier “dan” en geeft het gevolg of de volgende stap aan: na de pauze kan de spreker verder. Het staat in “Dann kann ich ...”. Gebruik “Dann” om een handeling te verbinden met wat eraan voorafgaat.
sollten
“Sollten” betekent hier “zouden moeten” en drukt de verwachting uit dat de ogen zich beter gaan voelen. Het staat vóór “sich besser anfühlen” in “Dann sollten sich deine Augen besser anfühlen”. Gebruik “sollten” om een verwachting of voorzichtige verwachting over een resultaat te geven.
sich
“Sich” hoort hier bij “sich besser anfühlen” en verwijst naar “deine Augen”, die een bepaalde toestand ervaren. Het maakt deel uit van de reflexieve uitdrukking voor hoe iets aanvoelt. Gebruik de constructie “sich ... anfühlen” om te beschrijven hoe iets voelt.
deine
“Deine” betekent hier “jouw” en geeft aan dat de ogen van de aangesproken persoon zijn. Het staat in “deine Augen”; het is een vorm van het bezittelijke woord “dein”. Gebruik “deine” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je bezit van de ander aangeeft.
besser
“Besser” betekent hier “beter” en beschrijft een verbeterd gevoel van de ogen na de pauze. Het is de vergelijkende vorm van “gut”. Gebruik “sich besser anfühlen” wanneer iets na een verandering beter aanvoelt.
anfühlen
“Anfühlen” betekent hier “aanvoelen” in de uitdrukking “sich besser anfühlen”. Het staat als infinitief na “sollten”. Gebruik het patroon “sich ... anfühlen” om een lichamelijk of ander ervaren gevoel te beschrijven.
die
“Die” betekent hier “de” in “die Aufgabe” en verwijst naar een specifieke taak. Het hoort bij het vrouwelijke zelfstandig naamwoord “Aufgabe”. Gebruik “die Aufgabe” wanneer beide gesprekspartners weten over welke taak het gaat.
Aufgabe
“Aufgabe” betekent hier “taak”, het werk dat na de pauze wordt afgemaakt. Het staat in “die Aufgabe fertig machen”. Je gebruikt “Aufgabe” voor een concrete opdracht op het werk of tijdens het leren.
fertig
“Fertig” betekent hier “af” of “klaar” in “die Aufgabe fertig machen”. Samen met “machen” vormt het de uitdrukking “fertig machen”, dus een taak voltooien. Gebruik “etwas fertig machen” wanneer je zegt dat je iets afmaakt.
machen
“Machen” betekent hier “maken” in de uitdrukking “die Aufgabe fertig machen”, met de betekenis een taak afmaken. Het is de infinitief na “kann”. Gebruik het patroon “etwas fertig machen” voor iets dat je voltooit.
zuerst
“Zuerst” betekent hier “eerst” en bepaalt de volgorde van de instructies. In “Mach zuerst die Pause” komt de pauze vóór het afmaken van de taak. Gebruik “zuerst” om de eerste stap van een reeks aan te geven.
und
“Und” betekent hier “en” en verbindt de twee instructies in dezelfde zin. Het koppelt “Mach zuerst die Pause” aan “mach danach die Aufgabe fertig”. Gebruik “und” om twee samenhangende handelingen of zinnen te verbinden.
danach
“Danach” betekent hier “daarna” en geeft aan dat de taak pas na de pauze wordt afgemaakt. Het staat in “mach danach die Aufgabe fertig”. Gebruik “zuerst ... und danach ...” om een duidelijke volgorde van handelingen te beschrijven.