Elke dag 10 minuten gratis
Ga verder met audiolessen in de app
Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.
Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm
Kies je leertaal en open deze les in de app.
Over deze les
Met Weer aan het werk oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.
Dialoog
Fühlst du dich bereit, wieder zu arbeiten?
fuulst doe diesj be-rait, wie-da tsoe ar-bai-ten? Voel je je klaar om weer aan het werk te gaan?Ich fühle mich jetzt besser.
iesj fuule miesj jets bes-er. Ik voel me nu beter.Sollen wir zurück zum Schreibtisch gehen?
zollen wier tsoe-ruk tsoem sjraip-tisj gee-en? Zullen we teruggaan naar het bureau?Die Pause ist vorbei, also lass uns loslegen.
die pauze ist for-bai, al-tso las oens loos-lee-gen. De pauze is voorbij, dus laten we aan de slag gaan.Ich brauche die Datei für die nächste Aufgabe.
iesj brau-che die da-tai fuur die nesj-ste auf-gaa-be. Ik heb het bestand nodig voor de volgende taak.Sie liegt auf dem Schreibtisch.
zie liekt auf deem sjraip-tisj. Het ligt op het bureau.Ich kann mich jetzt besser konzentrieren.
iesj kan miesj jets kon-tsen-trie-ren. Ik kan me nu beter concentreren.Dann fangen wir mit der Datei an.
dan fang-en wier mit dea da-tai an. Dan beginnen we met het bestand.Uitleg van de zinnen
Fühlst du dich bereit, wieder zu arbeiten?
Voel je je klaar om weer aan het werk te gaan?
- Fühlst du dich
- voel je je
- bereit
- klaar
- wieder
- weer, opnieuw
- arbeiten
- werken
Uitgebreide uitleg
Fühlst du dich gebruikt het reflexieve werkwoord sich fühlen: “zich voelen”. Fühlst is de tegenwoordige tijd van fühlen bij du; de ü staat ook al in de infinitief fühlen, dus hier is geen klinkerwisseling. dich is het reflexieve voornaamwoord dat bij du hoort. In een gewone Duitse ja-neevraag staat het vervoegde werkwoord voor het onderwerp: Fühlst du dich ...? Het contextvoorbeeld Ich fühle mich jetzt besser. betekent “Ik voel me nu beter” en laat dezelfde constructie bij ich zien: fühle en mich. bereit betekent hier “klaar” of “gereed”. Het bijvoeglijk naamwoord beschrijft de toestand die iemand ervaart na sich fühlen. De combinatie sich bereit fühlen, zu ... kan aangeven dat iemand zich klaar voelt om iets te doen. wieder betekent hier “weer” en geeft aan dat het werken opnieuw plaatsvindt of wordt hervat. Het staat in deze zin vóór zu arbeiten. arbeiten is de infinitief en basisvorm met de betekenis “werken”. Met zu ontstaat zu arbeiten, de Duitse infinitiefconstructie in bereit, wieder zu arbeiten. Een vergelijkbaar patroon is bereit, zu gehen = “klaar om te gaan”. Samen vormt de zin de vraag Fühlst du dich bereit, wieder zu arbeiten?: “Voel je je klaar om weer aan het werk te gaan?” Fühlst draagt de persoons- en tijdsvorm, terwijl arbeiten als infinitief in de zu-constructie blijft. De hele vraag gaat over ervaren gereedheid om het werken te hervatten.
Ich fühle mich jetzt besser.
Ik voel me nu beter.
- Ich
- ik
- fühle mich
- voel me
- jetzt
- nu
- besser
- beter
Uitgebreide uitleg
Ich betekent hier “ik” en is de vorm voor de spreker als onderwerp. In het Duits verandert dit persoonlijke voornaamwoord volgens de grammaticale rol: ich is onderwerp, terwijl bijvoorbeeld mich de vorm is voor een betrokken persoon als lijdend voorwerp. Voorbeeld: Ich lerne. — “Ik leer.” fühle mich komt van fühlen (“voelen”). In deze zin staat fühle in de tegenwoordige tijd voor ich; mich verwijst terug naar dezelfde spreker. Het werkwoord wordt hier wederkerend gebruikt: sich fühlen betekent “zich voelen”. De relevante combinatie is dus ich fühle mich — “ik voel me”. Bij andere personen verandert zowel het werkwoord als het wederkerende voornaamwoord: Du fühlst dich gut. — “Je voelt je goed.” jetzt betekent “nu” en plaatst de toestand in het huidige moment. Het kan ook in andere zinnen staan, bijvoorbeeld: Jetzt arbeite ich. — “Nu werk ik.” besser is de vergrotende trap van gut: gut — “goed”, besser — “beter”, am besten — “het best”. Hier beschrijft besser hoe de spreker zich nu voelt; het vergelijkt de huidige toestand met een eerdere of andere toestand, zonder zelf precies te zeggen waardoor die toestand beter is. Voorbeeld: Heute geht es mir besser. — “Vandaag gaat het beter met me.” Samen vormen de delen Ich fühle mich + jetzt + besser de betekenis: “Ik voel me nu beter.” De zin zegt dat de spreker op dit moment een verbeterde toestand ervaart.
Sollen wir zurück zum Schreibtisch gehen?
Zullen we teruggaan naar het bureau?
- Sollen wir
- zullen we
- zurück
- terug
- zum
- naar het
- Schreibtisch
- bureau
- gehen
- gaan
Uitgebreide uitleg
Sollen wir bevat sollen in de tegenwoordige tijd bij wir (eerste persoon meervoud) en het persoonlijk voornaamwoord wir (“wij”). In een vraag als deze maakt sollen een voorstel: “zullen we …?” Dat verschilt van wollen (“willen”), dat de eigen wil sterker benadrukt. Voorbeeld: Sollen wir anfangen? = “Zullen we beginnen?” zurück is een bijwoord met de betekenis “terug”. Het geeft hier de richting van de beweging aan: terug naar een eerder genoemde of bekende plaats. Voorbeeld: Wir gehen zurück. = “We gaan terug.” zum is de samengevoegde vorm van zu dem. zu drukt hier de bestemming of richting naar een plaats uit; dem is de datiefvorm van het bepaalde lidwoord bij een mannelijk of onzijdig zelfstandig naamwoord. De vorm zum zelf draagt dus geen getalsbetekenis. Schreibtisch betekent “bureau” in de zin van een schrijftafel of werktafel. Het zelfstandig naamwoord is mannelijk: der Schreibtisch; na zu staat het in de datief, waardoor zu dem Schreibtisch de verkorte vorm zum Schreibtisch wordt. Voorbeeld: Ich sitze am Schreibtisch. = “Ik zit aan het bureau.” gehen is de infinitief “gaan”. Na een modaal werkwoord zoals sollen blijft het hoofdwerkwoord in de infinitief en staat het in deze vraag aan het einde: Sollen wir ... gehen? Dit patroon kun je hergebruiken met andere werkwoorden, bijvoorbeeld Sollen wir warten? = “Zullen we wachten?” Samen vormen de delen de vraag Sollen wir zurück zum Schreibtisch gehen?: de spreker stelt voor dat de betrokken groep teruggaat naar het bureau. zurück geeft “terug” aan, zum Schreibtisch de bestemming en gehen de handeling; Sollen wir maakt er een voorstel in vraagvorm van.
Die Pause ist vorbei, also lass uns loslegen.
De pauze is voorbij, dus laten we aan de slag gaan.
- Pause
- pauze
- ist vorbei
- is voorbij
- also
- dus
- lass uns
- laten we …
- loslegen
- beginnen; aan de slag gaan
Uitgebreide uitleg
Pause betekent hier “pauze”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Pause is de bepaalde vorm in het enkelvoud. Het meervoud is die Pausen. Voorbeeld: Die Pause ist kurz. — “De pauze is kort.” ist vorbei bestaat uit ist, de derde persoon enkelvoud van sein, en vorbei, dat hier “voorbij” of “afgelopen” betekent. Vorbei verandert in deze predicatieve uitdrukking niet mee met het onderwerp. De combinatie Die Pause ist vorbei zegt dus dat de pauze geëindigd is. also verbindt een gevolgtrekking met wat ervoor staat: “dus” of “daarom”. Het introduceert hier de handeling die volgens de spreker nu volgt. lass uns is een informele aansporing aan één persoon. Lass is de gebiedende wijs van lassen voor du; uns betekent “ons” en maakt de constructie “laten we …”. In Lass uns warten. betekent dit bijvoorbeeld: “Laten we wachten.” Het onderwerp van de voorgestelde handeling is in deze constructie “wij”. loslegen betekent “beginnen” of “aan de slag gaan”. Het is een scheidbaar werkwoord: in een gewone hoofdzin kan los van legen worden gescheiden, bijvoorbeeld Wir legen los. Na Lass uns blijft het werkwoord echter als infinitief samen: Lass uns loslegen. Samen betekent de zin: “De pauze is voorbij, dus laten we aan de slag gaan.” Die Pause ist vorbei geeft de aanleiding, also leidt het gevolg in, en lass uns loslegen is de informele aansporing om nu te beginnen.
Ich brauche die Datei für die nächste Aufgabe.
Ik heb het bestand nodig voor de volgende taak.
- brauche
- heb nodig
- Datei
- bestand
- für
- voor
- nächste
- volgende
- Aufgabe
- taak
Uitgebreide uitleg
brauche komt van brauchen en is de tegenwoordige tijd voor de eerste persoon enkelvoud: ich brauche = “ik heb nodig”. Het onderwerp is hier Ich; samen vormen ze een veelgebruikt patroon om een behoefte uit te drukken. Voorbeeld: Ich brauche Hilfe. — “Ik heb hulp nodig.” Datei betekent hier “bestand”. Het is een zelfstandig naamwoord met het vrouwelijke grammaticale geslacht: die Datei. Het meervoud is die Dateien. In deze zin is die Datei het bestand dat de spreker nodig heeft. für betekent “voor” en leidt hier een doel of bestemming in. Na für staat in het Duits de accusatief. Bij het vrouwelijke enkelvoud ziet het lidwoord er hier hetzelfde uit als in de nominatief: die. nächste betekent “volgende”. Het is de verbogen vorm van het bijvoeglijk naamwoord nächst-. In die nächste Aufgabe staat het bijvoeglijk naamwoord bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud en krijgt het de uitgang -e. Voorbeeld: die nächste Woche — “de volgende week”. Aufgabe betekent “taak” of “opdracht”. Het vrouwelijke lidwoord is die Aufgabe; het meervoud is die Aufgaben. Hier verwijst het woord naar de taak waarvoor het bestand nodig is. De delen vormen samen Ich brauche die Datei (“Ik heb het bestand nodig”) plus für die nächste Aufgabe (“voor de volgende taak”). De volledige betekenis is dus: “Ik heb het bestand nodig voor de volgende taak.”
Sie liegt auf dem Schreibtisch.
Het ligt op het bureau.
- Sie
- het (verwijzend naar het bestand)
- liegt
- ligt
- auf
- op
- Schreibtisch
- bureau
Uitgebreide uitleg
Sie betekent hier “het” en verwijst, volgens de vaste vertaling en de vorige zin, naar die Datei. Het is de vrouwelijke enkelvoudige vorm van het Duitse persoonlijke voornaamwoord in de eerste naamval. Aan het begin van een zin krijgt het bovendien een hoofdletter; midden in een zin zou deze vorm sie zijn. Dit is hier niet de beleefdheidsvorm “u”, omdat de vaste betekenis naar het bestand verwijst. liegt komt van liegen. De vorm is tegenwoordige tijd, derde persoon enkelvoud: ich liege, du liegst, sie liegt. In deze zin beschrijft liegen de plaats van een voorwerp: het bestand bevindt zich daar. Voor een persoon of een actieve plaatsing gebruikt het Duits vaak een ander werkwoord, bijvoorbeeld: Ich lege die Datei auf den Schreibtisch. — “Ik leg het bestand op het bureau.” auf betekent hier “op”. Het is een voorzetsel dat bij plaats zowel met de datief als met de accusatief kan staan. Bij een vaste locatie, zoals in deze zin, staat de datief. Bij een beweging naar die plaats staat vaak de accusatief: Die Datei liegt auf dem Schreibtisch. — “Het bestand ligt op het bureau.” tegenover Ich lege die Datei auf den Schreibtisch. — “Ik leg het bestand op het bureau.” Schreibtisch betekent “bureau” en is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Schreibtisch. Na auf staat het hier in de datief, waardoor der de vorm dem krijgt: auf dem Schreibtisch. Het meervoud is Schreibtische; bijvoorbeeld: Die Bücher liegen auf den Schreibtischen. — “De boeken liggen op de bureaus.” Samen vormen auf dem Schreibtisch de plaatsbepaling “op het bureau”. Sie liegt zegt dat het eerder genoemde bestand zich daar bevindt, en de volledige zin betekent dus: “Het ligt op het bureau.”
Ich kann mich jetzt besser konzentrieren.
Ik kan me nu beter concentreren.
- Ich kann
- ik kan
- mich
- me
- jetzt
- nu
- besser
- beter
- konzentrieren
- concentreren
Uitgebreide uitleg
Ich kann: ich is het onderwerp in de eerste persoon enkelvoud. kann is de vorm van het modale werkwoord können voor ich; het betekent hier dat de spreker daartoe in staat is. Bij können staat het andere werkwoord als infinitief aan het einde: Ich kann heute arbeiten. — Ik kan vandaag werken. mich: dit is de wederkerende vorm in de accusatief en verwijst hier naar dezelfde persoon als ich. Het werkwoord is sich konzentrieren; bij ich wordt dat ich konzentriere mich. Vergelijk: Sie konzentriert sich. — Zij concentreert zich. jetzt: een bijwoord met de betekenis ‘nu’; het plaatst de beschreven mogelijkheid in het huidige moment. Ich kann jetzt anfangen. — Ik kan nu beginnen. besser: de vergrotende trap van gut: gut — besser — am besten. Hier beschrijft besser dat het concentreren beter lukt dan eerder of dan onder een andere relevante omstandigheid. Heute kann ich mich besser konzentrieren. — Vandaag kan ik me beter concentreren. konzentrieren: de infinitief van het werkwoord sich konzentrieren, ‘zich concentreren’. Omdat kann het modale werkwoord is, staat deze infinitief zonder zu aan het einde. De combinatie sich konzentrieren neemt een wederkerend voornaamwoord dat met het onderwerp overeenkomt: ich ... mich, du ... dich, sie ... sich. Samen vormen de delen: Ich kann + mich ... konzentrieren = de spreker is in staat zich te concentreren; jetzt maakt dat ‘nu’, en besser geeft aan dat dit beter lukt dan eerder of in een andere vergelijking. De volledige betekenis is daarom: ‘Ik kan me nu beter concentreren.’
Dann fangen wir mit der Datei an.
Dan beginnen we met het bestand.
- Dann
- dan
- fangen … an
- beginnen
- wir
- we
- mit
- met
- Datei
- bestand
Uitgebreide uitleg
Dann betekent hier “dan” in de betekenis van “op dat moment” of “vervolgens”. Het verbindt deze handeling met iets dat al eerder is genoemd. Voorbeeld: Dann gehen wir nach Hause. — “Dan gaan we naar huis.” fangen ... an hoort bij het scheidbare werkwoord anfangen (“beginnen”). In deze hoofdzin staat het vervoegde deel fangen op de tweede positie en staat het voorvoegsel an aan het einde. De vorm fangen is hier de tegenwoordige tijd voor wir; vergelijk ich fange an en wir fangen an. Het zelfstandige werkwoord fangen kan in andere contexten ook “vangen” betekenen, maar dat is niet de betekenis in deze zin. wir betekent “we” en is de eerste persoon meervoud. Het is hier het onderwerp en dus degene(n) die beginnen. De werkwoordsvorm fangen past bij dit meervoudige onderwerp. mit betekent “met”. In de vaste constructie mit etwas anfangen betekent het “met iets beginnen”. Na mit staat in het Duits de datief. Daarom verschijnt het vrouwelijke zelfstandig naamwoord Datei met het lidwoord der: mit der Datei. Datei betekent “bestand”, bijvoorbeeld een computerbestand. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Datei in de basisvorm, maar der Datei na mit door de datief. Voorbeeld: Ich arbeite mit der Datei. — “Ik werk met het bestand.” Samen vormen mit der Datei en fangen ... an de herbruikbare structuur mit + datief + anfangen: “met iets beginnen”. De volledige zin Dann fangen wir mit der Datei an. betekent: “Dan beginnen we met het bestand.”
Grammatica
anfangen: fängt ... an
Ich fange mit der nächsten Aufgabe an.
iesj fang-e mit dea nesj-ste auf-gaa-be an.Ik begin met de volgende taak.
Bij het scheidbare werkwoord anfangen staat an aan het einde van de zin.
sich konzentrieren
Ich konzentriere mich jetzt.
iesj kon-tsen-trie-re miesj jets.Ik concentreer me nu.
Konzentrieren gebruikt een wederkerend voornaamwoord: ich konzentriere mich.
Duits woordenschat
Quiz
Woordvolgorde
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Ik voel me nu beter.
Antwoord tonen
Ich fühle mich jetzt besser.Zullen we teruggaan naar het bureau?
Antwoord tonen
Sollen wir zurück zum Schreibtisch gehen?Het ligt op het bureau.
Antwoord tonen
Sie liegt auf dem Schreibtisch.Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
zich
Antwoord tonen
sichbeter
Antwoord tonen
besservoelen
Antwoord tonen
Fühlstwerken