Kann
“Kann” drukt hier uit dat de spreker toestemming vraagt: “Kann ich die Schere benutzen?”. Het staat vooraan in een ja-neevraag; een bruikbaar patroon is “Kann ich …?”. Je gebruikt dit bijvoorbeeld wanneer je beleefd wilt vragen of je iets mag gebruiken.
ich
“ich” verwijst naar de persoon die spreekt: “ik”. In “Kann ich die Schere benutzen?” is het de persoon die iets wil doen. Een veelgebruikt patroon is “ich kann …” voor wat je kunt of mag doen.
die
“die” is hier het bepaalde lidwoord bij “Schere” in “die Schere”. Samen verwijst “die Schere” naar de concrete schaar waarover men het heeft. Je gebruikt dit bijvoorbeeld wanneer een specifiek voorwerp al bekend is.
Schere
“Schere” betekent hier “schaar”, het gereedschap dat de spreker wil gebruiken. Het woord staat in de woordgroep “die Schere”. Een bruikbaar patroon is “die Schere benutzen” wanneer je zegt dat je de schaar gebruikt.
benutzen
“benutzen” betekent hier “gebruiken” en staat aan het einde van de vraag “Kann ich die Schere benutzen?”. Na “kann” blijft dit werkwoord in deze vorm staan. Je gebruikt het met een voorwerp, zoals in “die Schere benutzen”.
Nimm
“Nimm” is een aansporing om iets aan te nemen of mee te nemen: “Nimm diese”. Het is de gebiedende vorm die hier bij een directe instructie past. Je gebruikt dit bijvoorbeeld wanneer je iemand een voorwerp aanreikt.
diese
“diese” betekent hier “deze” en verwijst naar de schaar die wordt aangeboden in “Nimm diese”. Het woord staat zelfstandig en vervangt het genoemde voorwerp. Je gebruikt het wanneer het bedoelde voorwerp dichtbij of duidelijk aangewezen is.
und
“und” verbindt hier twee instructies: “Nimm diese und halte die Klingen nach unten”. Het voegt de tweede handeling aan de eerste toe. Je gebruikt “und” om gelijkwaardige handelingen of mededelingen te verbinden.
halte
“halte” betekent hier “houd” in de instructie “halte die Klingen nach unten”. Het geeft aan dat de spreker wil dat iemand iets in een bepaalde stand houdt. Je gebruikt het met een voorwerp en een plaats- of richtingsaanduiding, zoals “halte … nach unten”.
Klingen
“Klingen” betekent hier “bladen”, de scherpe metalen delen van de schaar. Het woord staat in “die Klingen” als datgene wat naar beneden gericht moet blijven. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je veilig over de onderdelen van een schaar praat.
nach
“nach” geeft in “nach unten” de richting aan waarin de bladen gericht moeten zijn. Samen met “unten” vormt het de richtingsuitdrukking “naar beneden”. Je gebruikt “nach” hier met een richtingswoord, zoals in “nach unten”.
unten
“unten” betekent hier “beneden” of “naar beneden” in “nach unten”. Het beschrijft de richting waarin de bladen gehouden moeten worden. Je gebruikt het bijvoorbeeld om de positie of bewegingsrichting van iets aan te geven.
brauche
“brauche” betekent hier “heb nodig” in “Ich brauche auch etwas Klebeband”. De vorm hoort bij “ich” en drukt een behoefte aan een voorwerp uit. Een bruikbaar patroon is “Ich brauche …” gevolgd door wat je nodig hebt.
auch
“auch” betekent hier “ook” en voegt plakband toe aan wat de spreker al nodig heeft. In “Ich brauche auch etwas Klebeband” staat het bij de mededeling over een extra behoefte. Je gebruikt het om iets toe te voegen, bijvoorbeeld “Ich brauche auch …”.
etwas
“etwas” betekent hier “wat” of “een beetje” in “etwas Klebeband”. Het geeft een niet nader bepaalde hoeveelheid plakband aan. Je gebruikt het voor een onbepaalde hoeveelheid van iets, zoals “etwas Klebeband”.
Klebeband
“Klebeband” betekent hier “plakband”, het materiaal dat de spreker nodig heeft. Het staat in “etwas Klebeband” en later in “Das Klebeband”. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je om plakband vraagt of zegt waar het ligt.
Das
“Das” is hier het bepaalde lidwoord bij “Klebeband” in “Das Klebeband”. Samen verwijst de woordgroep naar het specifieke plakband dat in de gedeelde ruimte ligt. Je gebruikt dit wanneer het voorwerp al bekend of herkenbaar is.
ist
“ist” betekent hier “is” en zegt waar het plakband zich bevindt: “Das Klebeband ist in der Schublade”. Het verbindt het plakband met de plaatsaanduiding. Je gebruikt het bijvoorbeeld om de locatie van een voorwerp te beschrijven.
in
“in” geeft hier de plaats aan waar iets zich bevindt: “in der Schublade”. Het betekent in deze zin “in”. Je gebruikt het met een ruimte of houder om te zeggen dat iets zich daarbinnen bevindt.
der
“der” is hier het bepaalde lidwoord bij “Schublade” in “in der Schublade”. In deze plaatsaanduiding hoort deze vorm bij de vaste woordgroep. Je gebruikt “in der …” bijvoorbeeld om de locatie van een bekend voorwerp aan te geven.
Schublade
“Schublade” betekent hier “la”, de plaats waar het plakband ligt. Het staat in de woordgroep “in der Schublade”. Je gebruikt het bijvoorbeeld om een voorwerp in een lade te lokaliseren.
Hast
“Hast” betekent hier “heb je” in de vraag “Hast du auch ein Lineal?”. Het vraagt of de aangesprokene een liniaal heeft. Je gebruikt het aan het begin van een ja-neevraag met “du”, zoals “Hast du …?”.
du
“du” verwijst naar de aangesprokene: “jij”. In “Hast du auch ein Lineal?” is het de persoon aan wie gevraagd wordt of die een liniaal heeft. Je gebruikt het wanneer je iemand rechtstreeks aanspreekt.
ein
“ein” betekent hier “een” in “ein Lineal”. Het introduceert een niet nader bepaalde liniaal. Je gebruikt het voor een enkel voorwerp dat nog niet specifiek is aangewezen.
Lineal
“Lineal” betekent hier “liniaal”, het derde gereedschap waarnaar wordt gevraagd. Het staat in “ein Lineal” en wordt later opnieuw genoemd in “das Lineal”. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je een liniaal nodig hebt om iets te meten.
Ja
“Ja” betekent hier “ja” en bevestigt dat de aangesprokene een liniaal heeft. Het antwoord staat zelfstandig voor de verdere informatie “es liegt auf meinem Schreibtisch”. Je gebruikt het om een vraag bevestigend te beantwoorden.
es
“es” verwijst hier naar “das Lineal” en betekent “het” in “es liegt auf meinem Schreibtisch”. Het neemt het eerder genoemde voorwerp opnieuw op zonder “Lineal” te herhalen. Je gebruikt het zo om naar een onzijdig voorwerp te verwijzen.
liegt
“liegt” betekent hier “ligt” en beschrijft de positie van de liniaal op het bureau. In “es liegt auf meinem Schreibtisch” geeft het aan dat het voorwerp daar liggend aanwezig is. Je gebruikt het met een plaatsaanduiding voor iets dat ergens ligt.
auf
“auf” betekent hier “op” in “auf meinem Schreibtisch”. Het geeft aan dat de liniaal zich op het oppervlak van het bureau bevindt. Je gebruikt het bijvoorbeeld met een oppervlak wanneer je de locatie van een voorwerp beschrijft.
meinem
“meinem” betekent hier “mijn” in “meinem Schreibtisch” en geeft aan van wie het bureau is. Het staat samen met “Schreibtisch” in de plaatsaanduiding “auf meinem Schreibtisch”. Je gebruikt deze woordgroep bijvoorbeeld om de locatie op je eigen bureau te beschrijven.
Schreibtisch
“Schreibtisch” betekent hier “bureau”, de plaats waarop de liniaal ligt. Het staat in “auf meinem Schreibtisch”. Je gebruikt het bijvoorbeeld om te zeggen waar je een voorwerp hebt neergelegd of gevonden.
kannst
“kannst” betekent hier “kunt” in “Du kannst es von dort nehmen”. Het drukt uit dat de aangesprokene iets kan of mag doen. Je gebruikt het met een persoon en een handeling, zoals “Du kannst … nehmen”.
von
“von” betekent hier “van” of “vanaf” in “von dort”. Het geeft het vertrekpunt aan waarvandaan de liniaal genomen kan worden. Je gebruikt het bijvoorbeeld met een plaatsaanduiding om een herkomst of vertrekpunt te noemen.
dort
“dort” betekent hier “daar” en verwijst naar de eerder genoemde plek op het bureau. In “von dort” geeft het aan waarvandaan iemand het voorwerp kan nemen. Je gebruikt het om naar een plaats te verwijzen die voor de gesprekspartners duidelijk is.
nehmen
“nehmen” betekent hier “nemen” in “Du kannst es von dort nehmen”. Na “kannst” staat het werkwoord in deze vorm. Een bruikbaar patroon is “etwas von dort nehmen” wanneer je zegt dat iemand iets vanaf een bepaalde plek moet pakken.
bringe
“bringe” betekent hier “breng terug” in “Ich bringe alles zurück”. Samen met “zurück” vormt het de betekenis dat de spreker de geleende spullen terug zal brengen. Je gebruikt het bijvoorbeeld om te beloven dat je iets naar de oorspronkelijke plaats terugbrengt.
alles
“alles” betekent hier “alles” en verwijst naar alle geleende spullen samen. In “Ich bringe alles zurück” is het datgene wat teruggebracht wordt. Je gebruikt het wanneer je naar de volledige groep of hoeveelheid bedoelde dingen verwijst.
zurück
“zurück” geeft in “bringe alles zurück” aan dat iets naar de eerdere plaats of persoon teruggaat. Samen met “bringe” vormt het de uitdrukking voor terugbrengen. Je gebruikt het bij handelingen waarbij iets terugkeert naar waar het vandaan kwam.
wenn
“wenn” betekent hier “wanneer” of “als” en leidt de voorwaarde of het moment in: “wenn ich fertig bin”. Het verbindt de terugkeer van de spullen met het klaar zijn van de spreker. Je gebruikt “wenn” bijvoorbeeld om te zeggen wanneer iets zal gebeuren.
fertig
“fertig” betekent hier “klaar” in “wenn ich fertig bin”. Het beschrijft dat de spreker zijn of haar taak heeft afgerond. Je gebruikt het bijvoorbeeld om te zeggen dat je klaar bent met werken of een activiteit.
bin
“bin” betekent hier “ben” in “wenn ich fertig bin”. Samen met “fertig” vormt het de uitdrukking “klaar zijn”. Je gebruikt het met “ich” om je eigen toestand te beschrijven, zoals in “ich bin fertig”.
Lass
“Lass” is hier een instructie om iets op een bepaalde plaats te laten liggen: “Lass das Lineal oben liegen”. Het vraagt dus niet om het voorwerp te verplaatsen, maar om het daar te laten. Je gebruikt dit bijvoorbeeld wanneer iemand iets op zijn plaats moet laten.
oben
“oben” betekent hier “bovenop” in “oben liegen”. Het geeft de gewenste plek aan waar de liniaal moet blijven liggen. Je gebruikt het bijvoorbeeld om de bovenste of zichtbare positie van een voorwerp te beschrijven.
liegen
“liegen” betekent hier “liggen” in “Lass das Lineal oben liegen”. Samen met “Lass” beschrijft het dat de liniaal op die plek moet blijven. Je gebruikt het met een plaatsaanduiding voor een voorwerp dat liggend blijft.
damit
“damit” betekent hier “zodat” en introduceert het doel van de instructie: “damit ich es später finden kann”. Het maakt duidelijk dat de liniaal bovenop moet liggen om haar later terug te kunnen vinden. Je gebruikt “damit” om een doel of beoogd resultaat te verbinden met een handeling.
später
“später” betekent hier “later” en verwijst naar een moment na het huidige gesprek. In “es später finden” zegt de spreker wanneer die de liniaal wil terugvinden. Je gebruikt het om naar een later tijdstip te verwijzen.
finden
“finden” betekent hier “vinden” in “ich es später finden kann”. Na “kann” staat het werkwoord in deze vorm. Je gebruikt het met het voorwerp dat je terug wilt vinden, zoals in het patroon “etwas finden”.