Een oplader lenen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a shared space, one person borrows a charger and adapter and checks whether the cable can reach the table..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Een oplader lenen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Gibt es ein Ladegerät, das ich ausleihen kann?

gipt es ain laa-duh-guh-REET, das ich ous-lai-uhn kan? Is er een oplader die ik mag lenen?
B

Nimm das neben meinem Laptop.

nim das nee-buhn mai-nuhm leptop. Gebruik die naast mijn laptop.
A

Brauche ich diesen Adapter auch?

brau-guh ich dee-zuhn a-dap-tuh ouch? Heb ik deze adapter ook nodig?
B

Nimm ihn, wenn dein Stecker nicht passt.

nim ien, ven dain sjtekkuh nicht past. Gebruik hem als je stekker niet past.
A

Reicht das Kabel bis zum Tisch?

raicht das kaa-buhl bis tsoem tisj? Komt de kabel tot aan de tafel?
B

Das Kabel reicht bis zum Tisch, wenn du nahe an der Wand sitzt.

das kaa-buhl raicht bis tsoem tisj, ven doe naa-uh an deer vant zitst. De kabel komt tot aan de tafel als je bij de muur zit.
A

Ich lege alles zurück, wenn ich fertig bin.

ich lee-guh alluhs tsoe-ruk, ven ich fertich bin. Ik leg alles terug als ik klaar ben.
B

Lass es auf meinem Schreibtisch liegen, damit ich es finden kann.

las es auf mai-nuhm sjraip-tisj lieguhn, da-mit ich es fin-duhn kan. Laat het op mijn bureau liggen, zodat ik het kan vinden.

Woord voor woord

Gibt In de vraag „Gibt es ein Ladegerät ...?“ draagt „Gibt“ de betekenis van bestaan of aanwezig zijn. Het is de vorm van „geben“ die in de vaste vraagconstructie „Gibt es ...?“ wordt gebruikt om te vragen of iets er is.
es In „Gibt es ein Ladegerät ...?“ is „es“ het vaste element waarmee je in het Duits naar het bestaan of de aanwezigheid van iets vraagt. Samen met „Gibt“ vormt het de constructie „Gibt es ...?“; daarna volgt datgene waarnaar je vraagt.
ein „Ein“ betekent hier „een“ en verwijst naar één nog niet nader bepaald „Ladegerät“. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord in „ein Ladegerät“ en is bruikbaar wanneer je naar een willekeurig of onbekend exemplaar vraagt.
Ladegerät „Ladegerät“ betekent hier „oplader“, het apparaat waarnaar de spreker vraagt. In „ein Ladegerät“ staat het als het voorwerp dat iemand wil lenen; je gebruikt het bij het benoemen van een apparaat om iets op te laden.
das „Das“ heeft in deze dialoog twee functies. In „das ich ausleihen kann“ verwijst het naar het eerder genoemde „Ladegerät“, terwijl „Nimm das neben meinem Laptop“ met „das“ naar het bedoelde voorwerp verwijst; in beide gevallen gaat het om het genoemde ding.
ich „Ich“ betekent „ik“ en verwijst naar de spreker. In „das ich ausleihen kann“ is de spreker degene die wil lenen, en in „Ich lege alles zurück“ degene die alles teruglegt.
ausleihen „Ausleihen“ betekent hier iets lenen, namelijk het oplader lenen. Het staat als infinitief na „kann“ in „das ich ausleihen kann“; een bruikbaar patroon is „etwas ausleihen“ voor het lenen van een concreet voorwerp.
kann „Kann“ betekent hier „kan“ en drukt uit dat de spreker in staat of gemachtigd is om het oplader te lenen. Het is een vorm van „können“ in „das ich ausleihen kann“; na deze vorm staat het werkwoord „ausleihen“ achteraan.
Nimm „Nimm“ betekent hier „neem“ en is een directe aansporing om het oplader te pakken. Het is de gebiedende vorm van „nehmen“ in „Nimm das neben meinem Laptop“ en wordt gebruikt wanneer je iemand informeel opdracht geeft iets te nemen.
neben „Neben“ betekent hier „naast“ en geeft de plaats aan van het bedoelde voorwerp ten opzichte van de laptop. In „neben meinem Laptop“ gebruik je het om een vaste positie naast iets te beschrijven.
meinem „Meinem“ betekent hier „mijn“ in de woordgroep „meinem Laptop“. Deze vorm hoort bij het bezittelijke „mein“ na „neben“ wanneer een vaste plaats wordt beschreven; de laptop is het herkenningspunt voor het voorwerp.
Laptop „Laptop“ betekent „laptop“. In „neben meinem Laptop“ dient het als herkenningspunt om aan te geven waar het bedoelde voorwerp ligt; je kunt het gebruiken bij aanwijzingen over de plaats van spullen.
Brauche „Brauche“ betekent hier „heb nodig“ in de vraag „Brauche ich diesen Adapter auch?“. Het is een vorm van „brauchen“ en wordt gebruikt om te vragen of een extra voorwerp nodig is, bijvoorbeeld bij het aansluiten van een apparaat.
diesen „Diesen“ betekent hier „deze“ en wijst naar de specifieke adapter waarover de gesprekspartners het hebben. In „diesen Adapter“ staat het direct vóór het zelfstandig naamwoord en maakt het duidelijk welk exemplaar bedoeld wordt.
Adapter „Adapter“ betekent „adapter“, het extra onderdeel dat misschien nodig is als de stekker niet past. In „diesen Adapter“ is het het voorwerp waarnaar gevraagd en dat daarna met „ihn“ wordt aangeduid.
auch „Auch“ betekent hier „ook“ en voegt de adapter toe aan het oplader dat al besproken is. In „Brauche ich diesen Adapter auch?“ gebruik je het om te vragen of nog een extra ding nodig is.
ihn „Ihn“ betekent hier „hem“ of „het“ en verwijst naar „diesen Adapter“. In „Nimm ihn“ staat het als het voorwerp dat iemand moet nemen; je gebruikt deze vorm om naar het eerder genoemde mannelijke voorwerp terug te verwijzen.
wenn „Wenn“ betekent hier „als“ en introduceert de voorwaarde „wenn dein Stecker nicht passt“. Het verbindt de voorwaarde met de instructie „Nimm ihn“ en wordt gebruikt wanneer iets alleen onder een bepaalde omstandigheid geldt.
dein „Dein“ betekent hier „jouw“ en geeft aan dat de stekker van de aangesprokene is. In „dein Stecker“ staat het vóór het zelfstandig naamwoord om bezit aan te geven.
Stecker „Stecker“ betekent „stekker“. In „dein Stecker nicht passt“ is het de stekker waarvan wordt beoordeeld of die in de aansluiting past; je gebruikt het bij het aansluiten van een elektrisch apparaat.
nicht „Nicht“ betekent hier „niet“ en ontkent dat de stekker past. In „dein Stecker nicht passt“ staat het vóór het werkwoord aan het einde van de bijzin en maakt het de voorwaarde negatief.
passt „Passt“ betekent hier „past“ in de betekenis dat de stekker in de aansluiting past. Het is een vorm van „passen“ in „dein Stecker nicht passt“; je gebruikt het om te zeggen of een onderdeel geschikt is voor een opening of aansluiting.
Reicht „Reicht“ betekent hier „reikt“ of „is lang genoeg om te komen tot“ en gaat over de lengte van het kabel. In „Reicht das Kabel bis zum Tisch?“ staat het vooraan omdat het een vraag is; een bruikbaar patroon is „Reicht ... bis ...?“ voor een eindpunt.
Kabel „Kabel“ betekent „kabel“. In „Reicht das Kabel bis zum Tisch?“ is het de kabel waarvan wordt gevraagd of die lang genoeg is; je gebruikt het bij snoeren en aansluitingen.
bis „Bis“ betekent hier „tot aan“ en geeft het eindpunt van het bereik aan. In „bis zum Tisch“ maakt het duidelijk dat het kabel tot aan de tafel moet komen; het wordt vaak gevolgd door een tijdstip of plaats als eindpunt.
zum „Zum“ betekent hier „tot aan de“ in „bis zum Tisch“. Het is de samengevoegde vorm van „zu dem“ en staat vóór „Tisch“ om het eindpunt van de kabel aan te geven.
Tisch „Tisch“ betekent „tafel“. In „bis zum Tisch“ is de tafel het eindpunt dat bepaalt hoe ver het kabel moet reiken; je gebruikt het bij aanwijzingen over een plaats of oppervlak.
du „Du“ betekent „jij“ en verwijst naar de persoon die wordt aangesproken. In „wenn du nahe an der Wand sitzt“ is die persoon degene die dicht bij de muur moet zitten.
nahe „Nahe“ betekent hier „dicht bij“ en beschrijft de positie ten opzichte van de muur. In „nahe an der Wand“ vormt het samen met „an der Wand“ een plaatsaanduiding; je gebruikt dit om geringe afstand aan te geven.
an „An“ betekent hier „bij“ in de woordgroep „an der Wand“. Samen met „nahe“ geeft het aan dat iemand dicht bij de muur zit; het wordt hier gebruikt voor een plaats naast of aan een vast punt.
der „Der“ is hier het lidwoord in „der Wand“ en hoort bij de plaatsaanduiding „an der Wand“. In deze vaste woordgroep verwijst het naar de specifieke muur waar iemand dichtbij zit.
Wand „Wand“ betekent „muur“. In „nahe an der Wand“ is de muur het vaste punt waar iemand dichtbij zit; je gebruikt het bij de beschrijving van een binnenruimte.
sitzt „Sitzt“ betekent hier „zit“ en beschrijft de houding of plaats van de aangesprokene. Het is een vorm van „sitzen“ in „wenn du nahe an der Wand sitzt“; na „wenn“ staat het werkwoord aan het einde van de bijzin.
lege „Lege“ betekent hier „leg“ of „plaats“ in „Ich lege alles zurück“. Het is een vorm van „legen“ en vormt samen met „zurück“ de betekenis „terugleggen“; je gebruikt het wanneer je iets ergens neerlegt.
alles „Alles“ betekent „alles“ en verwijst hier naar het oplader, de adapter en de kabel die zijn gebruikt. In „Ich lege alles zurück“ is het datgene wat de spreker weer op zijn plaats legt.
zurück „Zurück“ betekent hier „terug“ en maakt samen met „lege“ de betekenis „terugleggen“ in „Ich lege alles zurück“. Het geeft aan dat iets naar de eerdere plaats wordt gebracht; een bruikbaar patroon is „etwas zurücklegen“.
fertig „Fertig“ betekent hier „klaar“ of „af“ in „wenn ich fertig bin“. Het beschrijft dat de spreker met zijn activiteit is gestopt of die heeft voltooid; een bruikbaar patroon is „fertig sein“.
bin „Bin“ betekent hier „ben“ en hoort bij „ich“ in „wenn ich fertig bin“. Het is een vorm van „sein“; in deze bijzin staat het na „fertig“ en sluit het de voorwaarde af.
Lass „Lass“ betekent hier „laat“ in de instructie „Lass es auf meinem Schreibtisch liegen“. Het is een gebiedende vorm van „lassen“ en wordt gebruikt om iemand te vragen iets op zijn plaats te laten.
auf „Auf“ betekent hier „op“ en geeft in „auf meinem Schreibtisch“ de plaats aan waar iets moet blijven. Het wordt gebruikt om de positie van een voorwerp op een oppervlak te beschrijven.
Schreibtisch „Schreibtisch“ betekent „bureau“. In „auf meinem Schreibtisch“ is het bureau de plaats waar het voorwerp moet blijven liggen; je gebruikt het bij een werk- of studeerplek.
liegen „Liegen“ betekent hier „liggen“ of „ergens blijven liggen“ in „Lass es auf meinem Schreibtisch liegen“. Het staat als infinitief na „Lass“ en beschrijft de positie die het voorwerp moet behouden.
damit „Damit“ betekent hier „zodat“ en introduceert het doel van het op het bureau laten liggen. In „damit ich es finden kann“ maakt het duidelijk dat de spreker het voorwerp later wil kunnen terugvinden; het leidt een bijzin met het werkwoord achteraan in.
finden „Finden“ betekent hier „vinden“ in „damit ich es finden kann“. Het staat als infinitief na „kann“ en heeft „es“ als voorwerp; je gebruikt het wanneer je iets wilt terugvinden of lokaliseren.

Grammatica

wenn + bijzin met het werkwoord aan het einde

Wenn der Stecker passt, reicht das Kabel bis zum Tisch.

ven deer sjtekkuh past, raicht das kaa-buhl bis tsoem tisj.

Als de stekker past, reikt de kabel tot aan de tafel.

Na wenn staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin.

damit + bijzin met het werkwoord aan het einde

Ich lege alles zurück, damit wir den Adapter finden.

ich lee-guh alluhs tsoe-ruk, da-mit vier deen a-dap-tuh fin-duhn.

Ik leg alles terug, zodat we de adapter kunnen vinden.

Damit drukt een doel uit; het vervoegde werkwoord staat achteraan in de bijzin.

Duits woordenschat

Adapter zelfstandig naamwoord
a-dap-tuh adapter
auch bijwoord
ouch ook
ausleihen werkwoord
ous-lai-uhn lenen
brauchen werkwoord
brau-guhn nodig hebben Brauche
Ladegerät zelfstandig naamwoord
laa-duh-guh-REET oplader
Laptop zelfstandig naamwoord
leptop laptop
neben voorzetsel
nee-buhn naast
nehmen werkwoord
nee-muhn nemen Nimm
passen werkwoord
pasuhn passen passt
reichen werkwoord
raichuhn reiken / tot ... komen Reicht
Stecker zelfstandig naamwoord
sjtekkuh stekker
wenn voegwoord
ven als / wanneer

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Gebruik die naast mijn laptop.

Antwoord tonenNimm das neben meinem Laptop.

Heb ik deze adapter ook nodig?

Antwoord tonenBrauche ich diesen Adapter auch?

Komt de kabel tot aan de tafel?

Antwoord tonenReicht das Kabel bis zum Tisch?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

lenen

Antwoord tonenausleihen

naast

Antwoord tonenneben

laptop

Antwoord tonenLaptop

nemen

Antwoord tonenNimm